Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBNNE:2026:1541
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Raadkamer
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1541 text/xml public 2026-05-15T09:58:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-29 26-002179 Uitspraak Raadkamer Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Internationaal strafrecht Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie 39 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1541 text/html public 2026-05-15T09:56:05 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1541 Rechtbank Noord-Nederland , 29-04-2026 / 26-002179 De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat ten aanzien van het geding leidend tot de confiscatiebeslissing sprake is geweest van een manifeste schending van een grondrecht. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het recht niet volgt dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan, in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde, afgezien van de bij de wet geregelde (executie) verjaring. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 26-002179 cjib-zaaknummer : 3072542300000493 beslissing van de meervoudige raadkamer van 29 april 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . Procesverloop Op 23 januari 2026 heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 3 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 30 november 2016 door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, strafzaken, dertiende kamer, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van 120.000,--. De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet. De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 april 2026. Hierbij waren aanwezig veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. A.J. Kemkers. Motivering De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC het volgende geldt: de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen; de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen; de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. Standpunt veroordeelde De erkenning van het confiscatiebevel had door de officier van justitie geweigerd moeten worden op grond van de weigeringsgrond van artikel 19 lid 1 sub h Verordening 2018/1805, omdat tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel leidt tot een schending van de redelijke termijn. Dit is een bijzondere omstandigheid die leidt tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest van de EU (hierna: Handvest) vervat grondrecht. Door het tijdsverloop is veroordeelde de mogelijkheid ontnomen op een doeltreffende voorziening in rechte. Hij kan hierdoor zijn standpunten niet onderbouwen, zoals dat hij niet aanwezig is geweest tijdens de zitting en dat hij nimmer in kennis is gesteld van de ontnemingsbeslissing, waardoor hem de kans is ontnomen hoger beroep in te stellen tegen deze beslissing. Tevens is veroordeeelde door het tijdsverloop in zijn belangen geschaad nu de ontnemingsbeslissing niet is meegenomen in een schuldsaneringsregeling die veroordeelde in de tussentijd heeft doorlopen. Standpunt officier van justitie Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat veroordeelde persoonlijk is verschenen op de terechtzitting in België en uit het confiscatiebevel blijkt dat hij tijdens de zitting is bijgestaan door een advocaat. Veroordeelde was derhalve op de hoogte van de procedure in België tegen hem en hij heeft de mogelijkheid om in hoger beroep en/of in beroep in cassatie te gaan; veroordeelde heeft gelegenheid gehad om zich te verweren. De beslissing is op 30 december 2016 onherroepelijk geworden. Hiermee is de ontneming wederrechtelijk voordeel in rechte vastgesteld door de Belgische rechter. Het beginsel van wederzijdse erkenning en de strikte uitleg van de gronden tot weigering brengt met zich mee dat bij de beoordeling of een van de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van toepassing is niet toe wordt gekomen aan de beoordeling van de gevoerde procedure in het buitenland of de materiële gronden voor de in het buitenland genomen beslissing. Het verweer moet worden verworpen. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt dat in artikel 19, eerste lid aanhef en onder h, Verordening 2018/1805 is vastgelegd dat het mogelijk is om een confiscatiebevel niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen wanneer op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen is dat tenuitvoerlegging zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van de verdediging. Mocht de officier van justitie deze weigeringsgrond overwegen, zo stelt lid 2 van dit artikel, dan moet er overleg plaatsvinden met de uitvaardigende autoriteit en kan de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit verzoeken alle benodigde gegevens te verstrekken. Dit benadrukt dat het verzoek tot erkenning niet lichtvaardig terzijde kan worden geschoven. Zoals ook in overweging (34) van de Verordening 2018/1805 is aangegeven, gaat het hierbij immers om een uitzondering op het binnen de Unie geldende onderling vertrouwen en op de veronderstelling dat alle lidstaten zich houden aan het recht van de Unie, met name de grondrechten. Dit artikel ziet daarmee op het onderliggende rechtsgeding waaruit de ten uitvoer te leggen veroordeling is voortgevloeid. Er is niet gebleken dat er ten aanzien van het geding leidend tot de beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, strafzaken, dertiende kamer, te België van 30 november 2016 sprake is geweest van een manifeste schending van een grondrecht. Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband nog dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een vervolging van veroordeelde maar van de tenuitvoerlegging van een tegen hem gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden vonnis. Uit het recht volgt niet dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan, in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde, afgezien van de bij de wet geregelde (executie)verjaring waarvan op dit moment nog geen sprake is. Veroordeelde kan er daarom ook geen beroep op doen dat hij door het tijdsverloop in zijn belangen is geschaad doordat de vordering niet is meegenomen bij een schuldsaneringsregeling. De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren en is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1541 text/xml public 2026-05-15T09:58:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-29 26-002179 Uitspraak Raadkamer Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Internationaal strafrecht Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie 39 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1541 text/html public 2026-05-15T09:56:05 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1541 Rechtbank Noord-Nederland , 29-04-2026 / 26-002179 De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat ten aanzien van het geding leidend tot de confiscatiebeslissing sprake is geweest van een manifeste schending van een grondrecht. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het recht niet volgt dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan, in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde, afgezien van de bij de wet geregelde (executie) verjaring. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 26-002179 cjib-zaaknummer : 3072542300000493 beslissing van de meervoudige raadkamer van 29 april 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld namens veroordeelde [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . Procesverloop Op 23 januari 2026 heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de op 3 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 30 november 2016 door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, strafzaken, dertiende kamer, te België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van 120.000,--. De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet. De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 april 2026. Hierbij waren aanwezig veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. A.J. Kemkers. Motivering De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep en het beroep is tijdig en juist ingesteld. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC het volgende geldt: de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen; de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen; de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. Standpunt veroordeelde De erkenning van het confiscatiebevel had door de officier van justitie geweigerd moeten worden op grond van de weigeringsgrond van artikel 19 lid 1 sub h Verordening 2018/1805, omdat tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel leidt tot een schending van de redelijke termijn. Dit is een bijzondere omstandigheid die leidt tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest van de EU (hierna: Handvest) vervat grondrecht. Door het tijdsverloop is veroordeelde de mogelijkheid ontnomen op een doeltreffende voorziening in rechte. Hij kan hierdoor zijn standpunten niet onderbouwen, zoals dat hij niet aanwezig is geweest tijdens de zitting en dat hij nimmer in kennis is gesteld van de ontnemingsbeslissing, waardoor hem de kans is ontnomen hoger beroep in te stellen tegen deze beslissing. Tevens is veroordeeelde door het tijdsverloop in zijn belangen geschaad nu de ontnemingsbeslissing niet is meegenomen in een schuldsaneringsregeling die veroordeelde in de tussentijd heeft doorlopen. Standpunt officier van justitie Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat veroordeelde persoonlijk is verschenen op de terechtzitting in België en uit het confiscatiebevel blijkt dat hij tijdens de zitting is bijgestaan door een advocaat. Veroordeelde was derhalve op de hoogte van de procedure in België tegen hem en hij heeft de mogelijkheid om in hoger beroep en/of in beroep in cassatie te gaan; veroordeelde heeft gelegenheid gehad om zich te verweren. De beslissing is op 30 december 2016 onherroepelijk geworden. Hiermee is de ontneming wederrechtelijk voordeel in rechte vastgesteld door de Belgische rechter. Het beginsel van wederzijdse erkenning en de strikte uitleg van de gronden tot weigering brengt met zich mee dat bij de beoordeling of een van de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van toepassing is niet toe wordt gekomen aan de beoordeling van de gevoerde procedure in het buitenland of de materiële gronden voor de in het buitenland genomen beslissing. Het verweer moet worden verworpen. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt dat in artikel 19, eerste lid aanhef en onder h, Verordening 2018/1805 is vastgelegd dat het mogelijk is om een confiscatiebevel niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen wanneer op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen is dat tenuitvoerlegging zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van de verdediging. Mocht de officier van justitie deze weigeringsgrond overwegen, zo stelt lid 2 van dit artikel, dan moet er overleg plaatsvinden met de uitvaardigende autoriteit en kan de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit verzoeken alle benodigde gegevens te verstrekken. Dit benadrukt dat het verzoek tot erkenning niet lichtvaardig terzijde kan worden geschoven. Zoals ook in overweging (34) van de Verordening 2018/1805 is aangegeven, gaat het hierbij immers om een uitzondering op het binnen de Unie geldende onderling vertrouwen en op de veronderstelling dat alle lidstaten zich houden aan het recht van de Unie, met name de grondrechten. Dit artikel ziet daarmee op het onderliggende rechtsgeding waaruit de ten uitvoer te leggen veroordeling is voortgevloeid. Er is niet gebleken dat er ten aanzien van het geding leidend tot de beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, strafzaken, dertiende kamer, te België van 30 november 2016 sprake is geweest van een manifeste schending van een grondrecht. Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband nog dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een vervolging van veroordeelde maar van de tenuitvoerlegging van een tegen hem gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden vonnis. Uit het recht volgt niet dat overschrijding van een bepaald tijdverloop tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan, in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde, afgezien van de bij de wet geregelde (executie)verjaring waarvan op dit moment nog geen sprake is. Veroordeelde kan er daarom ook geen beroep op doen dat hij door het tijdsverloop in zijn belangen is geschaad doordat de vordering niet is meegenomen bij een schuldsaneringsregeling. De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren en is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning van de confiscatiebeslissing heeft kunnen komen.