Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-10
ECLI:NL:RBNNE:2026:1465
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1836 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. J.R. Feitsma), en Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut (gemachtigde: mr. S.C. Goldbohm). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om vergoeding van schade aan zijn woning door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe aan dat het Instituut in zijn situatie het bewijsvermoeden had moeten toepassen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en totstandkoming van het besluit 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor schade aan zijn woning aan [adres] . Het betreft een tussenwoning met bouwjaar 1997. Bij de aanvraag heeft eiser vermeld dat het gaat om scheuren in de badkamer. 2.1. Het Instituut heeft de aanvraag met het besluit van 26 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Instituut. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat het geschil over? In geschil is of het bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW moet worden toegepast op de schade aan de woning van eiser. Bewijsvermoeden en toepassingsgebied 3. Op grond van artikel 6:177a BW wordt bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. Dit bewijsvermoeden wordt door het Instituut toegepast bij gebouwen en werken die binnen het effectgebied vallen. 3.1. Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden met succes als het aan de hand van een advies aantoont dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. 3.2. De wetgever heeft er destijds bewust voor gekozen om, mede gelet op voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, de geografische afbakening van het gebied waarbinnen het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing is niet bij wettelijke regeling vast te stellen. Het was wel de bedoeling dat het gebied veilig en ruim zou worden afgebakend. 3.3. Het Instituut heeft zich voor de grenzen van het effectgebied waarbinnen het bewijsvermoeden geldt, gebaseerd op het advies van het panel van deskundigen van 22 januari 2019. Dit panel adviseerde bij het bepalen van de geografische reikwijdte van mogelijke schade-effecten door de gaswinning twee uitgangspunten te hanteren: (1) een grens van 6 kilometer buiten de omtrek van het Groningenveld en de gasopslag Norg, in verband met de mogelijke effecten van bodemdaling en -stijging, en (2) een minimale trilling van 2 mm/s als gevolg van een beving met epicentrum gelegen in het Groningenveld, waarbij tot op heden de impact van de zwaarste beving tot nu toe (de aardbeving van Huizinge van 16 augustus 2012) bepalend is. 3.4. Het panel baseerde zich voor het 6 km-criterium op onderzoek van de TU Delft uit 2018 waaruit volgde dat diepe bodemdaling onder uitzonderlijke omstandigheden op indirecte wijze tot schade aan een gebouw kon leiden. Het panel heeft daarom deze mogelijkheid in zijn advie Op 2 november 2022 heeft ingenieursbureau Movares in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een peer review van de onderzoeken van TNO & TU Delft en Deltares uitgevoerd. Movares komt tot de conclusie dat de onderzoeken goed zijn uitgevoerd en geen evidente fouten bevatten. Maar er is in het onderzoek van TNO en TU Delft onvoldoende rekening gehouden met onzekerheden in de gebruikte data en berekeningen betreffende directe effecten van diepe bodemdaling en -stijging. Die onzekerheden leiden ertoe dat de kans op schade door diepe bodemdaling en -stijging op specifieke plekken mogelijk wordt onderschat. 3.14. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft aanleiding gezien via een wetswijziging het toepassingsgebied voor het bewijsvermoeden nader geografisch te specificeren en daarmee duidelijkheid te geven over het gebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is. De tijdelijke stopzetting van de schadeafhandeling en het niet langer hanteren van het 6 km-criterium hebben tot nadelige effecten voor de voorspelbaarheid van het beleid geleid voor bewoners ten zuidoosten van het Groningenveld en de omgeving van de gasopslag bij Norg. Daarbij speelde ook een rol dat de staatssecretaris het onwenselijk vond dat deze bewoners geen beroep meer konden doen op toepassing van het bewijsvermoeden, daar waar dat voorheen wel mogelijk was. Zie de brief van de staatssecretaris van 29 november 2022 en de nota van toelichting bij het Besluit van 26 oktober 2023, tot wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen in verband met het aanwijzen van het gebied waarbinnen het bewijsvermoeden geldt. 3.15. Het Besluit van 26 oktober 2023 is op 1 januari 2024 in werking getreden. Art. 10oa luidt als volgt: 4. Het vermoeden, bedoeld in artikel 177a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geldt in ieder geval in het gebied dat valt: a. binnen de reikwijdte van de beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk waar een minimale trilling van 2 millimeter per seconde met een overschrijdingskans van 1 procent is berekend; of b. binnen 6 kilometer van de grens van het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. Waarom is eiser het niet eens met de afwijzing? 5. Eiser stelt dat de bestreden beslissing in strijd is met de Tijdelijke wet Groningen. In het rapport ‘Groningers boven Gas 1. Conclusies en aanbevelingen’ , naar aanleiding van de Parlementaire enquête, staat dat het toepassen van het bewijsvermoeden op de wijze zoals het Instituut dit doet, in strijd is met de geest van de Tijdelijke wet Groningen. De Parlementaire Enquêtecommissie heeft het Instituut expliciet opgeroepen de trillingstool niet langer op die wijze te gebruiken. Door niet conform het advies uit het rapport maatregelen te treffen, handelt het Instituut volgens eiser in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dit brengt volgens eiser reeds mee dat het beroep gegrond verklaard dient te worden. De schades dienen door het Instituut beoordeeld te worden en als het Instituut er niet in slaagt om het bewijsvermoeden te weerleggen, moet de schade aan de woning vergoed worden. 5.1. Daarnaast voert eiser aan dat het bewijsvermoeden wel degelijk van toepassing is omdat de schade scheurvorming in wanden/gevels betreft. Dergelijke schade kan in zijn algemeenheid door mijnbouwactiviteiten worden veroorzaakt. Uit de tekst van artikel 6:177a BW volgt dat voor het bepalen of fysieke schade al dan niet door mijnbouwwerkzaamheden kan zijn veroorzaakt, gekeken moet worden naar het type fysieke schade dat in het geding is en niet, zoals het Instituut dat doet, naar de vermeende trillingssnelheid die zou zijn opgetreden. Volgens eiser is niet uit te sluiten dat de grondversnelling boven de 2mm/s is geweest. De trillingstool gaat volgens eiser uit van de onjuiste veronderstelling dat de grondversnelling afneemt naarmate de afstand to