Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-25
ECLI:NL:RBNNE:2026:1405
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/4142 en LEE 25/4141 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 in verband met een ambtshalve ingesteld onderzoek naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging van de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 getroffen voorziening, tevens uitspraak op het beroep in de zaak tussen: [naam 1 uit plaats] (gemachtigde: mr. D.J. Meijer) en het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland (gemachtigden: J. Hoogwerf en W. Wieringa ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de last onder bestuursdwang die door het college is opgelegd aan [naam 1] . De last houdt in dat [naam 1] het groen langs zijn perceel en de overhangende bomen moet snoeien of laten snoeien. Volgens het college zal het groen teruggesnoeid moeten worden zodat er een minimale doorgang ontstaat van 4,5 meter breed en dient de doorrijhoogte minimaal 4 meter te zijn. Aan [naam 1] is medegedeeld dat, als hij niet aan de last voldoet, de gemeente het overhangend groen zal gaan snoeien en dat de kosten daarvan voor rekening van [naam 1] zullen worden gebracht. [naam 1] is het daar niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en hij heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het besluit op bezwaar van 16 oktober 2025, zoals herzien bij het besluit op bezwaar van 30 oktober 2025. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. [naam 1] krijgt dus gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. De voorzieningenrechter zal de voorlopige voorziening die bij uitspraak van 10 november 2025 is getroffen opheffen en ambtshalve een nieuwe voorlopige voorziening treffen in deze uitspraak. Procesverloop 2. Bij besluit van 5 juni 2025 heeft het college [naam 1] onder oplegging van een last onder bestuursdwang gelast om voor 20 juni 2025 het groen langs zijn perceel en de overhangende bomen te snoeien of te laten snoeien. Volgens het college zal het groen tot aan de grenspaaltjes teruggesnoeid moeten worden. De doorrijhoogte dient daarbij minimaal 4 meter te zijn. Er zal gecontroleerd worden of [naam 1] heeft voldaan aan de last. Indien dat niet het geval is, zal de gemeente het overhangend groen gaan snoeien. De kosten hiervan zullen voor rekening van [naam 1] zijn, aldus het college. 2.1. Bij besluit op bezwaar van 16 oktober 2025 heeft het college het door [naam 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 30 oktober 2025 is eerstgenoemd besluit herzien voor wat betreft de lengte van de begunstigingstermijn. 2.2. [naam 1] heeft beroep ingesteld. Het beroep is ingeschreven onder zaaknummer LEE 25/4142. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ingeschreven onder zaaknummer LEE 25/4141. 2.3. Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat de begunstigingstermijn neergelegd in het besluit op bezwaar van 30 oktober 2025 wordt verlengd totdat is beoordeeld of de bij die uitspraak te treffen voorlopige voorziening moet worden opgeheven of moet worden gewijzigd. 2.4. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve een onderzoek ingesteld naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging van de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 getroffen voorziening. Daartoe heeft de voorzieningenrechter op 9 februari 2026 een zitting gehouden. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college. 2.5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van [naam 1] daartegen. Het bestreden besluit 3. Het college heeft het volgend Aldus bestaat er ten minste een gedeeltelijke overlap tussen het begrip “wegen” in de Wvw 1994 en hetgeen daaronder wordt verstaan in de jurisprudentie over toepassing van de Wegenwet. Artikel 2:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Apv strekt daarom tot handhaving van de openbaarheid van wegen in de zin van beide wetten, namelijk voor zover het gaat om voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden die tevens kunnen worden gekwalificeerd als verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbare verkeer en die naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Artikel 2:15 van de Apv, heeft betrekking op het verkeer op dergelijke wegen. 7.6. Niet voldoende is dat, volgens het college, sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 2:10 van de Apv en/ of het bepaalde in artikel 2:15 van de Apv. Dat betekent dat het college slechts bevoegd is tot handhavend optreden jegens [naam 1] , als rechthebbende op het litigieuze gedeelte van [adres 1] , op voorwaarde dat [adres 1] een weg is in de zin van de Wegenwet. 7.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college niet de nodige kennis heeft vergaard waaruit kan blijken dat en waarom [adres 1] een zodanige algemene verkeersfunctie heeft dat [adres 1] kan worden gekwalificeerd als een weg in de zin van de Wegenwet. Daarvoor is immers van belang of [adres 1] naar zijn aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient. Ter zitting is daarover naar voren gebracht dat het gaat om een doodlopende weg voor autoverkeer. Voor wandel- en fietsverkeer is het niet-doodlopend, maar dat sluit niet uit dat [adres 1] zich niet wezenlijk onderscheidt van een uitweg die voornamelijk een functie heeft voor de buurtbewoners. Voorheen heeft de vuilniswagen van Omrin gebruik van [adres 1] gemaakt. Dat is inmiddels niet meer nodig omdat het ophaalpunt van de containers is verplaatst. 7.8. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat en waarom [adres 1] naar zijn aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient en daarmee een weg is in de zin van de Wegenwet. In artikel 2.10 van de Apv en artikel 2.15 van de Apv, bezien in samenhang met hetgeen in de jurisprudentie wordt verstaan onder een weg in de zin van de Wegenwet, kan in dit geval geen grondslag worden gevonden voor de bevoegdheid tot handhavend optreden. [naam 1] is als eigenaar gerechtigd over het litigieuze deel van [adres 1] te beschikken, dat kan door het college niet worden gereguleerd op grond van artikel 2.10 van de Apv en artikel 2.15 van de Apv. Het college was daarom niet bevoegd tot handhaving. 8. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan hetgeen [naam 1] overigens heeft aangevoerd. Conclusie en gevolgen Opheffing van de voorlopige voorziening die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 9. Het ambtshalve onderzoek heeft als uitkomst dat inderdaad aanleiding bestaat om de voorlopige voorziening op te heffen die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025. 9.1. De voorzieningenrechter heft de voorlopige voorziening die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 ambtshalve op. Beslissing op het beroep 10. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 2.10 van de Apv en artikel 2.15 van de Apv. De voorzieningenrechter zal daarom de besluiten op bezwaar van 16 oktober 2025 en 30 oktober 2025 vernietigen. 10.1. Gelet op het bepaalde in artikel 8:41a van de Awb zal de voorzieningenrechter tevens het primaire besluit van 5 juni 2025 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de te vernietigen besluiten op bezwaar van 16 oktober 2025 en 30 oktober 2025. 11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht voor het beroep aan [naam 1] vergoeden. 12. Om die reden is er ook aanleiding om het college te veroordelen in de proces