Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-06
ECLI:NL:RBNNE:2026:1370
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Mondelinge uitspraak
3,143 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1370 text/xml public 2026-04-30T11:23:47 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-06 11810832 BU VERZ 25-1613 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1370 text/html public 2026-04-30T11:23:11 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1370 Rechtbank Noord-Nederland , 06-03-2026 / 11810832 BU VERZ 25-1613 Wahv. Het met trottoirtegels belegde weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond is naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt en dus moet dit worden aangemerkt als trottoir. De omstandigheid dat men over dit weggedeelte moet rijden om de Westerbinnensingel in te kunnen rijden, maakt niet dat daarom geen sprake meer is van een trottoir. Dit brengt enkel mee dat het trottoir daar slechts mag worden gebruikt om met een voertuig de straat in te rijden. Het laten stilstaan van een voertuig is daar echter niet toegestaan. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 269628494 zaaknummer: 11810832 BU VERZ 25-1613 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 6 maart 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: M.J.M. Bergers, Boete.nu B.V. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 3 oktober 2024, om 20:10 uur, op de Westerbinnensingel in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 6 maart 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P.A. Veenstra. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Standpunten 2. Gemachtigde voert namens betrokkene aan dat betrokkene niet stilstond op een trottoir. Gemachtigde stelt dat de locatie waar het voertuig stilstond een weg met een inrit is, en geen trottoir. Daarnaast voert gemachtigde aan dat een verbalisant verwikkeld was in een discussie met een voorbijganger terwijl de auto van de verbalisant midden op de weg stilstond. De auto blokkeerde de weg, waardoor betrokkene er niet langs kon. Daarom heeft betrokkene de verbalisant verzocht om door te rijden. Gemachtigde stelt dat deze vraag van betrokkene irritatie heeft opgewekt bij de verbalisant, waardoor hij aan betrokkene een boete heeft opgelegd voor stilstaan op een trottoir. Daarnaast voert gemachtigde aan dat de hoorplicht is geschonden. Tot slot verzoekt gemachtigde om vergoeding van de proceskosten. 3. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat de gedraging kan worden vastgesteld. Daarnaast voert de vertegenwoordigster aan dat de schending van de hoorplicht incidenteel is, waardoor er geen gevolg aan hoeft te worden verbonden. Beslissing 4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Overwegingen 5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 6. Beoordeeld moet worden of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet worden aangemerkt als een trottoir. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van het begrip “trottoir”. Bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, moet daarom worden uitgegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet. 7. De kantonrechter oordeelt dat de gedraging kan worden vastgesteld. Het met trottoirtegels belegde weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond is naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt en dus moet dit worden aangemerkt als trottoir. De omstandigheid dat men over dit weggedeelte moet rijden om de Westerbinnensingel in te kunnen rijden, maakt niet dat daarom geen sprake meer is van een trottoir. Dit brengt enkel mee dat het trottoir daar slechts mag worden gebruikt om met een voertuig de straat in te rijden. Het laten stilstaan van een voertuig is daar echter niet toegestaan. 8. Verder ziet de kantonrechter geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Van een structurele schending van de hoorplicht is geen sprake. 9. De kantonrechter zal het beroep ongegrond verklaren. De proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. W.B. Jongsma, griffier mr. H.J. Bastin, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8385.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1370 text/xml public 2026-04-30T11:23:47 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-06 11810832 BU VERZ 25-1613 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1370 text/html public 2026-04-30T11:23:11 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1370 Rechtbank Noord-Nederland , 06-03-2026 / 11810832 BU VERZ 25-1613 Wahv. Het met trottoirtegels belegde weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond is naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt en dus moet dit worden aangemerkt als trottoir. De omstandigheid dat men over dit weggedeelte moet rijden om de Westerbinnensingel in te kunnen rijden, maakt niet dat daarom geen sprake meer is van een trottoir. Dit brengt enkel mee dat het trottoir daar slechts mag worden gebruikt om met een voertuig de straat in te rijden. Het laten stilstaan van een voertuig is daar echter niet toegestaan. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 269628494 zaaknummer: 11810832 BU VERZ 25-1613 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 6 maart 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: M.J.M. Bergers, Boete.nu B.V. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 3 oktober 2024, om 20:10 uur, op de Westerbinnensingel in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 6 maart 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P.A. Veenstra. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Standpunten 2. Gemachtigde voert namens betrokkene aan dat betrokkene niet stilstond op een trottoir. Gemachtigde stelt dat de locatie waar het voertuig stilstond een weg met een inrit is, en geen trottoir. Daarnaast voert gemachtigde aan dat een verbalisant verwikkeld was in een discussie met een voorbijganger terwijl de auto van de verbalisant midden op de weg stilstond. De auto blokkeerde de weg, waardoor betrokkene er niet langs kon. Daarom heeft betrokkene de verbalisant verzocht om door te rijden. Gemachtigde stelt dat deze vraag van betrokkene irritatie heeft opgewekt bij de verbalisant, waardoor hij aan betrokkene een boete heeft opgelegd voor stilstaan op een trottoir. Daarnaast voert gemachtigde aan dat de hoorplicht is geschonden. Tot slot verzoekt gemachtigde om vergoeding van de proceskosten. 3. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat de gedraging kan worden vastgesteld. Daarnaast voert de vertegenwoordigster aan dat de schending van de hoorplicht incidenteel is, waardoor er geen gevolg aan hoeft te worden verbonden. Beslissing 4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Overwegingen 5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 6. Beoordeeld moet worden of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet worden aangemerkt als een trottoir. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van het begrip “trottoir”. Bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, moet daarom worden uitgegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet. 7. De kantonrechter oordeelt dat de gedraging kan worden vastgesteld. Het met trottoirtegels belegde weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond is naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt en dus moet dit worden aangemerkt als trottoir. De omstandigheid dat men over dit weggedeelte moet rijden om de Westerbinnensingel in te kunnen rijden, maakt niet dat daarom geen sprake meer is van een trottoir. Dit brengt enkel mee dat het trottoir daar slechts mag worden gebruikt om met een voertuig de straat in te rijden. Het laten stilstaan van een voertuig is daar echter niet toegestaan. 8. Verder ziet de kantonrechter geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Van een structurele schending van de hoorplicht is geen sprake. 9. De kantonrechter zal het beroep ongegrond verklaren. De proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. W.B. Jongsma, griffier mr. H.J. Bastin, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8385.