Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-16
ECLI:NL:RBNNE:2026:1380
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/2411 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats], eiser en Raad voor Rechtsbijstand, de Raad, (gemachtigden: mr. E.J.W. Reijnders en L. Nickel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (de Woo). Eiser is het niet eens met de door de Raad op dit verzoek genomen besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Raad het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 9 maart 2023 een verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Woo ingediend. De Raad heeft dit verzoek met de besluiten van 8 juni 2023 en 21 juli 2023 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 15 november 2023 heeft de Raad het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Raad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarnaast heeft de Raad vertrouwelijke stukken overgelegd, waarvan de rechtbank kennis heeft genomen. Eiser heeft tweemaal aanvullende beroepsgronden ingediend, waarop de Raad ook heeft gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de Raad. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser heeft op 9 maart 2023 een verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de wet open overheid (hierna: Woo-verzoek) ingediend bij de Raad voor rechtsbijstand. Dit verzoek omvatte: alle zienswijzen en voorlegers in ‘Z-toevoegingen’; alle communicatie over ‘Z-toevoegingen’ zoals beleidsaanpassingen, mails van en/of naar advocaten, interne mails en memo’s, et cetera; powerpoints, verslagen, rapportages en dergelijke voor zover deze betrekking hebben tot ‘Z-toevoegingen’; alle kenniswijzers over ‘Z-toevoegingen’ en aanpassingen van de kenniswijzer. Hierbij gaat het eiser om documenten uit de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022. Daarnaast verduidelijkt eiser dat het begrip ‘Z-toevoegingen’, zoals hij dit bedoelt, alle toevoegingen met een zaakcode die begint met een Z omvat. 4. De Raad heeft eiser op 27 maart 2023 medegedeeld dat de kenniswijzers reeds openbaar toegankelijk zijn. Voor het overige heeft hij eiser verzocht zijn verzoek te preciseren vanwege de omvang en het grote aantal uiteenlopende onderwerpen binnen de reikwijdte van het initiële verzoek. 5. Per brief van 30 maart 2023 heeft eiser zijn verzoek met betrekking tot de kenniswijzers beperkt tot stukken die zien op de wijze van beraadslaging, memo’s et cetera voor zover deze zien op wijzigingen in de kenniswijzers. Voor het overige heeft eiser zijn verzoek beperkt tot 13 specifieke Z-codes, welke betrekking hebben op strafrechtelijke toevoegingen. Daarnaast licht eiser toe dat hij middels de zienswijzen en voorleggers met betrekking tot die Z-codes wil controleren ‘of sprake is van één lijn in de beoordelingen en om eventuele steekproef bevindingen van HTS-kantoren te kunnen staven of weerleggen.’ Dit is volgens eiser naar aanleiding van verschillende berichten van HTS-kantoren over het voeren van verschillend beleid. 6. Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de Raad (een deel van) de gevraagde documenten met betrekking tot de zienswijzen en voorleggers in de 13 categorieën Z-toevoegingen openbaar gemaakt. Het gaat om 22 documenten. De Raad heeft aangegeven dat namen van medewerkers en van advocaten, alsmede de toevoegnummers zijn weggelakt, omdat het belang van eerbiediging In het verweerschrift geeft de Raad aan dat de namen van advocaten en advocatenkantoren zijn gelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. De Raad stelt dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hier zwaarder weegt dat het belang van openbaarmaking. Hierbij verduidelijkt de Raad dat er bij openbaarmaking, eventueel in combinatie met andere Woo-verzoeken, informatie over de bedrijfsvoering en het inkomen van advocaten afgeleid zou kunnen worden. De Raad stelt - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) - dat dit de persoonlijke levenssfeer van de betreffende advocaten zou schaden. 10.2. De rechtbank is van oordeel dat de Raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de uitzonderingsgrond waar hij zich op beroept hier van toepassing is. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 10.2.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen verdeeld zijn over de vraag of de Raad terecht en op goede gronden de namen van advocaten en advocatenkantoren heeft gelakt. Het gaat eiser niet om het weglakken van de namen van medewerkers van de Raad. 10.2.2. Bij toepassing van de Woo wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Uit de Woo volgt voorts dat, indien openbaarmaking wordt geweigerd op grond van een zogenoemde relatieve weigeringsgrond , een specifieke motiveringsplicht geldt; het bestuursorgaan dient de toepassing van de weigeringsgrond uitdrukkelijk te motiveren. 10.3. De rechtbank volgt het standpunt van de Raad in zoverre dat in het algemeen geldt dat, wanneer uit de openbaar gemaakte naam van een advocaat in combinatie met overige (reeds) openbaar gemaakte gegevens, informatie over diens inkomen kan worden herleid, de persoonlijke levenssfeer wordt geschaad. Deze uitleg vormt op zichzelf echter geen nadrukkelijke motivering voor de stelling dat de persoonlijke levenssfeer van de advocaten in het onderhavige Woo-verzoek ook daadwerkelijk geschonden zou worden bij openbaarmaking van de namen. De Raad heeft niet aangegeven waarom de ingeroepen weigeringsgrond voor elke gelakte naam van toepassing is, maar geeft slechts deze algemene motivering. Nu de Raad stelt dat de ongelakte gegevens, in combinatie met andere Woo-verzoeken, zouden kunnen leiden tot informatie over de bedrijfsvoering en het inkomen van de betrokken advocaten, ligt het op de weg van de Raad om specifiek te onderbouwen hoe het samenspel van de Woo-verzoeken in onderhavige situatie zou leiden tot de openbaring van informatie over de bedrijfsvoering en het inkomen. De Raad is hier met de algemene motivering in het verweerschrift, noch de nadere toelichting ter zitting in geslaagd. De rechtbank betrekt bij haar oordeel nadrukkelijk dat zij met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis heeft genomen van de ongelakte versie van de door de Raad aan eiser verstrekte documenten. 10.4. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat het openbaar maken van de namen van advocaten en advocatenkantoren op basis van onderhavig Woo-verzoek ertoe zal leiden dat inzicht kan worden verkregen in de inkomenspositie van advocaten. Om die reden heeft de Raad onvoldoende gemotiveerd de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als weigeringsgrond ingeroepen. De motivering kan het bestreden besluit op dit punt niet dragen en voldoet niet aan de vereisten van artikel 5.1, derde lid, van de Woo. De Raad zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Het niet openbaar maken van correspondentie met advocaten omtrent de 13 Z-codes 11. Eiser betoogt dat niet is gebleken dat niet van de Raad kan worden gevergd dat de e-mailberichten worden geopenbaard en dat overigens niet gemotiveerd is waarom het belang van de Raad zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Hiertoe voert hij aan dat geen zoekslag of inventarisatie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het verzoek. Daarnaast geeft Nu de Raad het verzoek om de signalen waarover eiser beschikt te delen niet heeft vormgegeven als een verzoek tot precisering of als een verzoek om een verzuim te herstellen, maar dit opgenomen heeft in het primaire besluit, kan het niet delen van signalen eiser niet worden tegengeworpen en is er door de Raad op dit punt (nog) geen besluit genomen. Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Raad op om alsnog een besluit op dit punt te nemen, indien nodig na het verkrijgen van duidelijkheid van eiser over de inhoud en reikwijdte op dit onderdeel van zijn verzoek. Overschrijding van de redelijke termijn 14. Eiser verzoekt om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM . Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt de redelijke termijn in eerste aanleg in principe na twee jaar overschreden. Hiervan staat zes maanden voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt wanneer de rechter een einduitspraak doet. 14.1. De rechtbank stelt vast dat er sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 31 juli 2023 twee jaren en negen maanden zijn verstreken. Daarmee wordt de redelijke termijn met negen maanden overschreden. 14.2. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag € 1.000,-. De overschrijding van de redelijke termijn heeft in deze zaak plaatsgevonden in de beroepsfase. Gelet hierop veroordeelt de rechtbank de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,-. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. 15.1. De rechtbank bepaalt dat de Raad in deze zaak een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Raad hiervoor zes weken. 15.2. De Raad moet het griffierecht aan eiser vergoeden, omdat zijn beroep gegrond is. 15.3. Eiser heeft gevraagd om een vergoeding van de proceskosten, te verstaan de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank heeft dit beroep op dezelfde dag en aansluitend behandeld met andere beroepen van eiser. Eiser heeft voor het bijwonen van de behandeling van meerdere beroepszaken, dus slechts eenmaal reiskosten gemaakt. De vergoeding van die reiskosten is door de rechtbank al aan eiser toegekend in de uitspraak van zaaknummer LEE 25/2412. Dit betekent dat er in de zaak die nu voorligt, geen proceskosten zijn die nog voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 15 november 2023; - draagt de Raad op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat de Raad het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelij