Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBNNE:2026:1401
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,678 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1401 text/xml public 2026-04-28T15:16:59 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14 18-013130-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 312 Wetboek van Strafrecht 57 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1401 text/html public 2026-04-28T15:16:32 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1401 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2026 / 18-013130-26 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte is met de medeverdachte naar de woning van aangever gegaan. Eenmaal binnen heeft de medeverdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Verdachte en medeverdachte hebben de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij hem op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-013130-26 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. N. Hof. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 18 december 2025 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, in/uit een woning gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, contant geld (ongeveer 500 euro) en/of meerdere, althans één, slof(fen) shag en/of meerdere, althans één, slof(fen) sigaretten en/of een zilveren schakelketting en/of een Eufy camera en/of een Ring deurbel en/of een telefoon, merk: 'Samsung S20, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of die [slachtoffer] een kopstoot te geven en/of die [slachtoffer] naar de grond te duwen en/of de polsen/armen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw/veter en/of een deken over het hoofd van die (op de grond liggende) [slachtoffer] te leggen en/of het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet mee werken anders zou het allemaal nog erger worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of ( ondertussen) de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken; 2 hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2026; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 209 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025341326 en onderzoeknummer NN1R025161 d.d. 11 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 14 januari 2026, opgenomen op pagina 333 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 januari 2026, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2026, opgenomen op pagina 369 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2026, opgenomen op pagina 375 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2026 met proces-verbaalnummer PL0100-2025341326-92, opgenomen als los aanvullend proces-verbaal, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] . Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1 hij op 18 december 2025 te Sneek uit een woning gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, contant geld en meerdere sloffen shag en meerdere sloffen sigaretten en een zilveren schakelketting en een Eufy camera en een Ring deurbel en een telefoon, merk: Samsung S20, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en die [slachtoffer] een kopstoot te geven en die [slachtoffer] naar de grond te duwen en de polsen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw en een deken over het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer] te leggen en het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en daarbij dreigend de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet meewerken anders zou het allemaal nog erger worden, en ondertussen de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken. 2 hij op 12 januari 2026 te Sneek een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1401 text/xml public 2026-04-28T15:16:59 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14 18-013130-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 312 Wetboek van Strafrecht 57 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1401 text/html public 2026-04-28T15:16:32 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1401 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2026 / 18-013130-26 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte is met de medeverdachte naar de woning van aangever gegaan. Eenmaal binnen heeft de medeverdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Verdachte en medeverdachte hebben de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij hem op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-013130-26 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. N. Hof. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 18 december 2025 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, in/uit een woning gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, contant geld (ongeveer 500 euro) en/of meerdere, althans één, slof(fen) shag en/of meerdere, althans één, slof(fen) sigaretten en/of een zilveren schakelketting en/of een Eufy camera en/of een Ring deurbel en/of een telefoon, merk: 'Samsung S20, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of die [slachtoffer] een kopstoot te geven en/of die [slachtoffer] naar de grond te duwen en/of de polsen/armen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw/veter en/of een deken over het hoofd van die (op de grond liggende) [slachtoffer] te leggen en/of het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet mee werken anders zou het allemaal nog erger worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of ( ondertussen) de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken; 2 hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2026; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 209 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025341326 en onderzoeknummer NN1R025161 d.d. 11 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 14 januari 2026, opgenomen op pagina 333 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 januari 2026, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2026, opgenomen op pagina 369 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 januari 2026, opgenomen op pagina 375 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2026 met proces-verbaalnummer PL0100-2025341326-92, opgenomen als los aanvullend proces-verbaal, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] . Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1 hij op 18 december 2025 te Sneek uit een woning gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, contant geld en meerdere sloffen shag en meerdere sloffen sigaretten en een zilveren schakelketting en een Eufy camera en een Ring deurbel en een telefoon, merk: Samsung S20, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en die [slachtoffer] een kopstoot te geven en die [slachtoffer] naar de grond te duwen en de polsen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw en een deken over het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer] te leggen en het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en daarbij dreigend de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet meewerken anders zou het allemaal nog erger worden, en ondertussen de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken. 2 hij op 12 januari 2026 te Sneek een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Volledig
Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor een zo beperkt mogelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zo mogelijk gelijk aan het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het hier niet ging om een woningoverval in de strikte zin van het woord, maar meer om een vergeldingsactie richting aangever. De reclassering heeft de indruk gekregen dat het berouw van verdachte oprecht is en dat hij gemotiveerd is om zijn leven een positieve draai te geven. Hij probeert nu zijn woonsituatie op orde te krijgen en te werken aan geestelijke problemen, heeft afstand genomen van zijn negatieve netwerk en gebruikt geen verdovende middelen meer. De reclassering schrijft daarbij ook dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk is, omdat verdachte dan de kans loopt zijn woning te verliezen en dit het ingezette hulptraject zal doorkruisen. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Met de medeverdachte is hij naar de woning van aangever gegaan. Zij spraken af dat de medeverdachte als eerste naar binnen zou gaan, omdat aangever verdachte anders zou herkennen. Eenmaal binnen heeft de medeverdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Ondertussen kreeg de verdachte de gelegenheid om goederen in het huis te zoeken en hebben zij de code van de kluis van aangever weten te verkrijgen. Ook hebben verdachte en medeverdachte samen de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij aangever op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. Aangever was in zijn eigen woning, bij uitstek een plek waar hij zich veilig moet kunnen voelen. Door zo te handelen heeft verdachte geen enkele rekening gehouden met de impact die zijn gedragingen op aangever zouden hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een woningoverval zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen huis en dat zij gedurende lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan nog kunnen ondervinden. Dat hiervan in dit geval ook sprake is blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier. Verdachte en medeverdachte hebben aangever ernstig in zijn psychische en lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan. Voorts heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden boksbeugel. Een boksbeugel is een verboden wapen omdat het kan worden gebruikt om personen ernstig letsel toe te brengen. Het voorhanden hebben van een dergelijk handwapen acht de rechtbank dan ook kwalijk. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. In het reclasseringsadvies van 23 maart 2026, opgesteld door Reclassering Nederland, staat beschreven dat verdachte achteraf gezien beseft verkeerd te hebben gehandeld en dat zijn gevoelens van spijt oprecht op de reclassering overkomen. Verdachte is zich meer bewust van de problemen waarmee hij de afgelopen tijd kampte en heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen door afstand te nemen van zijn negatieve netwerk en te stoppen met het middelengebruik. Hij staat open voor hulp in een verplicht kader en de reclassering adviseert dan ook een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de reclassering niet wenselijk, omdat verdachte dan zijn huis kan verliezen en dit het hulpverleningstraject zal doorkruisen. Verdachte heeft ook ter terechtzitting zijn spijt betuigd en aangegeven dat het nu beter gaat met hem. Op te leggen straf De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat hier wel degelijk sprake was van een woningoverval. Hoewel hier sprake was van een gerichte actie naar aanleiding van een eerder conflict tussen verdachte en aangever, zijn verdachte en medeverdachte wel de woning van aangever binnengedrongen, hebben zij geweld gebruikt onder meer door hem vast te binden en hebben zij goederen meegenomen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk de uiterlijke verschijningsvorm van een woningoverval. De rechtbank heeft bij de straftoemeting dan ook aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waaruit volgt dat bij een overval in de woning met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren het oriëntatiepunt is. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden en de aard en ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de reclassering en de huidige situatie van verdachte, maar is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan het voorarrest, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank ziet verder ook geen andere reden om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de hulp die verdachte zelf al heeft gezocht acht de rechtbank het niet nodig om bijzondere voorwaarden te stellen. De rechtbank overweegt daarbij dat eventuele voorwaarden in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen worden gesteld. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Benadeelde partij Ten aanzien van feit 1 [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.926,12 ter vergoeding van materiële schade en 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal toegewezen kan worden, met uitzondering van de schadepost die ziet op de multimeter, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om ten aanzien van het weggenomen geld uit te gaan van een bedrag van maximaal 300 euro. Ten aanzien van de sloffen shag heeft de raadsman verzocht om dat deel van de vordering niet toe te wijzen, nu niet uitgesloten kan worden dat er sprake was van illegale rookwaar. Daarbij heeft hij verzocht om de schadepost die ziet op de multimeter niet toe te wijzen, nu daarover niet wordt gesproken in het dossier. De raadsman heeft zich voor de overige delen van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.
Volledig
Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor een zo beperkt mogelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zo mogelijk gelijk aan het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het hier niet ging om een woningoverval in de strikte zin van het woord, maar meer om een vergeldingsactie richting aangever. De reclassering heeft de indruk gekregen dat het berouw van verdachte oprecht is en dat hij gemotiveerd is om zijn leven een positieve draai te geven. Hij probeert nu zijn woonsituatie op orde te krijgen en te werken aan geestelijke problemen, heeft afstand genomen van zijn negatieve netwerk en gebruikt geen verdovende middelen meer. De reclassering schrijft daarbij ook dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk is, omdat verdachte dan de kans loopt zijn woning te verliezen en dit het ingezette hulptraject zal doorkruisen. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Met de medeverdachte is hij naar de woning van aangever gegaan. Zij spraken af dat de medeverdachte als eerste naar binnen zou gaan, omdat aangever verdachte anders zou herkennen. Eenmaal binnen heeft de medeverdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Ondertussen kreeg de verdachte de gelegenheid om goederen in het huis te zoeken en hebben zij de code van de kluis van aangever weten te verkrijgen. Ook hebben verdachte en medeverdachte samen de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij aangever op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. Aangever was in zijn eigen woning, bij uitstek een plek waar hij zich veilig moet kunnen voelen. Door zo te handelen heeft verdachte geen enkele rekening gehouden met de impact die zijn gedragingen op aangever zouden hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een woningoverval zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen huis en dat zij gedurende lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan nog kunnen ondervinden. Dat hiervan in dit geval ook sprake is blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier. Verdachte en medeverdachte hebben aangever ernstig in zijn psychische en lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan. Voorts heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden boksbeugel. Een boksbeugel is een verboden wapen omdat het kan worden gebruikt om personen ernstig letsel toe te brengen. Het voorhanden hebben van een dergelijk handwapen acht de rechtbank dan ook kwalijk. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. In het reclasseringsadvies van 23 maart 2026, opgesteld door Reclassering Nederland, staat beschreven dat verdachte achteraf gezien beseft verkeerd te hebben gehandeld en dat zijn gevoelens van spijt oprecht op de reclassering overkomen. Verdachte is zich meer bewust van de problemen waarmee hij de afgelopen tijd kampte en heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen door afstand te nemen van zijn negatieve netwerk en te stoppen met het middelengebruik. Hij staat open voor hulp in een verplicht kader en de reclassering adviseert dan ook een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de reclassering niet wenselijk, omdat verdachte dan zijn huis kan verliezen en dit het hulpverleningstraject zal doorkruisen. Verdachte heeft ook ter terechtzitting zijn spijt betuigd en aangegeven dat het nu beter gaat met hem. Op te leggen straf De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat hier wel degelijk sprake was van een woningoverval. Hoewel hier sprake was van een gerichte actie naar aanleiding van een eerder conflict tussen verdachte en aangever, zijn verdachte en medeverdachte wel de woning van aangever binnengedrongen, hebben zij geweld gebruikt onder meer door hem vast te binden en hebben zij goederen meegenomen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk de uiterlijke verschijningsvorm van een woningoverval. De rechtbank heeft bij de straftoemeting dan ook aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waaruit volgt dat bij een overval in de woning met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren het oriëntatiepunt is. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden en de aard en ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de reclassering en de huidige situatie van verdachte, maar is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan het voorarrest, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank ziet verder ook geen andere reden om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de hulp die verdachte zelf al heeft gezocht acht de rechtbank het niet nodig om bijzondere voorwaarden te stellen. De rechtbank overweegt daarbij dat eventuele voorwaarden in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen worden gesteld. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Benadeelde partij Ten aanzien van feit 1 [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.926,12 ter vergoeding van materiële schade en 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal toegewezen kan worden, met uitzondering van de schadepost die ziet op de multimeter, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om ten aanzien van het weggenomen geld uit te gaan van een bedrag van maximaal 300 euro. Ten aanzien van de sloffen shag heeft de raadsman verzocht om dat deel van de vordering niet toe te wijzen, nu niet uitgesloten kan worden dat er sprake was van illegale rookwaar. Daarbij heeft hij verzocht om de schadepost die ziet op de multimeter niet toe te wijzen, nu daarover niet wordt gesproken in het dossier. De raadsman heeft zich voor de overige delen van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.
Volledig
Ten aanzien van het weggenomen geld is de vordering tot een bedrag van 250,00 niet weersproken door de verdediging. De rechtbank zal daarom deze post tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan onderbouwing. Uit de bewezenverklaring volgt voorts dat er sloffen shag zijn weggenomen. Dit is ook niet bestreden door de verdediging. Aangever heeft verklaard dat deze sloffen uit Duitsland zijn geïmporteerd en in het verzoek tot schadevergoeding is een schatting van de prijs onderbouwd. De enkele stelling dat er mogelijk sprake is van illegaal verkregen sigaretten geeft onvoldoende aanleiding om dit deel van de vordering af te wijzen. De rechtbank zal dan ook dit deel van de vordering toewijzen. Met betrekking tot de multimeter overweegt de rechtbank dat niet is vast komen te staan dat deze door verdachte of medeverdachte is weggenomen. De multimeter is niet opgenomen in de tenlastelegging en is ook niet genoemd in het procesdossier. De rechtbank zal daarom de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is vast komen te staan dat deze goederen zijn weggenomen. Deze schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd en de rechtbank zal deze dan ook toewijzen. De rechtbank overweegt dat een vergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering tot immateriële schade is niet betwist door de verdediging. De rechtbank acht een bedrag van 1.250,00 ook billijk. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van 2.627,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. In beslag genomen goederen De rechtbank zal een beslissing nemen ten aanzien van de goederen die zijn opgenomen op de lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijke beslagtitel d.d. 30 maart 2026 (hierna: beslaglijst). Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de verdovende middelen op de beslaglijst te onttrekken aan het verkeer. Voorts heeft zij gevorderd om het mes en de telefoon aan verdachte terug te geven. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat de verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de op de beslaglijst opgenomen verdovende middelen. De rechtbank zal ten aanzien van deze goederen derhalve geen beslissing nemen. De rechtbank zal de teruggave gelasten van de goederen met nummers 5 en 6 op de beslaglijst, te weten het mes en de telefoon, aan verdachte. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Ten aanzien van feit 1 Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.377,98 aan materiële schade en 1.250,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen van de beslaglijst, te weten: 5. 1 1 STK Keukenartikel (Omschrijving: 2025341326), voorwerpnummer G1902492; 5. 1 1 STK GSM (Omschrijving: 2025341326, Samsung), voorwerpnummer G1902851. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026. De griffier is buiten staat om te tekenen.
Volledig
Ten aanzien van het weggenomen geld is de vordering tot een bedrag van 250,00 niet weersproken door de verdediging. De rechtbank zal daarom deze post tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan onderbouwing. Uit de bewezenverklaring volgt voorts dat er sloffen shag zijn weggenomen. Dit is ook niet bestreden door de verdediging. Aangever heeft verklaard dat deze sloffen uit Duitsland zijn geïmporteerd en in het verzoek tot schadevergoeding is een schatting van de prijs onderbouwd. De enkele stelling dat er mogelijk sprake is van illegaal verkregen sigaretten geeft onvoldoende aanleiding om dit deel van de vordering af te wijzen. De rechtbank zal dan ook dit deel van de vordering toewijzen. Met betrekking tot de multimeter overweegt de rechtbank dat niet is vast komen te staan dat deze door verdachte of medeverdachte is weggenomen. De multimeter is niet opgenomen in de tenlastelegging en is ook niet genoemd in het procesdossier. De rechtbank zal daarom de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is vast komen te staan dat deze goederen zijn weggenomen. Deze schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd en de rechtbank zal deze dan ook toewijzen. De rechtbank overweegt dat een vergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering tot immateriële schade is niet betwist door de verdediging. De rechtbank acht een bedrag van 1.250,00 ook billijk. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van 2.627,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. In beslag genomen goederen De rechtbank zal een beslissing nemen ten aanzien van de goederen die zijn opgenomen op de lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijke beslagtitel d.d. 30 maart 2026 (hierna: beslaglijst). Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de verdovende middelen op de beslaglijst te onttrekken aan het verkeer. Voorts heeft zij gevorderd om het mes en de telefoon aan verdachte terug te geven. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat de verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de op de beslaglijst opgenomen verdovende middelen. De rechtbank zal ten aanzien van deze goederen derhalve geen beslissing nemen. De rechtbank zal de teruggave gelasten van de goederen met nummers 5 en 6 op de beslaglijst, te weten het mes en de telefoon, aan verdachte. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Ten aanzien van feit 1 Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.377,98 aan materiële schade en 1.250,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen van de beslaglijst, te weten: 5. 1 1 STK Keukenartikel (Omschrijving: 2025341326), voorwerpnummer G1902492; 5. 1 1 STK GSM (Omschrijving: 2025341326, Samsung), voorwerpnummer G1902851. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026. De griffier is buiten staat om te tekenen.