Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-17
ECLI:NL:RBNNE:2026:1495
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/2823 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres en Autoriteit Persoonsgegevens (de AP), verweerder (gemachtigden: C. Beckers en J.M.A. Koster). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een klacht die eiseres heeft ingediend bij de AP. Eiseres heeft een inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG) ingediend bij een advocatenkantoor. Naar aanleiding van de reactie op dat verzoek heeft eiseres een klacht ingediend bij de AP. Zij is het niet eens met het besluit van de AP op haar klacht en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de AP zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de AP zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Eiseres heeft bij [het advocatenkantoor] een verzoek om inzage in haar persoonsgegevens op grond van de AVG ingediend. 2.1. Naar aanleiding van de reactie van het advocatenkantoor op haar verzoek heeft eiseres op 10 februari 2025 een klacht ingediend bij de AP. 2.2. Met het besluit van 4 april 2025 heeft de AP geconcludeerd dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. Daarom legt de AP geen maatregel op aan het advocatenkantoor. 2.3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. 2.4. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft de AP het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De AP heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daar schriftelijk op gereageerd. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de AP deelgenomen. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 5 februari 2025 heeft eiseres bij [het advocatenkantoor] een verzoek ingediend om inzage in haar persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 van de AVG. Ze verzoekt om inzage in alle persoonsgegevens die het advocatenkantoor met betrekking tot haar heeft verwerkt in het kader van haar faillissementsproces. 3.1. Op 6 februari 2025 heeft het advocatenkantoor in een e-mail aan eiseres laten weten dat haar naam bij het kantoor onbekend is. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres haar verzoek nader toegelicht, onder meer door een dossier en onderliggende opdrachtgevers te noemen. Op 7 februari 2025 heeft het advocatenkantoor nogmaals aan eiseres laten weten dat het niets kan vinden met de aangedragen gegevens. 3.2. Op 10 februari 2025 heeft eiseres een klacht ingediend bij de AP. Zij stelt dat er niet inhoudelijk wordt gereageerd op haar verzoek terwijl het advocatenkantoor over het dossier beschikt. 3.3. Met het besluit van 4 april 2025 heeft de AP besloten geen maatregel op te leggen aan het advocatenkantoor, omdat het heeft geconcludeerd dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden. 3.4. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de AP het advocatenkantoor gevraagd om een schriftelijke reactie op de klacht en het bezwaar van eiseres. 3. Verder stelt eiseres dat de AP onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke rol van het kantoor in het faillissement en de evidente inconsistentie in de verklaringen van het kantoor. Omdat het recht op toegang tot persoonsgegevens een essentieel onderdeel is van het recht op privacy is een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging vereist. 6.1. De AP stelt zich op het standpunt dat het advocatenkantoor de AVG niet heeft overtreden bij het beantwoorden van het inzageverzoek van eiseres. Volgens de AP is het inzagerecht van artikel 15 van de AVG niet absoluut. Op grond van artikel 23 van de AVG is in Nederland artikel 41 van de UAVG van toepassing. In lid 1, onder i, van dat artikel is bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke het inzagerecht buiten toepassing kan laten met het oog op de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. Deze uitzonderingsmogelijkheid geldt voor de geheimhoudingsplicht van een advocaat. Die geheimhoudingsplicht strekt zich ook uit tot de vraag of iemand zich tot een bepaalde advocaat heeft gewend en, zo ja, ter zake waarvan. Omdat eiseres in haar verzoek vermeende opdrachtgevers bij naam heeft genoemd zou iedere bevestiging of ontkenning van het advocatenkantoor over het verwerken van haar persoonsgegevens prijsgeven of deze partijen zich tot het advocatenkantoor hebben gewend. Ook het enkel noemen van informatiecategorieën zou die informatie prijsgeven. Daarom was de weigering van het advocatenkantoor gerechtvaardigd ter bescherming van de rechten van anderen. Daarnaast ziet artikel 15, vierde lid, van de AVG, waarin is bepaald dat het recht om kopieën te verkrijgen geen afbreuk mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen, op het inzagerecht in zijn volle omvang. Volgens de AP maakt de aanvankelijke verklaring van het kantoor dat het niets kon vinden dit niet anders. Uit de stukken die het kantoor heeft overgelegd blijkt namelijk dat het kantoor eerst in de veronderstelling verkeerde dat eiseres een voormalig cliënt was. Toen bekend werd dat eiseres geen cliënt maar wederpartij was heeft het kantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aan het inzageverzoek kon voldoen vanwege de geheimhoudingsplicht. Het kantoor kon volstaan met de mededeling dat het bevestigt noch ontkent dat het een positie heeft gehad in deze kwestie. Daarom is er geen sprake van een schending van artikel 5, tweede lid, of artikel 12 van de AVG. De AP stelt zich op het standpunt dat het de klacht van eiseres in passende mate heeft onderzocht, zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, onder f, van de AVG. Op de zitting heeft de AP toegelicht dat het verzoek van eiseres ziet op de verwerking van haar persoonsgegevens in het kader van haar privé-faillissement in de dossiers van de door haar genoemde schuldeisers. Daarmee ziet het verzoek van eiseres volgens de AP op de relatie tussen cliënt en advocaat. Een nader onderzoek naar de feitelijke rol van het advocatenkantoor in het faillissement zou niets veranderen aan de uitkomst van het onderzoek, omdat dit niets verandert aan de geheimhoudingsplicht. 7. De rechtbank overweegt dat het inzagerecht van artikel 15 van de AVG niet absoluut is. Op grond van artikel 41, eerste lid, onder i, van de UAVG kan de verwerkingsverantwoordelijke het inzagerecht buiten toepassing laten met het oog op de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. 8. De AP heeft een zienswijze opgevraagd bij het advocatenkantoor. Daarin stelt het kantoor zich op het standpunt dat het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht van advocaten maken dat geen informatie kan worden verstrekt. Het inzagerecht van eiseres wordt daarmee volgens het kantoor beperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 9. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de AP gelegen om te onderzoeken welke rechten en vrijheden van anderen volgens het advocatenkantoor beschermd worden met de beperking van het inzagerecht van eiser Broere, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 15 Recht van inzage van de betrokkene 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: a. a) de verwerkingsdoeleinden; b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens; c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken; f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit; 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt. 4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 23 Beperkingen 1. De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van: a) de nationale veiligheid; b) landsverdediging; c) de openbare veiligheid; d) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid; f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures; g) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervo