Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBNNE:2026:1399
Bestuursrecht
Bodemzaak
36,412 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1399 text/xml public 2026-04-29T09:00:17 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-22 LEE 20/3662 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - meervoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak NL Groningen Bestuursrecht Wet openbaarheid van bestuur 10 Wet openbaarheid van bestuur 11 Wet openbaarheid van bestuur 11 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1399 text/html public 2026-04-22T13:52:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1399 Rechtbank Noord-Nederland , 22-04-2026 / LEE 20/3662 De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (eiseres) heeft bij de rechtbank geprocedeerd over de weigering om bepaalde informatie openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het gaat om informatie die samenhangt met het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ (het rapport). Dat rapport is in 2019 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), na onderzoek door de Universiteit Utrecht (de universiteit). Deze uitspraak gaat over een besluit van de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende informatieverzoek. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van het college van bestuur van de universiteit (het college) ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het college een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres vraagtekens stelt bij het niet openbaar maken door de minister van (onderdelen van) 23 andere documenten omdat in bepaalde (onderdelen van) documenten sprake zou zijn van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zouden zijn opgenomen. Na kennisneming van de ongelakte documenten oordeelt de rechtbank dat dit voor een deel van deze 23 documenten inderdaad het geval is. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de minister voor een ander deel van deze 23 documenten ten onrechte niet kenbaar een afweging per zelfstandig documentonderdeel heeft gemaakt. Het gaat onder meer om conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, documenten over gegevensverwerkingen binnen het ministerie en een beschrijving van de organisatiestructuur van eiseres. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom geen openbaarmaking van die (onderdelen van) documenten heeft plaatsgevonden. De minister moet daarover een nieuw besluit op bezwaar nemen. Verder oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Voorop staat dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. Voorts oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 10 van het EVRM. In het betoog van eiseres ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in de vaste rechtspraak. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Eiseres is in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. De rechtbank is verder van oordeel dat er sprake is van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting Reclaimed Voices (de Stichting). Na kennisneming van de ongelakte stukken stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 juli 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154). Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Voldoende duidelijk is dat de minister die beoordeling per documentonderdeel heeft gemaakt, ook ten aanzien van geweigerde documentonderdelen. Anders dan eiseres stelt, is van sturing van het WODC door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister in het primaire besluit en in het bestreden besluit op bezwaar voldoende deugdelijk heeft uitgelegd waarom openbaarmaking van bepaalde documenten afkomstig van de universiteit tot nadeel voor de universiteit kan leiden en waarom dit nadeel onevenredig is. Na kennisneming van de ongelakte stukken volgt de rechtbank de minister in de conclusie dat dit onevenredige nadeel erin bestaat dat openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen zou leiden tot inzicht in de werkwijze en werkprocessen van de universiteit bij onderzoek en dat concurrenten van de universiteit daar dan hun voordeel mee kunnen doen. Voldoende deugdelijk is gemotiveerd hoe dit nadeel is afgewogen tegen het algemeen belang van openbaarheid. De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiseres de beroepsgrond over de zoekslag, in strijd met de goede procesorde heeft ingediend. Die nieuwe grond is in een te laat stadium ingediend. Daarbij is van belang dat het rapport waarop het informatieverzoek ziet, al in 2019 is uitgebracht. Eiseres heeft toen kennis kunnen nemen van (de voorgeschiedenis van) het rapport. Zij heeft de zoekslag vervolgens niet genoemd tijdens de behandeling van haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Hierdoor kon de minister niet in het bestreden besluit op bezwaar reageren op die grond. Aangezien de zoekslag direct verband houdt met de behandeling van haar informatieverzoek, lag het in de rede dat eiseres die grond in de bezwaarfase of in haar aanvullend beroepschrift had ingediend. Eiseres heeft de beroepsgrond echter pas ruim vier jaar na het primaire besluit, en dus te laat, voor het eerst ingediend. De rechtbank laat die grond daarom verder buiten beschouwing.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1399 text/xml public 2026-04-29T09:00:17 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-22 LEE 20/3662 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - meervoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak NL Groningen Bestuursrecht Wet openbaarheid van bestuur 10 Wet openbaarheid van bestuur 11 Wet openbaarheid van bestuur 11 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1399 text/html public 2026-04-22T13:52:49 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1399 Rechtbank Noord-Nederland , 22-04-2026 / LEE 20/3662 De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (eiseres) heeft bij de rechtbank geprocedeerd over de weigering om bepaalde informatie openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het gaat om informatie die samenhangt met het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ (het rapport). Dat rapport is in 2019 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), na onderzoek door de Universiteit Utrecht (de universiteit). Deze uitspraak gaat over een besluit van de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende informatieverzoek. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van het college van bestuur van de universiteit (het college) ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het college een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres vraagtekens stelt bij het niet openbaar maken door de minister van (onderdelen van) 23 andere documenten omdat in bepaalde (onderdelen van) documenten sprake zou zijn van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zouden zijn opgenomen. Na kennisneming van de ongelakte documenten oordeelt de rechtbank dat dit voor een deel van deze 23 documenten inderdaad het geval is. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de minister voor een ander deel van deze 23 documenten ten onrechte niet kenbaar een afweging per zelfstandig documentonderdeel heeft gemaakt. Het gaat onder meer om conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, documenten over gegevensverwerkingen binnen het ministerie en een beschrijving van de organisatiestructuur van eiseres. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom geen openbaarmaking van die (onderdelen van) documenten heeft plaatsgevonden. De minister moet daarover een nieuw besluit op bezwaar nemen. Verder oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Voorop staat dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. Voorts oordeelt de rechtbank dat de weigering door de minister om documenten openbaar te maken niet in strijd is met artikel 10 van het EVRM. In het betoog van eiseres ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in de vaste rechtspraak. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Eiseres is in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. De rechtbank is verder van oordeel dat er sprake is van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting Reclaimed Voices (de Stichting). Na kennisneming van de ongelakte stukken stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 juli 2018 (Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154). Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Voldoende duidelijk is dat de minister die beoordeling per documentonderdeel heeft gemaakt, ook ten aanzien van geweigerde documentonderdelen. Anders dan eiseres stelt, is van sturing van het WODC door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister in het primaire besluit en in het bestreden besluit op bezwaar voldoende deugdelijk heeft uitgelegd waarom openbaarmaking van bepaalde documenten afkomstig van de universiteit tot nadeel voor de universiteit kan leiden en waarom dit nadeel onevenredig is. Na kennisneming van de ongelakte stukken volgt de rechtbank de minister in de conclusie dat dit onevenredige nadeel erin bestaat dat openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen zou leiden tot inzicht in de werkwijze en werkprocessen van de universiteit bij onderzoek en dat concurrenten van de universiteit daar dan hun voordeel mee kunnen doen. Voldoende deugdelijk is gemotiveerd hoe dit nadeel is afgewogen tegen het algemeen belang van openbaarheid. De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiseres de beroepsgrond over de zoekslag, in strijd met de goede procesorde heeft ingediend. Die nieuwe grond is in een te laat stadium ingediend. Daarbij is van belang dat het rapport waarop het informatieverzoek ziet, al in 2019 is uitgebracht. Eiseres heeft toen kennis kunnen nemen van (de voorgeschiedenis van) het rapport. Zij heeft de zoekslag vervolgens niet genoemd tijdens de behandeling van haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Hierdoor kon de minister niet in het bestreden besluit op bezwaar reageren op die grond. Aangezien de zoekslag direct verband houdt met de behandeling van haar informatieverzoek, lag het in de rede dat eiseres die grond in de bezwaarfase of in haar aanvullend beroepschrift had ingediend. Eiseres heeft de beroepsgrond echter pas ruim vier jaar na het primaire besluit, en dus te laat, voor het eerst ingediend. De rechtbank laat die grond daarom verder buiten beschouwing.
Volledig
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk en draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen over het vernietigde besluitgedeelte. Aan eiseres wordt een schadevergoeding toegekend voor geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/3662 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland , uit Emmen, eiseres (gemachtigden: mr. C.J. Dekker en mr. D.J. Blok), en de minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigden: mr. J.V. van Vegten en mr. B.G. Özdemir). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: het college van bestuur van de Universiteit Utrecht uit Utrecht, het college (gemachtigden: mr. S.A. de Graaff en W.E. Grimmelikhuijsen); en de Stichting Reclaimed Voices uit Roermond, de Stichting (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een besluit tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke openbaarmaking en gedeeltelijke weigering. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister over bepaalde (onderdelen van) documenten onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen openbaarmaking daarvan heeft plaatsgevonden. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordeel heeft. Leeswijzer 2. In de overwegingen 3. en 4. staat het procesverloop van deze zaak. In overwegingen 5. tot en met 12. staan de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor deze zaak. In overweging 13. staat welk recht van toepassing is op deze zaak. De beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank staat in overwegingen 14. en verder. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Heeft de minister goed gemotiveerd welke weigeringsgrond inzake e-mailberichten is toegepast? Zie overweging 14. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het college? Zie overweging 15. Heeft de minister op goede gronden geweigerd om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken? Zie overweging 16. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van het EVRM? Zie overweging 17. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van het EVRM? Zie overweging 18. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting? Zie overweging 19. Is er sprake van onevenredige benadeling van de Universiteit Utrecht bij volledige openbaarmaking van documenten? Zie overweging 20. Heeft de minister de zoekslag goed verricht? Zie overweging 21. Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? Zie overweging 22. Aan het eind van deze uitspraak, in overweging 23., staan de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor dit geval belangrijke wetgeving. Procesverloop 3. De minister heeft met het primaire besluit van 18 mei 2020, naar aanleiding van een informatieverzoek van eiseres, bepaalde documenten en documentonderdelen gedeeltelijk openbaar gemaakt en openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen geweigerd. Met het bestreden besluit op bezwaar van 27 oktober 2020 op het bezwaar van eiseres is de minister bij die gedeeltelijke openbaarmaking en gedeeltelijke weigering gebleven. 4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 4.1. De minister heeft bepaalde documenten met een verzoek tot beperkte kennisneming van die documenten met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de rechtbank ingediend. Bij beslissing van 3 juni 2021 heeft de rechtbank bepaald dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. 4.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en met een aanvullend verweerschrift. De Stichting heeft een reactie op het beroep ingediend. 4.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld, samen met de beroepen met zaaknummers LEE 21/3356 en LEE 22/1972. De rechtbank doet op ieder beroep afzonderlijk uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen: [bestuurders van eiseres] als bestuurders van eiseres, de gemachtigden van eiseres, de gemachtigden van de minister, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van de Stichting en [bestuurders van de Stichting] als bestuurders van de Stichting. Beoordeling door de rechtbank Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden van deze zaak? 5. Op 3 juli 2018 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK) een motie aangenomen (de motie). Daarin heeft de TK de regering verzocht om te bewerkstelligen dat onderzoek wordt uitgevoerd naar opgedane ervaringen door personen die onderdeel zijn (geweest) van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen met als doel om inzicht te krijgen in het mogelijk onderliggende patroon, de gebruikte (kerk)regels, gebruiken en structuren binnen de gemeenschap en de invloed die dit heeft op de aangiftebereidheid van deze personen. 6. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid (ministerie van J&V) heeft vervolgens onderzoekers van de Universiteit Utrecht (de universiteit) gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de omgang met seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. In diverse fasen van het onderzoek heeft het onderzoeksteam van de universiteit overleg gehad met de begeleidingscommissie (de begeleidingscommissie) die was samengesteld door het WODC. 7. In 2019 heeft het WODC het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ (het rapport) uitgebracht. 8. Eiseres heeft op 30 januari 2020 aan het WODC verzocht om kopieën van alle documenten die betrekking hebben op het onderzoek in het kader van het rapport en de totstandkoming van het rapport. Volgens eiseres omvat dit in ieder geval: Startnotitie WODC onderzoek Offerte universiteit Contract WODC – universiteit Verslagen van de begeleidingscommissie Gespreksverslagen van de interviews (geanonimiseerd) Ingevulde vragenlijsten (geanonimiseerd) Het overdrachtsdocument en de (ruwe) onderzoeksdata die via het elektronische contactpunt zijn verkregen, waaronder een dataset (Tabellen), waarbij (1) indien mogelijk elke rij een respons bevat op de vraag van het online vragenformulier en waarbij de kolommen de verschafte reactie weergeven, en (2) de data set alle reacties bevat van personen die de vragenlijst benaderd hebben. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat zij ermee instemt dat de gespreksverslagen van de interviews en de ingevulde vragenlijsten geanonimiseerd worden zodat deze niet tot een individu te herleiden zijn. Zij heeft geen intentie of wens om de identiteit van deze personen te achterhalen. 9. De minister heeft eiseres, het college en de Stichting in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen over de openbaarmaking van documenten. Eiseres, het college en de Stichting hebben ieder afzonderlijk een zienswijze ingediend. 10. De minister heeft documenten met het primaire besluit van 18 mei 2020 gedeeltelijk openbaar gemaakt . Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. 11. Op 27 oktober 2020 heeft de minister het bestreden besluit op bezwaar genomen. 12. Eiseres heeft op 27 oktober 2020 een nieuw informatieverzoek op grond van de Wob bij de minister ingediend. De besluiten naar aanleiding van dat informatieverzoek zijn onderwerp van geschil in de beroepsprocedure met zaaknummer LEE 22/1972. Welk recht is van toepassing op deze zaak? 13.
Volledig
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk en draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen over het vernietigde besluitgedeelte. Aan eiseres wordt een schadevergoeding toegekend voor geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/3662 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland , uit Emmen, eiseres (gemachtigden: mr. C.J. Dekker en mr. D.J. Blok), en de minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigden: mr. J.V. van Vegten en mr. B.G. Özdemir). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: het college van bestuur van de Universiteit Utrecht uit Utrecht, het college (gemachtigden: mr. S.A. de Graaff en W.E. Grimmelikhuijsen); en de Stichting Reclaimed Voices uit Roermond, de Stichting (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een besluit tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke openbaarmaking en gedeeltelijke weigering. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister over bepaalde (onderdelen van) documenten onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen openbaarmaking daarvan heeft plaatsgevonden. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordeel heeft. Leeswijzer 2. In de overwegingen 3. en 4. staat het procesverloop van deze zaak. In overwegingen 5. tot en met 12. staan de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor deze zaak. In overweging 13. staat welk recht van toepassing is op deze zaak. De beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank staat in overwegingen 14. en verder. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: Heeft de minister goed gemotiveerd welke weigeringsgrond inzake e-mailberichten is toegepast? Zie overweging 14. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het college? Zie overweging 15. Heeft de minister op goede gronden geweigerd om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken? Zie overweging 16. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van het EVRM? Zie overweging 17. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van het EVRM? Zie overweging 18. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting? Zie overweging 19. Is er sprake van onevenredige benadeling van de Universiteit Utrecht bij volledige openbaarmaking van documenten? Zie overweging 20. Heeft de minister de zoekslag goed verricht? Zie overweging 21. Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? Zie overweging 22. Aan het eind van deze uitspraak, in overweging 23., staan de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor dit geval belangrijke wetgeving. Procesverloop 3. De minister heeft met het primaire besluit van 18 mei 2020, naar aanleiding van een informatieverzoek van eiseres, bepaalde documenten en documentonderdelen gedeeltelijk openbaar gemaakt en openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen geweigerd. Met het bestreden besluit op bezwaar van 27 oktober 2020 op het bezwaar van eiseres is de minister bij die gedeeltelijke openbaarmaking en gedeeltelijke weigering gebleven. 4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 4.1. De minister heeft bepaalde documenten met een verzoek tot beperkte kennisneming van die documenten met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de rechtbank ingediend. Bij beslissing van 3 juni 2021 heeft de rechtbank bepaald dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. 4.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en met een aanvullend verweerschrift. De Stichting heeft een reactie op het beroep ingediend. 4.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld, samen met de beroepen met zaaknummers LEE 21/3356 en LEE 22/1972. De rechtbank doet op ieder beroep afzonderlijk uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen: [bestuurders van eiseres] als bestuurders van eiseres, de gemachtigden van eiseres, de gemachtigden van de minister, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van de Stichting en [bestuurders van de Stichting] als bestuurders van de Stichting. Beoordeling door de rechtbank Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden van deze zaak? 5. Op 3 juli 2018 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK) een motie aangenomen (de motie). Daarin heeft de TK de regering verzocht om te bewerkstelligen dat onderzoek wordt uitgevoerd naar opgedane ervaringen door personen die onderdeel zijn (geweest) van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen met als doel om inzicht te krijgen in het mogelijk onderliggende patroon, de gebruikte (kerk)regels, gebruiken en structuren binnen de gemeenschap en de invloed die dit heeft op de aangiftebereidheid van deze personen. 6. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid (ministerie van J&V) heeft vervolgens onderzoekers van de Universiteit Utrecht (de universiteit) gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de omgang met seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. In diverse fasen van het onderzoek heeft het onderzoeksteam van de universiteit overleg gehad met de begeleidingscommissie (de begeleidingscommissie) die was samengesteld door het WODC. 7. In 2019 heeft het WODC het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehova’s getuigen’ (het rapport) uitgebracht. 8. Eiseres heeft op 30 januari 2020 aan het WODC verzocht om kopieën van alle documenten die betrekking hebben op het onderzoek in het kader van het rapport en de totstandkoming van het rapport. Volgens eiseres omvat dit in ieder geval: Startnotitie WODC onderzoek Offerte universiteit Contract WODC – universiteit Verslagen van de begeleidingscommissie Gespreksverslagen van de interviews (geanonimiseerd) Ingevulde vragenlijsten (geanonimiseerd) Het overdrachtsdocument en de (ruwe) onderzoeksdata die via het elektronische contactpunt zijn verkregen, waaronder een dataset (Tabellen), waarbij (1) indien mogelijk elke rij een respons bevat op de vraag van het online vragenformulier en waarbij de kolommen de verschafte reactie weergeven, en (2) de data set alle reacties bevat van personen die de vragenlijst benaderd hebben. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat zij ermee instemt dat de gespreksverslagen van de interviews en de ingevulde vragenlijsten geanonimiseerd worden zodat deze niet tot een individu te herleiden zijn. Zij heeft geen intentie of wens om de identiteit van deze personen te achterhalen. 9. De minister heeft eiseres, het college en de Stichting in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen over de openbaarmaking van documenten. Eiseres, het college en de Stichting hebben ieder afzonderlijk een zienswijze ingediend. 10. De minister heeft documenten met het primaire besluit van 18 mei 2020 gedeeltelijk openbaar gemaakt . Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. 11. Op 27 oktober 2020 heeft de minister het bestreden besluit op bezwaar genomen. 12. Eiseres heeft op 27 oktober 2020 een nieuw informatieverzoek op grond van de Wob bij de minister ingediend. De besluiten naar aanleiding van dat informatieverzoek zijn onderwerp van geschil in de beroepsprocedure met zaaknummer LEE 22/1972. Welk recht is van toepassing op deze zaak? 13.
Volledig
Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. De Woo heeft onmiddellijke werking. Met ingang van 1 mei 2022 moeten besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. 13.1. Het besluit op bezwaar in deze zaak is genomen op 27 oktober 2020, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is. Heeft de minister goed gemotiveerd welke weigeringsgrond inzake e-mailberichten is toegepast? 14. Eiseres betoogt dat in verschillende e-mailberichten de van toepassing geachte weigeringsgronden niet afzonderlijk door de minister zijn aangegeven. Hoewel dat wordt toegelicht in het bestreden besluit, maakt de context van de e-mails niet (voldoende) duidelijk welke weigeringsgrond ten grondslag is gelegd aan welke passage. Volgens eiseres is voor een goede beoordeling van de toegepaste weigeringsgronden de herleidbaarheid daarvan naar specifieke passages vereist, is dat op zinsniveau nodig en kan niet worden volstaan met de aanname dat de wijze van toepassing volgt uit de context van de desbetreffende documenten. 14.1. De minister voert aan dat eiseres niet in dit betoog kan worden gevolgd. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de uitleg in het primaire besluit niet volstaat. Zo heeft eiseres niet precies aangegeven waar in het bestand met het e-mailverkeer voor haar onduidelijk is wanneer artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob dan wel artikel 11 van de Wob is toegepast. De wijze van weglakken van passages in e-mailberichten is in lijn met wat in het primaire besluit is toegelicht. Zowel uit de inventarislijst, uit de toelichting in het primaire besluit, als uit de gelakte documenten zelf volgt genoegzaam op welke passage een weigeringsgrond van toepassing is, aldus de minister. 14.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel van een document moet motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Indien meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, kan deze uitzondering zich slechts voordoen indien voldoende kenbaar is van welke weigeringsgrond voor welk onderdeel wordt uitgegaan. 14.3. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Uit de door de minister overgelegde inventarislijst van de e-mailberichten blijkt dat de minister per e-mailbericht heeft aangegeven welke weigeringsgrond van toepassing is, of welke weigeringsgronden van toepassing zijn. Ook is aangegeven of bepaalde documentonderdelen buiten de omvang van het Wob-verzoek vallen. Uit door de minister op grond van artikel 8:29 van de Awb overgelegde e-mailberichten waarop meer dan twee weigeringsgronden zijn toegepast, blijkt niet per onderdeel welke specifieke weigeringsgrond is toegepast. Concreet gaat dit om e-mailberichten 30, 38, 58, en 60. In het primaire besluit van 18 mei 2020 heeft de minister beschreven waarom hij niet per e-mailbericht expliciet in of bij de gelakte kaders zelf heeft aangegeven wanneer artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, dan wel artikel 11 van de Wob is toegepast. Dit ter voorkoming van onoverzichtelijkheid en onleesbaarheid van die documenten. De rechtbank volgt de minister in deze redenering. Uit de context van de e-mailberichten is voldoende op te maken wanneer persoonsgegevens dan wel persoonlijke beleidsopvattingen zijn gelakt. Over de e-mailberichten 58 en 60 heeft de minister toegelicht waarom voor bepaalde onderdelen artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is toegepast. Gelet op de motivering op de inventarisatielijst en in het primaire besluit is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit op bezwaar niet per e-mailbericht en per documentonderdeel opnieuw een motivering hoefde te geven, omdat dit geen redelijk doel dient. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het college? 15. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er voor het college geen sprake is van een eigen belang en dat daarmee een beroep op de weigeringsgrond van intern beraad mogelijk is. De universiteit heeft een eigen belang in het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek. De minister heeft (ook) een politiek belang, dat zich niet altijd verdraagt met het belang van de universiteit. Dit is duidelijk geworden doordat de onderzoeken van het WODC werden beïnvloed door het ministerie, aldus eiseres. 15.1. De minister voert aan dat uit de e-mailberichten van het college duidelijk kan worden opgemaakt dat deze zijn opgesteld met als doel gebruik door anderen binnen de overheid ten behoeve van het onderzoek ter uitvoering van de motie. Het belang van het college was, net als van het WODC, gelegen in het deugdelijk uitvoeren van dat onderzoek. Het college heeft vanuit de eigen ervaring en expertise een bijdrage aan de bestuurlijke aangelegenheid geleverd en vertegenwoordigt daarin geen eigen belang, aldus de minister. 15.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Ook financiële stukken kunnen bestemd zijn voor intern beraad, als zij zijn opgesteld met het oog op een door de overheid te nemen besluit. Aan een beraad ontvalt het interne karakter wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend en indien daarbij een externe is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Hij adviseert in dat geval niet, of niet uitsluitend, in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar zijn inbreng wordt (mede) ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Documenten van externe derden, die zijn opgesteld met het oog op intern beraad, kunnen slechts onder intern beraad vallen in het geval dat de derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. 15.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van het college ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het college een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. Dat is temeer aannemelijk gelet op de onderzoeksopdracht die het WODC aan de universiteit heeft gegeven naar aanleiding van de motie. Dat in dat verband een contractuele relatie bestond tussen het WODC, als opdrachtgever, en de universiteit, als opdrachtnemer, is onvoldoende om aan te nemen dat de inbreng van het college mede is ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister op goede gronden geweigerd om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken? 16. Eiseres betoogt dat de minister een groot aantal concepten heeft geweigerd met een beroep op artikel 11 van de Wob. Het gaat om documenten met de nummers 10, 12, 26-29, 31-32, 34, 42-45, 48, 51-56, 59-62 en 64.
Volledig
Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. De Woo heeft onmiddellijke werking. Met ingang van 1 mei 2022 moeten besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. 13.1. Het besluit op bezwaar in deze zaak is genomen op 27 oktober 2020, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is. Heeft de minister goed gemotiveerd welke weigeringsgrond inzake e-mailberichten is toegepast? 14. Eiseres betoogt dat in verschillende e-mailberichten de van toepassing geachte weigeringsgronden niet afzonderlijk door de minister zijn aangegeven. Hoewel dat wordt toegelicht in het bestreden besluit, maakt de context van de e-mails niet (voldoende) duidelijk welke weigeringsgrond ten grondslag is gelegd aan welke passage. Volgens eiseres is voor een goede beoordeling van de toegepaste weigeringsgronden de herleidbaarheid daarvan naar specifieke passages vereist, is dat op zinsniveau nodig en kan niet worden volstaan met de aanname dat de wijze van toepassing volgt uit de context van de desbetreffende documenten. 14.1. De minister voert aan dat eiseres niet in dit betoog kan worden gevolgd. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de uitleg in het primaire besluit niet volstaat. Zo heeft eiseres niet precies aangegeven waar in het bestand met het e-mailverkeer voor haar onduidelijk is wanneer artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob dan wel artikel 11 van de Wob is toegepast. De wijze van weglakken van passages in e-mailberichten is in lijn met wat in het primaire besluit is toegelicht. Zowel uit de inventarislijst, uit de toelichting in het primaire besluit, als uit de gelakte documenten zelf volgt genoegzaam op welke passage een weigeringsgrond van toepassing is, aldus de minister. 14.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel van een document moet motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Indien meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, kan deze uitzondering zich slechts voordoen indien voldoende kenbaar is van welke weigeringsgrond voor welk onderdeel wordt uitgegaan. 14.3. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Uit de door de minister overgelegde inventarislijst van de e-mailberichten blijkt dat de minister per e-mailbericht heeft aangegeven welke weigeringsgrond van toepassing is, of welke weigeringsgronden van toepassing zijn. Ook is aangegeven of bepaalde documentonderdelen buiten de omvang van het Wob-verzoek vallen. Uit door de minister op grond van artikel 8:29 van de Awb overgelegde e-mailberichten waarop meer dan twee weigeringsgronden zijn toegepast, blijkt niet per onderdeel welke specifieke weigeringsgrond is toegepast. Concreet gaat dit om e-mailberichten 30, 38, 58, en 60. In het primaire besluit van 18 mei 2020 heeft de minister beschreven waarom hij niet per e-mailbericht expliciet in of bij de gelakte kaders zelf heeft aangegeven wanneer artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, dan wel artikel 11 van de Wob is toegepast. Dit ter voorkoming van onoverzichtelijkheid en onleesbaarheid van die documenten. De rechtbank volgt de minister in deze redenering. Uit de context van de e-mailberichten is voldoende op te maken wanneer persoonsgegevens dan wel persoonlijke beleidsopvattingen zijn gelakt. Over de e-mailberichten 58 en 60 heeft de minister toegelicht waarom voor bepaalde onderdelen artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is toegepast. Gelet op de motivering op de inventarisatielijst en in het primaire besluit is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit op bezwaar niet per e-mailbericht en per documentonderdeel opnieuw een motivering hoefde te geven, omdat dit geen redelijk doel dient. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het college? 15. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er voor het college geen sprake is van een eigen belang en dat daarmee een beroep op de weigeringsgrond van intern beraad mogelijk is. De universiteit heeft een eigen belang in het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek. De minister heeft (ook) een politiek belang, dat zich niet altijd verdraagt met het belang van de universiteit. Dit is duidelijk geworden doordat de onderzoeken van het WODC werden beïnvloed door het ministerie, aldus eiseres. 15.1. De minister voert aan dat uit de e-mailberichten van het college duidelijk kan worden opgemaakt dat deze zijn opgesteld met als doel gebruik door anderen binnen de overheid ten behoeve van het onderzoek ter uitvoering van de motie. Het belang van het college was, net als van het WODC, gelegen in het deugdelijk uitvoeren van dat onderzoek. Het college heeft vanuit de eigen ervaring en expertise een bijdrage aan de bestuurlijke aangelegenheid geleverd en vertegenwoordigt daarin geen eigen belang, aldus de minister. 15.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Ook financiële stukken kunnen bestemd zijn voor intern beraad, als zij zijn opgesteld met het oog op een door de overheid te nemen besluit. Aan een beraad ontvalt het interne karakter wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend en indien daarbij een externe is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Hij adviseert in dat geval niet, of niet uitsluitend, in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar zijn inbreng wordt (mede) ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Documenten van externe derden, die zijn opgesteld met het oog op intern beraad, kunnen slechts onder intern beraad vallen in het geval dat de derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. 15.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van het college ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het college een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. Dat is temeer aannemelijk gelet op de onderzoeksopdracht die het WODC aan de universiteit heeft gegeven naar aanleiding van de motie. Dat in dat verband een contractuele relatie bestond tussen het WODC, als opdrachtgever, en de universiteit, als opdrachtnemer, is onvoldoende om aan te nemen dat de inbreng van het college mede is ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister op goede gronden geweigerd om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken? 16. Eiseres betoogt dat de minister een groot aantal concepten heeft geweigerd met een beroep op artikel 11 van de Wob. Het gaat om documenten met de nummers 10, 12, 26-29, 31-32, 34, 42-45, 48, 51-56, 59-62 en 64.
Volledig
Omdat eiseres de inhoud van die concepten niet kent, kan zij niet beoordelen of het daadwerkelijk zo is dat de teksten/passages in die concepten voorstellen en dus persoonlijke beleidsopvattingen betreffen zoals de minister in het bestreden besluit stelt. Beoordeling moet per onderdeel plaatsvinden, aldus eiseres. 16.1. De minister voert aan dat uit het primaire besluit, de inventarislijst en uit de (deels) openbaar gemaakte stukken volgt dat hij per document of onderdeel van een document heeft beoordeeld of sprake is van de toepasselijkheid van een uitzonderingsgrond onder de Wob. Volgens de minister geldt voor de integraal geweigerde documenten dat hij deze ook op passageniveau heeft beoordeeld. In het primaire besluit is vervolgens per categorie documenten aangegeven waarom deze integraal zijn geweigerd. Daarbij acht de minister van belang dat het steeds om gelijksoortige documenten gaat. Daarom heeft hij volstaan met een generieke motivering. De definitieve versie van de geweigerde concepten is reeds openbaar, waardoor grote delen van de concepten ook openbaar zijn. Voor zover de teksten/passages die in de concepten zijn opgenomen niet terugkomen in de definitieve versies, betreft het volgens de minister voorstellen en dus persoonlijke beleidsopvattingen in stukken die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Voor zover deze concepten feitelijkheden bevatten gaat het hier om feiten die zodanig zijn verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden. Daarnaast acht de minister het niet in het belang van een goede democratische bestuursvoering om de concepten van een aantal documenten (bijvoorbeeld van de startnotitie, offertes, PIA en van het eindrapport) openbaar te maken. In die stukken zijn beleidsopvattingen verweven met feiten. De minister acht het niet in het belang van wetenschappelijk onderzoek dat er publiek debat ontstaat over conceptversies en wat in de begeleidingscommissie is besproken. Omdat het definitieve rapport openbaar is, komt in de belangenafweging een gering gewicht toe aan het algemene belang van openbaarmaking van conceptversies, aldus de minister. 16.2. Na kennisneming van de ongelakte stukken is de rechtbank van oordeel dat documentnummers 44 en 54 moeten worden aangemerkt als onderzoeksgegevens die door de universiteit louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en geen betrekking hebben op de bestuursvoering van de minister. De onderzoeksgegevens zijn ook niet onlosmakelijk verweven met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid, zodat al daarom daarin geen grond voor openbaarmaking is gelegen. 16.3. De rechtbank slaat voorts acht op de vaste rechtspraak zoals die hiervoor in overweging 15.2. is opgenomen. In aanvulling daarop heeft de ABRvS geoordeeld dat met de in artikel 11, eerste lid, neergelegde beperking ten aanzien van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, de wetgever heeft beoogd "dat ambtenaren de vrijheid dienen te hebben ongehinderd hun bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding of -uitvoering, en daarover te studeren, te brainstormen, anderszins te overleggen, nota's te schrijven etc. Zij moeten […] in alle openhartigheid onderling functioneel kunnen communiceren". Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. Feitelijke gegevens zijn geen persoonlijke beleidsopvattingen en kunnen derhalve in beginsel niet krachtens artikel 11, eerste lid, worden geweigerd. Feitelijke gegevens kunnen wel zodanig met die opvattingen zijn verweven dat het niet mogelijk is deze te scheiden. In dat geval kunnen ook die feitelijke gegevens met een beroep op dit artikel worden geweigerd. Een bestuursorgaan dient per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid, zoals alinea’s, te bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en, wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, of de persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van artikel 11 van de Wob. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen. 16.4. De rechtbank stelt vast dat eiseres vraagtekens stelt bij het niet openbaar maken van (onderdelen van) de volgende 23 documenten: nummer 10: ‘Offerte Van den Bos UU’ van de universiteit van 15 november 2018; nummer 12: ‘Offerte Van den Bos UU – 28 november’ van de universiteit van 28 november 2018; nummer 26: ‘Bijeenkomst 1 begeleidingscommissie – Elektronische vragenlijst (concept)’ van de universiteit van 21 januari 2019; nummer 27: ‘Bijeenkomst 1 begeleidingscommissie – concept website (incl. pdf met opmaak website) [2 documenten]’ van de universiteit van 21 januari 2019; nummer 28: ‘Commentaar op conceptwebsite’ van de begeleidingscommissie van 23 januari 2019; nummer 29,: ‘Commentaar op conceptvragenlijst (met track changes) [2 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 23/29 januari 2019; nummer 31: ‘Jehova’s Getuigen Gegevensbeschermings-PIA (18 conceptversies)’ van het WODC, de universiteit en het ministerie J&V van periode 29 januari 2019 tot 7 maart 2019; nummer 32: ‘Bijeenkomst 1 begeleidingscommissie – commentaar op conceptverslag (met track changes)’ van het WODC van 30 januari 2019; nummer 34: ‘Commentaar op aangepaste conceptvragenlijst (met track changes) [3 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 31 januari / 7 februari 2019; nummer 42: ‘Bijeenkomst 2 begeleidingscommissie – rapport concept mei 2019’ van de universiteit van 29 mei 2019; nummer 43: ‘Bijeenkomst 2 begeleidingscommissie – overzicht ingeplande gesprekken (concept)’ van de universiteit van 29 mei 2019; nummer 45: ‘Bijeenkomst 2 begeleidingscommissie – rapport concept mei 2019 + commentaar [2 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 2 juni 2019; nummer 48: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – conceptrapport’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 51: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 2a_Topiclijst_melders’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 52: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 2b_Topiclijst Jehova Bestuur’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 53: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 2c_Topiclijst Reclaimed Voices’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 55: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 4_Organisatiestructuur’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 56: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – commentaar op conceptrapport en bijlage 4 [5 documenten]’ van begeleidingscommissie van 5/6/9 oktober 2019; nummer 59: ‘20191114 Concept-eindrapport (inclusief een vergelijkende versie 1 oktober 14 november) [2 documenten]’ van de universiteit van 14 november 2019; nummer 60: ‘Commentaar op concepteindrapport [3 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 20/21/22 november 2019; nummer 61: 20191206 concept Eindrapport (incl. pdf versies, word versies en een vergelijkende versie 14-11 met 6-12) [ 5 documenten]’ van de universiteit van 6 december 2019; nummer 62: ‘Commentaar op concept eindrapport’ van de voorzitter projectbegeleider EWB van 10 december 2019; nummer 64: ‘Aanbiednota 3010 (concept en definitieve versie) [2 documenten]’ van het WODC van 11/12 december 2019. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van deze ongelakte documenten. 16.5. De rechtbank volgt een gedeelte van dit betoog van eiseres niet. De rechtbank is van oordeel dat een deel van deze 23 documenten op grond van artikel 11 van de Wob is opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen.
Volledig
Omdat eiseres de inhoud van die concepten niet kent, kan zij niet beoordelen of het daadwerkelijk zo is dat de teksten/passages in die concepten voorstellen en dus persoonlijke beleidsopvattingen betreffen zoals de minister in het bestreden besluit stelt. Beoordeling moet per onderdeel plaatsvinden, aldus eiseres. 16.1. De minister voert aan dat uit het primaire besluit, de inventarislijst en uit de (deels) openbaar gemaakte stukken volgt dat hij per document of onderdeel van een document heeft beoordeeld of sprake is van de toepasselijkheid van een uitzonderingsgrond onder de Wob. Volgens de minister geldt voor de integraal geweigerde documenten dat hij deze ook op passageniveau heeft beoordeeld. In het primaire besluit is vervolgens per categorie documenten aangegeven waarom deze integraal zijn geweigerd. Daarbij acht de minister van belang dat het steeds om gelijksoortige documenten gaat. Daarom heeft hij volstaan met een generieke motivering. De definitieve versie van de geweigerde concepten is reeds openbaar, waardoor grote delen van de concepten ook openbaar zijn. Voor zover de teksten/passages die in de concepten zijn opgenomen niet terugkomen in de definitieve versies, betreft het volgens de minister voorstellen en dus persoonlijke beleidsopvattingen in stukken die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Voor zover deze concepten feitelijkheden bevatten gaat het hier om feiten die zodanig zijn verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden. Daarnaast acht de minister het niet in het belang van een goede democratische bestuursvoering om de concepten van een aantal documenten (bijvoorbeeld van de startnotitie, offertes, PIA en van het eindrapport) openbaar te maken. In die stukken zijn beleidsopvattingen verweven met feiten. De minister acht het niet in het belang van wetenschappelijk onderzoek dat er publiek debat ontstaat over conceptversies en wat in de begeleidingscommissie is besproken. Omdat het definitieve rapport openbaar is, komt in de belangenafweging een gering gewicht toe aan het algemene belang van openbaarmaking van conceptversies, aldus de minister. 16.2. Na kennisneming van de ongelakte stukken is de rechtbank van oordeel dat documentnummers 44 en 54 moeten worden aangemerkt als onderzoeksgegevens die door de universiteit louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en geen betrekking hebben op de bestuursvoering van de minister. De onderzoeksgegevens zijn ook niet onlosmakelijk verweven met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid, zodat al daarom daarin geen grond voor openbaarmaking is gelegen. 16.3. De rechtbank slaat voorts acht op de vaste rechtspraak zoals die hiervoor in overweging 15.2. is opgenomen. In aanvulling daarop heeft de ABRvS geoordeeld dat met de in artikel 11, eerste lid, neergelegde beperking ten aanzien van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, de wetgever heeft beoogd "dat ambtenaren de vrijheid dienen te hebben ongehinderd hun bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding of -uitvoering, en daarover te studeren, te brainstormen, anderszins te overleggen, nota's te schrijven etc. Zij moeten […] in alle openhartigheid onderling functioneel kunnen communiceren". Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. Feitelijke gegevens zijn geen persoonlijke beleidsopvattingen en kunnen derhalve in beginsel niet krachtens artikel 11, eerste lid, worden geweigerd. Feitelijke gegevens kunnen wel zodanig met die opvattingen zijn verweven dat het niet mogelijk is deze te scheiden. In dat geval kunnen ook die feitelijke gegevens met een beroep op dit artikel worden geweigerd. Een bestuursorgaan dient per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid, zoals alinea’s, te bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en, wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, of de persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van artikel 11 van de Wob. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen. 16.4. De rechtbank stelt vast dat eiseres vraagtekens stelt bij het niet openbaar maken van (onderdelen van) de volgende 23 documenten: nummer 10: ‘Offerte Van den Bos UU’ van de universiteit van 15 november 2018; nummer 12: ‘Offerte Van den Bos UU – 28 november’ van de universiteit van 28 november 2018; nummer 26: ‘Bijeenkomst 1 begeleidingscommissie – Elektronische vragenlijst (concept)’ van de universiteit van 21 januari 2019; nummer 27: ‘Bijeenkomst 1 begeleidingscommissie – concept website (incl. pdf met opmaak website) [2 documenten]’ van de universiteit van 21 januari 2019; nummer 28: ‘Commentaar op conceptwebsite’ van de begeleidingscommissie van 23 januari 2019; nummer 29,: ‘Commentaar op conceptvragenlijst (met track changes) [2 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 23/29 januari 2019; nummer 31: ‘Jehova’s Getuigen Gegevensbeschermings-PIA (18 conceptversies)’ van het WODC, de universiteit en het ministerie J&V van periode 29 januari 2019 tot 7 maart 2019; nummer 32: ‘Bijeenkomst 1 begeleidingscommissie – commentaar op conceptverslag (met track changes)’ van het WODC van 30 januari 2019; nummer 34: ‘Commentaar op aangepaste conceptvragenlijst (met track changes) [3 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 31 januari / 7 februari 2019; nummer 42: ‘Bijeenkomst 2 begeleidingscommissie – rapport concept mei 2019’ van de universiteit van 29 mei 2019; nummer 43: ‘Bijeenkomst 2 begeleidingscommissie – overzicht ingeplande gesprekken (concept)’ van de universiteit van 29 mei 2019; nummer 45: ‘Bijeenkomst 2 begeleidingscommissie – rapport concept mei 2019 + commentaar [2 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 2 juni 2019; nummer 48: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – conceptrapport’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 51: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 2a_Topiclijst_melders’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 52: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 2b_Topiclijst Jehova Bestuur’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 53: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 2c_Topiclijst Reclaimed Voices’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 55: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – Bijlage 4_Organisatiestructuur’ van de universiteit van 1 oktober 2019; nummer 56: ‘Bijeenkomst 3 begeleidingscommissie – commentaar op conceptrapport en bijlage 4 [5 documenten]’ van begeleidingscommissie van 5/6/9 oktober 2019; nummer 59: ‘20191114 Concept-eindrapport (inclusief een vergelijkende versie 1 oktober 14 november) [2 documenten]’ van de universiteit van 14 november 2019; nummer 60: ‘Commentaar op concepteindrapport [3 documenten]’ van de begeleidingscommissie van 20/21/22 november 2019; nummer 61: 20191206 concept Eindrapport (incl. pdf versies, word versies en een vergelijkende versie 14-11 met 6-12) [ 5 documenten]’ van de universiteit van 6 december 2019; nummer 62: ‘Commentaar op concept eindrapport’ van de voorzitter projectbegeleider EWB van 10 december 2019; nummer 64: ‘Aanbiednota 3010 (concept en definitieve versie) [2 documenten]’ van het WODC van 11/12 december 2019. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van deze ongelakte documenten. 16.5. De rechtbank volgt een gedeelte van dit betoog van eiseres niet. De rechtbank is van oordeel dat een deel van deze 23 documenten op grond van artikel 11 van de Wob is opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen.
Volledig
Zij overweegt daartoe het volgende: Documentnummers 10, 12, 26, 27 en 28 zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister te informeren over (de uitvoering van) de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. De opmerkingen van de begeleidingscommissie op documentnummer 28 dienen ook dat doel. Documentnummer 32 bevat overlegnotulen voor de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Daar komt bij dat documentnummer 32 nagenoeg gelijkluidend is aan documentnummer 33, dat niet openbaar is gemaakt omdat na lakken van persoonlijke beleidsopvattingen geen leesbaar document over zou blijven. Eiseres heeft de geweigerde openbaarmaking van documentnummer 33 op grond van artikel 11 van de Wob niet bestreden. Documentnummers 42 en 43 zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister te informeren over (de uitvoering van) de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. Documentnummers 45 en 45a zijn eerste versies van een conceptrapport. Deze documenten zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister en de begeleidingscommissie te informeren over de uitvoering van de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. Documentnummer 46 bevat overlegnotulen van de begeleidingscommissie. Die notulen zijn bedoeld voor de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Documentnummers 48, 51, 52, en 53 zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister te informeren over (de uitvoering van) de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. Documentnummers 56a tot en met 56d, 59, 60, 61 en 62 zijn verschillende versies van het concepteindrapport. Die versies zijn voorzien van opmerkingen van begeleidingscommissieleden. Een groot aantal documentonderdelen van deze conceptversies is nagenoeg gelijkluidend aan overeenkomstige onderdelen van het definitieve eindrapport. Voorzover die onderdelen ook in het definitieve eindrapport staan, mocht de minister concluderen dat openbaarmaking van die onderdelen geen redelijk doel dient. Verder staan in deze documenten als opmerkingen diverse opvattingen, voorstellen en aanbevelingen van begeleidingscommissieleden. Dit zijn persoonlijke beleidsopvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid, met daartoe door hen aangevoerde argumenten. Feitelijke gegevens in deze documenten zijn zodanig verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat die gegevens daarvan niet zijn te scheiden. Documentnummer 64 is de conceptversie van de aanbiednota. De definitieve versie van die nota is al grotendeels openbaar gemaakt. Een groot aantal documentonderdelen van de conceptversie is nagenoeg gelijkluidend aan overeenkomstige onderdelen van de definitieve nota. Voorzover die onderdelen in de conceptnota ook in de definitieve nota staan, mocht de minister concluderen dat openbaarmaking van die onderdelen geen redelijk doel dient. 16.6. De rechtbank volgt vervolgens een gedeelte van het betoog van eiseres wel. De rechtbank is van oordeel dat de minister voor een ander deel van deze 23 documenten ten onrechte niet kenbaar de hiervoor in overweging 16.3. genoemde afweging per zelfstandig documentonderdeel heeft gemaakt. Zij overweegt daartoe het volgende: Documentnummers 29 en 29a zijn conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, met daarop opmerkingen van begeleidingscommissieleden. Een aantal van deze opmerkingen heeft een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Die opmerkingen zijn daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Onvoldoende duidelijk is waarom die opmerkingen niet openbaar worden gemaakt. Documentnummers 31a tot en met 31r zijn opgesteld door het ministerie van J&V en bevatten meerdere feitelijke gegevens over de gegevensverwerkingen binnen het ministerie, met risicobeschrijvingen en voorgenomen maatregelen. Die documenten zijn daarom niet als zodanig als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Daar komt bij dat een groot deel van deze feitelijke gegevens reeds openbaar is, wegens openbaarmaking door het college van een soortgelijk document in de zaak met zaaknummer LEE 21/3356. Onvoldoende duidelijk is waarom verschillende documentonderdelen van documentnummer 31a tot en met 31r niet openbaar worden gemaakt. Documentnummers 34, 34a en 34b zijn conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, met daarop opmerkingen van begeleidingscommissieleden. Een aantal van deze opmerkingen heeft een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Die opmerkingen zijn daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Onvoldoende duidelijk is waarom die opmerkingen niet openbaar worden gemaakt. Documentnummers 55 en 56 bevatten een beschrijving van de organisatiestructuur van eiseres. Verschillende onderdelen van die beschrijving hebben een feitelijk en objectief karakter, zijn van beschrijvende aard en zijn afkomstig uit openbare bronnen. Verder heeft een aantal opmerkingen op documentnummer 55 een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Verschillende documentonderdelen en opmerkingen zijn daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Onvoldoende duidelijk is waarom die documentonderdelen niet openbaar worden gemaakt. 16.7. Gelet hierop heeft de minister ten aanzien van de in overweging 16.6. genoemde documentnummers onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom geen openbaarmaking van bepaalde (onderdelen van) documenten heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt. 16.8. De rechtbank zal het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk vernietigen. De minister moet op dit punt een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen. De rechtbank ziet in dit geval geen mogelijkheid om de minister op te dragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een bestuurlijke lus). Daarbij is van belang dat de minister bepaalde (onderdelen van) documenten opnieuw moet beoordelen en over eventuele openbaarmaking een nieuwe afweging moet maken, waarna eventueel een nieuw besluit moet worden genomen. Onduidelijk is hoeveel tijd dat gaat kosten. Het college en de Stichting moeten namelijk als derde-belanghebbenden door de minister in de gelegenheid worden gesteld om op een eventueel gewijzigd standpunt over openbaarmaking te reageren. Daar komt bij dat een nieuw besluit met inachtneming van de bepalingen van de Woo moet worden genomen. Daarnaast heeft de onderhavige zaak enig raakvlak met het beroep dat bij deze rechtbank is behandeld in zaaknummer LEE 22/1972 en waarover vandaag afzonderlijk uitspraak is gedaan. Op dit moment is niet te voorspellen hoe de minister zal handelen naar aanleiding van beide uitspraken. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van het EVRM? 17. Eiseres betoogt dat de weigering om bepaalde (delen van) documenten openbaar te maken in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het parlementaire onderzoek en de totstandkoming van het rapport hebben rechtstreeks betrekking op haar gemeenschap, zowel op niveau van het individu als op groepsniveau. Ook hebben dat onderzoek en rapport vanwege het publiekelijke karakter aanzienlijke negatieve gevolgen gehad voor de reputatie van eiseres in algemene zin en van individuele leden in het bijzonder.
Volledig
Zij overweegt daartoe het volgende: Documentnummers 10, 12, 26, 27 en 28 zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister te informeren over (de uitvoering van) de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. De opmerkingen van de begeleidingscommissie op documentnummer 28 dienen ook dat doel. Documentnummer 32 bevat overlegnotulen voor de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Daar komt bij dat documentnummer 32 nagenoeg gelijkluidend is aan documentnummer 33, dat niet openbaar is gemaakt omdat na lakken van persoonlijke beleidsopvattingen geen leesbaar document over zou blijven. Eiseres heeft de geweigerde openbaarmaking van documentnummer 33 op grond van artikel 11 van de Wob niet bestreden. Documentnummers 42 en 43 zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister te informeren over (de uitvoering van) de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. Documentnummers 45 en 45a zijn eerste versies van een conceptrapport. Deze documenten zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister en de begeleidingscommissie te informeren over de uitvoering van de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. Documentnummer 46 bevat overlegnotulen van de begeleidingscommissie. Die notulen zijn bedoeld voor de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Documentnummers 48, 51, 52, en 53 zijn afkomstig van de universiteit en zijn opgesteld met het oogmerk om de minister te informeren over (de uitvoering van) de onderzoeksopdracht. Dit zijn opvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid met daartoe aangevoerde argumenten. Documentnummers 56a tot en met 56d, 59, 60, 61 en 62 zijn verschillende versies van het concepteindrapport. Die versies zijn voorzien van opmerkingen van begeleidingscommissieleden. Een groot aantal documentonderdelen van deze conceptversies is nagenoeg gelijkluidend aan overeenkomstige onderdelen van het definitieve eindrapport. Voorzover die onderdelen ook in het definitieve eindrapport staan, mocht de minister concluderen dat openbaarmaking van die onderdelen geen redelijk doel dient. Verder staan in deze documenten als opmerkingen diverse opvattingen, voorstellen en aanbevelingen van begeleidingscommissieleden. Dit zijn persoonlijke beleidsopvattingen over een bestuurlijke aangelegenheid, met daartoe door hen aangevoerde argumenten. Feitelijke gegevens in deze documenten zijn zodanig verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat die gegevens daarvan niet zijn te scheiden. Documentnummer 64 is de conceptversie van de aanbiednota. De definitieve versie van die nota is al grotendeels openbaar gemaakt. Een groot aantal documentonderdelen van de conceptversie is nagenoeg gelijkluidend aan overeenkomstige onderdelen van de definitieve nota. Voorzover die onderdelen in de conceptnota ook in de definitieve nota staan, mocht de minister concluderen dat openbaarmaking van die onderdelen geen redelijk doel dient. 16.6. De rechtbank volgt vervolgens een gedeelte van het betoog van eiseres wel. De rechtbank is van oordeel dat de minister voor een ander deel van deze 23 documenten ten onrechte niet kenbaar de hiervoor in overweging 16.3. genoemde afweging per zelfstandig documentonderdeel heeft gemaakt. Zij overweegt daartoe het volgende: Documentnummers 29 en 29a zijn conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, met daarop opmerkingen van begeleidingscommissieleden. Een aantal van deze opmerkingen heeft een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Die opmerkingen zijn daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Onvoldoende duidelijk is waarom die opmerkingen niet openbaar worden gemaakt. Documentnummers 31a tot en met 31r zijn opgesteld door het ministerie van J&V en bevatten meerdere feitelijke gegevens over de gegevensverwerkingen binnen het ministerie, met risicobeschrijvingen en voorgenomen maatregelen. Die documenten zijn daarom niet als zodanig als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Daar komt bij dat een groot deel van deze feitelijke gegevens reeds openbaar is, wegens openbaarmaking door het college van een soortgelijk document in de zaak met zaaknummer LEE 21/3356. Onvoldoende duidelijk is waarom verschillende documentonderdelen van documentnummer 31a tot en met 31r niet openbaar worden gemaakt. Documentnummers 34, 34a en 34b zijn conceptversies van de reeds bij het rapport openbaar gemaakte vragenlijst, met daarop opmerkingen van begeleidingscommissieleden. Een aantal van deze opmerkingen heeft een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Die opmerkingen zijn daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Onvoldoende duidelijk is waarom die opmerkingen niet openbaar worden gemaakt. Documentnummers 55 en 56 bevatten een beschrijving van de organisatiestructuur van eiseres. Verschillende onderdelen van die beschrijving hebben een feitelijk en objectief karakter, zijn van beschrijvende aard en zijn afkomstig uit openbare bronnen. Verder heeft een aantal opmerkingen op documentnummer 55 een overwegend objectief karakter omdat het louter opmerkingen met een redactionele en beschrijvende aard betreft. Verschillende documentonderdelen en opmerkingen zijn daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen te kwalificeren. Onvoldoende duidelijk is waarom die documentonderdelen niet openbaar worden gemaakt. 16.7. Gelet hierop heeft de minister ten aanzien van de in overweging 16.6. genoemde documentnummers onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom geen openbaarmaking van bepaalde (onderdelen van) documenten heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt. 16.8. De rechtbank zal het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk vernietigen. De minister moet op dit punt een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen. De rechtbank ziet in dit geval geen mogelijkheid om de minister op te dragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een bestuurlijke lus). Daarbij is van belang dat de minister bepaalde (onderdelen van) documenten opnieuw moet beoordelen en over eventuele openbaarmaking een nieuwe afweging moet maken, waarna eventueel een nieuw besluit moet worden genomen. Onduidelijk is hoeveel tijd dat gaat kosten. Het college en de Stichting moeten namelijk als derde-belanghebbenden door de minister in de gelegenheid worden gesteld om op een eventueel gewijzigd standpunt over openbaarmaking te reageren. Daar komt bij dat een nieuw besluit met inachtneming van de bepalingen van de Woo moet worden genomen. Daarnaast heeft de onderhavige zaak enig raakvlak met het beroep dat bij deze rechtbank is behandeld in zaaknummer LEE 22/1972 en waarover vandaag afzonderlijk uitspraak is gedaan. Op dit moment is niet te voorspellen hoe de minister zal handelen naar aanleiding van beide uitspraken. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van het EVRM? 17. Eiseres betoogt dat de weigering om bepaalde (delen van) documenten openbaar te maken in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het parlementaire onderzoek en de totstandkoming van het rapport hebben rechtstreeks betrekking op haar gemeenschap, zowel op niveau van het individu als op groepsniveau. Ook hebben dat onderzoek en rapport vanwege het publiekelijke karakter aanzienlijke negatieve gevolgen gehad voor de reputatie van eiseres in algemene zin en van individuele leden in het bijzonder.
Volledig
Zo wordt de discussie over vermeend seksueel misbruik binnen de gemeenschap publiekelijk gevoerd, zonder dat eiseres over informatie beschikt om zich daar afdoende tegen te kunnen verweren. Daarnaast worden er volgens eiseres op basis van dat onderzoek en rapport verdere overheidsmaatregelen voorbereid, die opnieuw invloed zullen hebben op de persoonlijke levenssfeer van eiseres. Overheidsinstanties hebben in zo’n geval een positieve verplichting om de gevraagde informatie te verstrekken, aldus eiseres. 17.1. De minister voert aan dat in het bestreden besluit op bezwaar is aangegeven dat eiseres geenszins inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in deze zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Volgens de minister wordt dit in beroep ook niet geconcretiseerd. Zo is onbeantwoord wiens privé- of familieleven in het geding is en om welke persoonlijke informatie het gaat. De stellingen van eiseres in beroep zien op de inhoud en de door eiseres gestelde gevolgen van het rapport. Daar komt volgens de minister bij dat in de bij het primaire besluit geïnventariseerde documenten, geen persoonlijke informatie is opgenomen die gerelateerd kan worden aan privé- of familieleven van iemand binnen de gemeenschap van eiseres. In het door eiseres genoemde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ziet de minister geen vergelijkbaar geval omdat het ging om een beroep van een individu op artikel 8 van het EVRM in het licht van het recht op toegang tot persoonlijke informatie. Daarnaast beschermt het EVRM de eer en goede naam niet als zelfstandig grondrecht, maar slechts als onderdeel van het door artikel 8 beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, aldus de minister. 17.2. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Voorop staat dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Daarbij is van belang dat eiseres in haar informatieverzoek expliciet heeft aangegeven dat het haar niet te doen is om openbaarmaking van tot een individu te herleiden informatie. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. De verwijzing van eiseres naar het arrest van het EHRM leidt niet tot een ander oordeel, omdat in dat geval sprake was van geweigerde toegang tot gegevens van een specifiek individu en niet van een groep. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van het EVRM? 18. Eiseres betoogt dat de minister haar beroep op artikel 10 van het EVRM ten onrechte heeft genegeerd. Het recht op informatie vloeit voort uit dat artikel wanneer toegang tot die informatie essentieel is voor het uitoefenen van het recht van vrijheid van meningsuiting en de weigering tot die informatie dat recht belemmert. Volgens eiseres is het ontvangen van de gevraagde informatie essentieel voor het kunnen invullen van haar recht en taak om haar leden en het algemene publiek vrijelijk en inhoudelijk te kunnen informeren over het optreden van het WODC en het ministerie van J&V in deze kwestie. Eiseres wijst bijvoorbeeld op haar open brief in een aantal landelijke dagbladen van 2 september 2020. Volgens eiseres levert zij hiermee een belangrijke bijdrage aan het publieke debat in een rol vergelijkbaar met die van een publieke waakhond. De gevraagde informatie is daarnaast essentieel om onder andere in gerechtelijke procedures op te kunnen komen voor haar belangen en de belangen van haar leden. Op die manier kan eiseres zich verweren tegen het rapport en de gevolgen daarvan. Er is daarom sprake van zeer bijzondere omstandigheden en dus een specifiek recht op openbaarmaking, aldus eiseres. 18.1. De minister voert aan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt op welke manier het primaire besluit raakt aan de vrijheid van meningsuiting, dan wel instrumenteel is in het kader van de uitoefening van dat recht. De enkele stelling van eiseres dat de met het Wob-verzoek gevraagde informatie van publiek belang is en nodig is om haar leden en het publiek te informeren over het optreden van het WODC en het ministerie ten behoeve van het publieke debat, is niet onderbouwd en daarmee onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 10 van het EVRM. Volgens de minister valt niet in te zien waarom het gestelde publieke debat, als daar al sprake van is, niet ook gevoerd kan worden op basis van de reeds openbare informatie. Niet iedereen kan rechtstreeks aan artikel 10 van het EVRM een recht ontlenen om onder de overheid berustende informatie te ontvangen, aangezien er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De enkele stelling dat het maatschappelijk belang bij openbaarmaking groot is, is onvoldoende om zeer bijzondere omstandigheden aanwezig te achten, aldus de minister. 18.2. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en dat artikel 10 van het EVRM staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid biedt om bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. In het algemeen mag er van worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Het EHRM vereist niet altijd dat de noodzakelijkheid van de toepassing van een wet, waarin een algemeen geformuleerde regeling die vrijwel automatisch en zonder nadere uitoefening van discretionaire bevoegdheden moet worden toegepast, op individueel niveau wordt aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit arrest van 16 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0316JUD005827800, Ždanoka t. Letland, nr. 58278/00, § 114, en het arrest van 22 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0422JUD004887608, Animal Defenders International t. het Verenigd Koninkrijk, nr. 48876/08, § 109. Wel is van belang dat een dergelijke algemene regeling is gebaseerd op een zorgvuldige belangenafweging en besluitvorming.
Volledig
Zo wordt de discussie over vermeend seksueel misbruik binnen de gemeenschap publiekelijk gevoerd, zonder dat eiseres over informatie beschikt om zich daar afdoende tegen te kunnen verweren. Daarnaast worden er volgens eiseres op basis van dat onderzoek en rapport verdere overheidsmaatregelen voorbereid, die opnieuw invloed zullen hebben op de persoonlijke levenssfeer van eiseres. Overheidsinstanties hebben in zo’n geval een positieve verplichting om de gevraagde informatie te verstrekken, aldus eiseres. 17.1. De minister voert aan dat in het bestreden besluit op bezwaar is aangegeven dat eiseres geenszins inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in deze zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Volgens de minister wordt dit in beroep ook niet geconcretiseerd. Zo is onbeantwoord wiens privé- of familieleven in het geding is en om welke persoonlijke informatie het gaat. De stellingen van eiseres in beroep zien op de inhoud en de door eiseres gestelde gevolgen van het rapport. Daar komt volgens de minister bij dat in de bij het primaire besluit geïnventariseerde documenten, geen persoonlijke informatie is opgenomen die gerelateerd kan worden aan privé- of familieleven van iemand binnen de gemeenschap van eiseres. In het door eiseres genoemde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ziet de minister geen vergelijkbaar geval omdat het ging om een beroep van een individu op artikel 8 van het EVRM in het licht van het recht op toegang tot persoonlijke informatie. Daarnaast beschermt het EVRM de eer en goede naam niet als zelfstandig grondrecht, maar slechts als onderdeel van het door artikel 8 beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, aldus de minister. 17.2. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Voorop staat dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit dit recht zou hebben aangetast. Daarbij is van belang dat eiseres in haar informatieverzoek expliciet heeft aangegeven dat het haar niet te doen is om openbaarmaking van tot een individu te herleiden informatie. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. De verwijzing van eiseres naar het arrest van het EHRM leidt niet tot een ander oordeel, omdat in dat geval sprake was van geweigerde toegang tot gegevens van een specifiek individu en niet van een groep. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van het EVRM? 18. Eiseres betoogt dat de minister haar beroep op artikel 10 van het EVRM ten onrechte heeft genegeerd. Het recht op informatie vloeit voort uit dat artikel wanneer toegang tot die informatie essentieel is voor het uitoefenen van het recht van vrijheid van meningsuiting en de weigering tot die informatie dat recht belemmert. Volgens eiseres is het ontvangen van de gevraagde informatie essentieel voor het kunnen invullen van haar recht en taak om haar leden en het algemene publiek vrijelijk en inhoudelijk te kunnen informeren over het optreden van het WODC en het ministerie van J&V in deze kwestie. Eiseres wijst bijvoorbeeld op haar open brief in een aantal landelijke dagbladen van 2 september 2020. Volgens eiseres levert zij hiermee een belangrijke bijdrage aan het publieke debat in een rol vergelijkbaar met die van een publieke waakhond. De gevraagde informatie is daarnaast essentieel om onder andere in gerechtelijke procedures op te kunnen komen voor haar belangen en de belangen van haar leden. Op die manier kan eiseres zich verweren tegen het rapport en de gevolgen daarvan. Er is daarom sprake van zeer bijzondere omstandigheden en dus een specifiek recht op openbaarmaking, aldus eiseres. 18.1. De minister voert aan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt op welke manier het primaire besluit raakt aan de vrijheid van meningsuiting, dan wel instrumenteel is in het kader van de uitoefening van dat recht. De enkele stelling van eiseres dat de met het Wob-verzoek gevraagde informatie van publiek belang is en nodig is om haar leden en het publiek te informeren over het optreden van het WODC en het ministerie ten behoeve van het publieke debat, is niet onderbouwd en daarmee onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 10 van het EVRM. Volgens de minister valt niet in te zien waarom het gestelde publieke debat, als daar al sprake van is, niet ook gevoerd kan worden op basis van de reeds openbare informatie. Niet iedereen kan rechtstreeks aan artikel 10 van het EVRM een recht ontlenen om onder de overheid berustende informatie te ontvangen, aangezien er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De enkele stelling dat het maatschappelijk belang bij openbaarmaking groot is, is onvoldoende om zeer bijzondere omstandigheden aanwezig te achten, aldus de minister. 18.2. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en dat artikel 10 van het EVRM staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid biedt om bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. In het algemeen mag er van worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Het EHRM vereist niet altijd dat de noodzakelijkheid van de toepassing van een wet, waarin een algemeen geformuleerde regeling die vrijwel automatisch en zonder nadere uitoefening van discretionaire bevoegdheden moet worden toegepast, op individueel niveau wordt aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit arrest van 16 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0316JUD005827800, Ždanoka t. Letland, nr. 58278/00, § 114, en het arrest van 22 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0422JUD004887608, Animal Defenders International t. het Verenigd Koninkrijk, nr. 48876/08, § 109. Wel is van belang dat een dergelijke algemene regeling is gebaseerd op een zorgvuldige belangenafweging en besluitvorming.
Volledig
De wetgever heeft in het geval van de Wob een gemotiveerde afweging gemaakt welke weigeringsgronden daarin moesten worden opgenomen en welke weigeringsgronden absoluut zouden moeten zijn. Zie de totstandkomingsgeschiedenis van de Wob. Gelet hierop voorziet de Wob in een uitgewerkt en evenwichtig stelsel van gronden tot weigering van openbaarmaking, die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. Hiermee is sprake van een ‘fair balance’ tussen de concurrerende belangen van het recht op vrijheid van informatie en de in de Wob genoemde belangen, zoals de bescherming van de rechten van anderen. 18.3. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. In haar betoog ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in het hiervoor beschreven toetsingskader. Daarbij is van belang dat de ABRvS voor dat toetsingskader de gevolgen van het door eiseres genoemde EHRM-arrest heeft bezien en heeft geconcludeerd dat in die gevolgen geen redenen bestaan om dat toetsingskader aan te passen. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Dat eiseres een open brief in een aantal landelijke dagbladen heeft laten plaatsen, maakt dit niet anders. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Die informatie komt bovenop de informatie in het rapport en openbare informatie die voortkomt uit vervolgonderzoeken naar aanleiding van het rapport. Het voorgaande betekent dat eiseres in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze is belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting? 19. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er voor de Stichting geen sprake is van een eigen belang en dat daarmee een beroep op de weigeringsgrond van intern beraad mogelijk is. Volgens eiseres heeft de Stichting wel een eigen belang dat niet hetzelfde is als het belang van de minister, gelet op de doelstelling van de Stichting. Volgens eiseres is het doel van de Stichting breder dan alleen politiek en/of maatschappelijk. Eiseres wijst ter illustratie op de e-mailberichten met de nummers 19, 32 en 33, waarin de Stichting het WODC probeert te sturen met betrekking tot de invulling en reikwijdte van het te verrichten onderzoek. In het bestreden besluit is niet (voldoende) onderkend dat de belangen van de Stichting en die van de minister uit elkaar (kunnen) gaan lopen. Verder betoogt eiseres dat de Stichting niet ondubbelzinnig blijk heeft gegeven van het met de minister gemeenschappelijk oogmerk tot het opstellen van een beleidsstuk. Volgens eiseres blijkt uit de verstrekte en fors gelakte stukken dat de Stichting, al dan niet via de minister, actief invloed heeft uitgeoefend op (de scope van) het onderzoek door de universiteit. In het bestreden besluit is onvoldoende (kenbaar) sprake geweest van een belangenafweging waarbij is beoordeeld of gestelde persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van een goede democratische bestuursvoering alsnog in een niet tot personen herleidbare vorm openbaar kunnen worden gemaakt. In dit geval is met de motivering door de minister volgens eiseres sprake van een containermotivering, die niet duidt op een beoordeling per zelfstandig onderdeel van een document. De minister heeft geen argumenten gegeven die toegespitst zijn op de aan de orde zijnde documenten, aldus eiseres. 19.1. De minister voert aan dat uit de e-mailberichten van de Stichting duidelijk kan worden opgemaakt dat deze zijn opgesteld met als doel gebruik door anderen binnen de overheid, ten behoeve van het onderzoek ter uitvoering van de motie. De Stichting heeft geen eigen belang gediend, maar heeft het WODC vanuit eigen ervaring en deskundigheid een opvatting gegeven over de bestuurlijke aangelegenheid van het uitvoeren van de motie. Volgens de minister miskent eiseres dat de minister zich juist op het standpunt stelt dat van een eigen belang in dit geval geen sprake is. Voor de stelling dat de Stichting met de e-mailberichten een eigen belang zou dienen, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de inhoud van die berichten en ook niet in de ideële doelstelling van de Stichting. De enkele stelling van eiseres dat op termijn de belangen van de Stichting en het ministerie uiteen zouden kunnen gaan lopen, is onvoldoende om ten aanzien van de onderhavige correspondentie een eigen belang aan te nemen. Daarnaast wijst de minister op zijn besluit van 16 juni 2021, waarin hij de motivering ten aanzien van twee e-mailberichten van de Stichting van 15 november 2018 en van 27 november 2018 heeft gewijzigd. 19.2. De rechtbank slaat acht op de vaste rechtspraak zoals die hiervoor in overwegingen 15.2. en 16.3. is opgenomen. 19.3. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Na kennisneming van de ongelakte stukken stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie. Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Voldoende duidelijk is dat de minister die beoordeling per documentonderdeel heeft gemaakt, ook ten aanzien van geweigerde documentonderdelen. Anders dan eiseres stelt, is van sturing van het WODC door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. De verwijzing van eiseres naar de doelstelling van de Stichting maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van onevenredige benadeling van de universiteit bij volledige openbaarmaking van documenten? 20. Eiseres betoogt dat in het bestreden besluit alleen wordt gesteld dat sprake is van onevenredig nadeel, terwijl een (voldoende) vaststelling en motivering van die onevenredigheid ontbreken. Dit ondanks dat uit vaste rechtspraak volgt dat onevenredige benadeling concreet en actueel moet worden gesteld en aannemelijk moet worden gemaakt. Onvoldoende is dat een algemene inschatting wordt gemaakt wat betreft de mogelijke nadelige gevolgen van openbaarmaking en dat die inschatting ten grondslag wordt gelegd aan de weigering van (delen van) documenten. Volgens eiseres is in het bestreden besluit sprake van een dergelijke algemene en weinig concrete inschatting. Die inschatting vormt een volstrekt onvoldoende basis voor een dergelijke weigering en staat haaks op de systematiek en uitgangspunten van de Wob. Als al sprake zou zijn van een nadeel, is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een onevenredig nadeel na een voldoende inzichtelijke afweging, aldus eiseres. 20.1. De minister voert aan dat de discussie over het inroepen van de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich toespitst op de conceptversies van het rapport, namelijk de documentnummers 42, 45, 48, 59, 60, 61 en 62. De minister herhaalt en onderstreept het belang van gedegen onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Het gaat erom dat geen onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het desbetreffende document. Bovendien zou dat ertoe kunnen leiden dat over elke afzonderlijke versie zelfstandig publiek debat ontstaat.
Volledig
De wetgever heeft in het geval van de Wob een gemotiveerde afweging gemaakt welke weigeringsgronden daarin moesten worden opgenomen en welke weigeringsgronden absoluut zouden moeten zijn. Zie de totstandkomingsgeschiedenis van de Wob. Gelet hierop voorziet de Wob in een uitgewerkt en evenwichtig stelsel van gronden tot weigering van openbaarmaking, die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. Hiermee is sprake van een ‘fair balance’ tussen de concurrerende belangen van het recht op vrijheid van informatie en de in de Wob genoemde belangen, zoals de bescherming van de rechten van anderen. 18.3. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. In haar betoog ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in het hiervoor beschreven toetsingskader. Daarbij is van belang dat de ABRvS voor dat toetsingskader de gevolgen van het door eiseres genoemde EHRM-arrest heeft bezien en heeft geconcludeerd dat in die gevolgen geen redenen bestaan om dat toetsingskader aan te passen. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Dat eiseres een open brief in een aantal landelijke dagbladen heeft laten plaatsen, maakt dit niet anders. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Die informatie komt bovenop de informatie in het rapport en openbare informatie die voortkomt uit vervolgonderzoeken naar aanleiding van het rapport. Het voorgaande betekent dat eiseres in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze is belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van de Stichting? 19. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er voor de Stichting geen sprake is van een eigen belang en dat daarmee een beroep op de weigeringsgrond van intern beraad mogelijk is. Volgens eiseres heeft de Stichting wel een eigen belang dat niet hetzelfde is als het belang van de minister, gelet op de doelstelling van de Stichting. Volgens eiseres is het doel van de Stichting breder dan alleen politiek en/of maatschappelijk. Eiseres wijst ter illustratie op de e-mailberichten met de nummers 19, 32 en 33, waarin de Stichting het WODC probeert te sturen met betrekking tot de invulling en reikwijdte van het te verrichten onderzoek. In het bestreden besluit is niet (voldoende) onderkend dat de belangen van de Stichting en die van de minister uit elkaar (kunnen) gaan lopen. Verder betoogt eiseres dat de Stichting niet ondubbelzinnig blijk heeft gegeven van het met de minister gemeenschappelijk oogmerk tot het opstellen van een beleidsstuk. Volgens eiseres blijkt uit de verstrekte en fors gelakte stukken dat de Stichting, al dan niet via de minister, actief invloed heeft uitgeoefend op (de scope van) het onderzoek door de universiteit. In het bestreden besluit is onvoldoende (kenbaar) sprake geweest van een belangenafweging waarbij is beoordeeld of gestelde persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van een goede democratische bestuursvoering alsnog in een niet tot personen herleidbare vorm openbaar kunnen worden gemaakt. In dit geval is met de motivering door de minister volgens eiseres sprake van een containermotivering, die niet duidt op een beoordeling per zelfstandig onderdeel van een document. De minister heeft geen argumenten gegeven die toegespitst zijn op de aan de orde zijnde documenten, aldus eiseres. 19.1. De minister voert aan dat uit de e-mailberichten van de Stichting duidelijk kan worden opgemaakt dat deze zijn opgesteld met als doel gebruik door anderen binnen de overheid, ten behoeve van het onderzoek ter uitvoering van de motie. De Stichting heeft geen eigen belang gediend, maar heeft het WODC vanuit eigen ervaring en deskundigheid een opvatting gegeven over de bestuurlijke aangelegenheid van het uitvoeren van de motie. Volgens de minister miskent eiseres dat de minister zich juist op het standpunt stelt dat van een eigen belang in dit geval geen sprake is. Voor de stelling dat de Stichting met de e-mailberichten een eigen belang zou dienen, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de inhoud van die berichten en ook niet in de ideële doelstelling van de Stichting. De enkele stelling van eiseres dat op termijn de belangen van de Stichting en het ministerie uiteen zouden kunnen gaan lopen, is onvoldoende om ten aanzien van de onderhavige correspondentie een eigen belang aan te nemen. Daarnaast wijst de minister op zijn besluit van 16 juni 2021, waarin hij de motivering ten aanzien van twee e-mailberichten van de Stichting van 15 november 2018 en van 27 november 2018 heeft gewijzigd. 19.2. De rechtbank slaat acht op de vaste rechtspraak zoals die hiervoor in overwegingen 15.2. en 16.3. is opgenomen. 19.3. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Na kennisneming van de ongelakte stukken stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie. Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Voldoende duidelijk is dat de minister die beoordeling per documentonderdeel heeft gemaakt, ook ten aanzien van geweigerde documentonderdelen. Anders dan eiseres stelt, is van sturing van het WODC door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. De verwijzing van eiseres naar de doelstelling van de Stichting maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van onevenredige benadeling van de universiteit bij volledige openbaarmaking van documenten? 20. Eiseres betoogt dat in het bestreden besluit alleen wordt gesteld dat sprake is van onevenredig nadeel, terwijl een (voldoende) vaststelling en motivering van die onevenredigheid ontbreken. Dit ondanks dat uit vaste rechtspraak volgt dat onevenredige benadeling concreet en actueel moet worden gesteld en aannemelijk moet worden gemaakt. Onvoldoende is dat een algemene inschatting wordt gemaakt wat betreft de mogelijke nadelige gevolgen van openbaarmaking en dat die inschatting ten grondslag wordt gelegd aan de weigering van (delen van) documenten. Volgens eiseres is in het bestreden besluit sprake van een dergelijke algemene en weinig concrete inschatting. Die inschatting vormt een volstrekt onvoldoende basis voor een dergelijke weigering en staat haaks op de systematiek en uitgangspunten van de Wob. Als al sprake zou zijn van een nadeel, is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een onevenredig nadeel na een voldoende inzichtelijke afweging, aldus eiseres. 20.1. De minister voert aan dat de discussie over het inroepen van de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich toespitst op de conceptversies van het rapport, namelijk de documentnummers 42, 45, 48, 59, 60, 61 en 62. De minister herhaalt en onderstreept het belang van gedegen onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Het gaat erom dat geen onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het desbetreffende document. Bovendien zou dat ertoe kunnen leiden dat over elke afzonderlijke versie zelfstandig publiek debat ontstaat.
Volledig
Dat leidt tot onevenredige benadeling van zowel het WODC als van de universiteit, aldus de minister. 20.2. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. In het primaire besluit en in het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister voldoende deugdelijk uitgelegd waarom openbaarmaking van bepaalde documenten afkomstig van de universiteit tot nadeel voor de universiteit kan leiden en waarom dit nadeel onevenredig is. Na kennisneming van de ongelakte stukken volgt de rechtbank de minister in de conclusie dat dit onevenredige nadeel erin bestaat dat openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen zou leiden tot inzicht in de werkwijze en werkprocessen van de universiteit bij onderzoek en dat concurrenten van de universiteit daar dan hun voordeel mee kunnen doen. Voldoende deugdelijk is gemotiveerd hoe dit nadeel is afgewogen tegen het algemeen belang van openbaarheid. De verwijzing van eiseres naar vaste rechtspraak maakt deze feiten en omstandigheden van dit geval niet anders. De minister heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking in dit geval niet opweegt tegen dat van het voorkomen van onevenredige benadeling van de universiteit. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de zoekslag goed verricht? 21. Eiseres betoogt dat de minister in het primaire besluit en in het besluit op bezwaar niet uiteenzet hoe de zoekslag is verlopen naar de onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallende documenten. Volgens eiseres vereist een goed gemotiveerd en zorgvuldig besluit dat zij wordt geïnformeerd over de uitgevoerde zoekslag naar aanleiding van de reikwijdte van het informatieverzoek. 21.1. De minister voert aan dat in de nadere aanvullende gronden van 20 augustus 2024 voor het eerst door eiseres wordt aangevoerd dat de zoekslag niet inzichtelijk zou zijn gemaakt. Volgens de minister is in de onderhavige zaak tot nu toe nergens uit gebleken dat eiseres twijfelt aan de hoeveelheid documenten die op grond van de zoekslag naar boven is gekomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt niet met zich dat het bestuursorgaan informatie over de zoekslag dient te verstrekken in het Wob-besluit zonder dat de verzoeker hierom heeft gevraagd, aldus de minister. 21.2. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat de mogelijkheid om nieuwe beroepsgronden in te dienen wordt begrensd door de goede procesorde. Bij de vraag of aan de eisen van een goede procesorde wordt voldaan, zal de bestuursrechter letten op de procespositie van de overige partijen. Zo zullen nieuwe gronden in hoger beroep niet worden toegelaten als de wederpartij te weinig tijd heeft om zich daarover inhoudelijk uit te laten, of als in een (te) laat stadium een geheel nieuw onderwerp aan de orde wordt gesteld. Dit zal ook niet gebeuren als inhoudelijke bespreking van de in een (te) laat stadium naar voren gebrachte gronden leidt tot aanhouding van de zaak met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partijen en een goede rechtspleging. 21.3. De rechtbank is van oordeel dat de voor het eerst op 20 augustus 2024 door eiseres ingediende beroepsgrond over de zoekslag in strijd met de goede procesorde is ingediend. Die nieuwe grond is in een te laat stadium ingediend. Daarbij is van belang dat het rapport waarop het informatieverzoek ziet, al in 2019 is uitgebracht nadat de civiele rechter openbaarmaking van dat rapport heeft goedgekeurd. Eiseres heeft toen kennis kunnen nemen van (de voorgeschiedenis van) het rapport. Zij heeft de zoekslag vervolgens niet genoemd tijdens de behandeling van haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Hierdoor kon de minister niet in het bestreden besluit op bezwaar reageren op die grond. Aangezien de zoekslag direct verband houdt met de behandeling van haar informatieverzoek, lag het in de rede dat eiseres die grond in de bezwaarfase of in haar aanvullend beroepschrift van 8 januari 2021 had ingediend. Eiseres heeft de beroepsgrond echter pas ruim vier jaar na het primaire besluit, en dus te laat, voor het eerst ingediend. 21.4. Aangezien de beroepsgrond in strijd met de goede procesorde is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van die grond. De rechtbank laat die grond daarom verder buiten beschouwing. Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? 22. Eiseres betoogt dat de redelijke termijn als bedoeld in het EVRM is overschreden gelet op het tijdsverloop in deze zaak. Sinds het indienen van haar bezwaarschrift is ruim vier jaar verstreken, aldus eiseres. 22.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, in dit geval vier jaar is. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 22.2. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 29 juni 2020. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep met 45 maanden en 24 dagen overschreden. Deze overschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen, is geen sprake. 22.3. De rechtbank gaat uit van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. Het totale schadebedrag bedraagt daarmee € 4.000,-. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van dat bedrag aan eiseres als vergoeding van de geleden immateriële schade. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gedeeltelijk in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de minister daarin heeft vastgehouden aan de weigering om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken (zie overwegingen 16. tot met 16.7.). De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, of om zelf een beslissing over de openbaarmaking te nemen. Ook ziet de rechtbank geen mogelijkheid om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op wat hiervoor in overweging 16.8. is opgenomen. 23.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen over het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit van 27 oktober 2020, met inachtneming van deze uitspraak. 23.2. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht van € 354,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. De gemachtigden van eiseres hebben een beroepschrift ingediend (1 punt) en hebben aan de zitting deelgenomen (1 punt). Daarnaast hebben twee bestuursleden van eiseres recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Die totale reiskostenvergoeding bedraagt € 39,60 (tweemaal een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen Noordbargerstraat 77 in Emmen en Guyotplein 1 in Groningen). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 1.907,60. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Volledig
Dat leidt tot onevenredige benadeling van zowel het WODC als van de universiteit, aldus de minister. 20.2. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. In het primaire besluit en in het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister voldoende deugdelijk uitgelegd waarom openbaarmaking van bepaalde documenten afkomstig van de universiteit tot nadeel voor de universiteit kan leiden en waarom dit nadeel onevenredig is. Na kennisneming van de ongelakte stukken volgt de rechtbank de minister in de conclusie dat dit onevenredige nadeel erin bestaat dat openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen zou leiden tot inzicht in de werkwijze en werkprocessen van de universiteit bij onderzoek en dat concurrenten van de universiteit daar dan hun voordeel mee kunnen doen. Voldoende deugdelijk is gemotiveerd hoe dit nadeel is afgewogen tegen het algemeen belang van openbaarheid. De verwijzing van eiseres naar vaste rechtspraak maakt deze feiten en omstandigheden van dit geval niet anders. De minister heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking in dit geval niet opweegt tegen dat van het voorkomen van onevenredige benadeling van de universiteit. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de zoekslag goed verricht? 21. Eiseres betoogt dat de minister in het primaire besluit en in het besluit op bezwaar niet uiteenzet hoe de zoekslag is verlopen naar de onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallende documenten. Volgens eiseres vereist een goed gemotiveerd en zorgvuldig besluit dat zij wordt geïnformeerd over de uitgevoerde zoekslag naar aanleiding van de reikwijdte van het informatieverzoek. 21.1. De minister voert aan dat in de nadere aanvullende gronden van 20 augustus 2024 voor het eerst door eiseres wordt aangevoerd dat de zoekslag niet inzichtelijk zou zijn gemaakt. Volgens de minister is in de onderhavige zaak tot nu toe nergens uit gebleken dat eiseres twijfelt aan de hoeveelheid documenten die op grond van de zoekslag naar boven is gekomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt niet met zich dat het bestuursorgaan informatie over de zoekslag dient te verstrekken in het Wob-besluit zonder dat de verzoeker hierom heeft gevraagd, aldus de minister. 21.2. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat de mogelijkheid om nieuwe beroepsgronden in te dienen wordt begrensd door de goede procesorde. Bij de vraag of aan de eisen van een goede procesorde wordt voldaan, zal de bestuursrechter letten op de procespositie van de overige partijen. Zo zullen nieuwe gronden in hoger beroep niet worden toegelaten als de wederpartij te weinig tijd heeft om zich daarover inhoudelijk uit te laten, of als in een (te) laat stadium een geheel nieuw onderwerp aan de orde wordt gesteld. Dit zal ook niet gebeuren als inhoudelijke bespreking van de in een (te) laat stadium naar voren gebrachte gronden leidt tot aanhouding van de zaak met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partijen en een goede rechtspleging. 21.3. De rechtbank is van oordeel dat de voor het eerst op 20 augustus 2024 door eiseres ingediende beroepsgrond over de zoekslag in strijd met de goede procesorde is ingediend. Die nieuwe grond is in een te laat stadium ingediend. Daarbij is van belang dat het rapport waarop het informatieverzoek ziet, al in 2019 is uitgebracht nadat de civiele rechter openbaarmaking van dat rapport heeft goedgekeurd. Eiseres heeft toen kennis kunnen nemen van (de voorgeschiedenis van) het rapport. Zij heeft de zoekslag vervolgens niet genoemd tijdens de behandeling van haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Hierdoor kon de minister niet in het bestreden besluit op bezwaar reageren op die grond. Aangezien de zoekslag direct verband houdt met de behandeling van haar informatieverzoek, lag het in de rede dat eiseres die grond in de bezwaarfase of in haar aanvullend beroepschrift van 8 januari 2021 had ingediend. Eiseres heeft de beroepsgrond echter pas ruim vier jaar na het primaire besluit, en dus te laat, voor het eerst ingediend. 21.4. Aangezien de beroepsgrond in strijd met de goede procesorde is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van die grond. De rechtbank laat die grond daarom verder buiten beschouwing. Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? 22. Eiseres betoogt dat de redelijke termijn als bedoeld in het EVRM is overschreden gelet op het tijdsverloop in deze zaak. Sinds het indienen van haar bezwaarschrift is ruim vier jaar verstreken, aldus eiseres. 22.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, in dit geval vier jaar is. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 22.2. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 29 juni 2020. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep met 45 maanden en 24 dagen overschreden. Deze overschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen, is geen sprake. 22.3. De rechtbank gaat uit van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. Het totale schadebedrag bedraagt daarmee € 4.000,-. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van dat bedrag aan eiseres als vergoeding van de geleden immateriële schade. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gedeeltelijk in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de minister daarin heeft vastgehouden aan de weigering om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken (zie overwegingen 16. tot met 16.7.). De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, of om zelf een beslissing over de openbaarmaking te nemen. Ook ziet de rechtbank geen mogelijkheid om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op wat hiervoor in overweging 16.8. is opgenomen. 23.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen over het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit van 27 oktober 2020, met inachtneming van deze uitspraak. 23.2. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht van € 354,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. De gemachtigden van eiseres hebben een beroepschrift ingediend (1 punt) en hebben aan de zitting deelgenomen (1 punt). Daarnaast hebben twee bestuursleden van eiseres recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Die totale reiskostenvergoeding bedraagt € 39,60 (tweemaal een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen Noordbargerstraat 77 in Emmen en Guyotplein 1 in Groningen). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 1.907,60. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Volledig
Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 27 oktober 2020 voor zover de minister daarin heeft vastgehouden aan de weigering om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken; - draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 354,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.907,60 aan proceskosten aan eiseres; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan eiseres een schadevergoeding van € 4.000,- te betalen voor geleden immateriële schade. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, voorzitter, mr. L. Mulder en mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026. griffier de voorzitter is verhinderd om de uitspraak te tekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Artikel 8 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 10 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen. 2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Wet openbaarheid van bestuur (Wob) Artikel 10 1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. 2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. 3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking. […] Artikel 11 1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. 2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. 3. Met betrekking tot adviezen van een ambtelijke of gemengd samengestelde adviescommissie kan het verstrekken van informatie over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen plaatsvinden, indien het voornemen daartoe door het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat aan de leden van de adviescommissie voor de aanvang van hun werkzaamheden kenbaar is gemaakt. […] Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 7:12 1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154. https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/2450 Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3047. Zie de uitspraak van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:525) en de uitspraak van 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1497). Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13. Zie de uitspraken van de ABRvS van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:314) en van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2980). Vergelijk de uitspraken van de ABRvS van 18 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:193) en van 8 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4146). Zie het in overweging 15.2. genoemde Kamerstuk. Zie de uitspraak van de ABRvS van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:848. Eiseres verwijst in dit kader naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 september 2002, nr. 39393/98, ECLI:CE:ECHR:2002:0924JUD003939398 (M.G. v. United Kingdom). Zie de uitspraken van de ABRvS van 1 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO5710) en van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:910). Eiseres verwijst naar het arrest van het EHRM van 8 november 2016, nr. 18030/11, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 (Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary). Eiseres verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883. De minister verwijst naar de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883) en naar de uitspraken van de ABRvS van 12 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2988) en van 19 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1051). Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 16 e.v. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883) en de uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:541). Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2610. Eiseres verwijst naar de uitspraken van de ABRvS van 13 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1995) en van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2689).
Volledig
Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 27 oktober 2020 voor zover de minister daarin heeft vastgehouden aan de weigering om bepaalde (onderdelen van) documenten wegens intern beraad openbaar te maken; - draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 354,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.907,60 aan proceskosten aan eiseres; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan eiseres een schadevergoeding van € 4.000,- te betalen voor geleden immateriële schade. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, voorzitter, mr. L. Mulder en mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026. griffier de voorzitter is verhinderd om de uitspraak te tekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Artikel 8 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 10 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen. 2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Wet openbaarheid van bestuur (Wob) Artikel 10 1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. 2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. 3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking. […] Artikel 11 1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. 2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. 3. Met betrekking tot adviezen van een ambtelijke of gemengd samengestelde adviescommissie kan het verstrekken van informatie over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen plaatsvinden, indien het voornemen daartoe door het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat aan de leden van de adviescommissie voor de aanvang van hun werkzaamheden kenbaar is gemaakt. […] Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 7:12 1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154. https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/2450 Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3047. Zie de uitspraak van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:525) en de uitspraak van 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1497). Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13. Zie de uitspraken van de ABRvS van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:314) en van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2980). Vergelijk de uitspraken van de ABRvS van 18 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:193) en van 8 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4146). Zie het in overweging 15.2. genoemde Kamerstuk. Zie de uitspraak van de ABRvS van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:848. Eiseres verwijst in dit kader naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 september 2002, nr. 39393/98, ECLI:CE:ECHR:2002:0924JUD003939398 (M.G. v. United Kingdom). Zie de uitspraken van de ABRvS van 1 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO5710) en van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:910). Eiseres verwijst naar het arrest van het EHRM van 8 november 2016, nr. 18030/11, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 (Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary). Eiseres verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883. De minister verwijst naar de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883) en naar de uitspraken van de ABRvS van 12 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2988) en van 19 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1051). Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 16 e.v. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883) en de uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:541). Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2610. Eiseres verwijst naar de uitspraken van de ABRvS van 13 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1995) en van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2689).