Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBNNE:2026:1361
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,481 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1361 text/xml public 2026-04-28T12:31:29 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14 18-013145-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 312 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1361 text/html public 2026-04-28T12:31:02 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1361 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2026 / 18-013145-26 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte is met de medeverdachte naar de woning van aangever gegaan. Eenmaal binnen heeft verdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Verdachte en medeverdachte hebben de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij hem op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-013145-26 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Versluis, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. N. Hof. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 december 2025 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, contant geld (ongeveer 500 euro) en/of meerdere, althans één, slof(fen) shag en/of meerdere, althans één, slof(fen) sigaretten en/of een zilveren schakelketting en/of een Eufy camera en/of een Ring deurbel en/of een telefoon, merk: 'Samsung S20, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of die [slachtoffer] een kopstoot te geven en/of die [slachtoffer] naar de grond te duwen en/of de polsen/armen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw/veter en/of een deken over het hoofd van die (op de grond liggende) [slachtoffer] te leggen en/of het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet mee werken anders zou het allemaal nog erger worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of ( ondertussen) de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2026; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 209 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025341326 en onderzoeknummer NN1R025161 d.d. 11 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 14 januari 2026, opgenomen op pagina 333 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] . Bewezenverklaring De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 18 december 2025 te Sneek uit een woning gelegen aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, contant geld en meerdere sloffen shag en meerdere sloffen sigaretten en een zilveren schakelketting en een Eufy camera en een Ring deurbel en een telefoon, merk: Samsung S20, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en die [slachtoffer] een kopstoot te geven en die [slachtoffer] naar de grond te duwen en de polsen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw en een deken over het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer] te leggen en het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en daarbij dreigend de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet meewerken anders zou het allemaal nog erger worden, en ondertussen de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 313 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het in onderhavig geval niet passend is om te spreken van een woningoverval. Daarbij heeft de reclassering aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor de uitkeringsaanvraag en de huisvesting. Het ging in de periode van het feit slecht met verdachte, maar hij heeft aangegeven dat hij spijt heeft van zijn handelen en dat hij het roer wil omgooien. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van het Leger des Heils, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1361 text/xml public 2026-04-28T12:31:29 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14 18-013145-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 312 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1361 text/html public 2026-04-28T12:31:02 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1361 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2026 / 18-013145-26 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte is met de medeverdachte naar de woning van aangever gegaan. Eenmaal binnen heeft verdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Verdachte en medeverdachte hebben de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij hem op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-013145-26 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Versluis, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. N. Hof. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 december 2025 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, contant geld (ongeveer 500 euro) en/of meerdere, althans één, slof(fen) shag en/of meerdere, althans één, slof(fen) sigaretten en/of een zilveren schakelketting en/of een Eufy camera en/of een Ring deurbel en/of een telefoon, merk: 'Samsung S20, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en/of die [slachtoffer] een kopstoot te geven en/of die [slachtoffer] naar de grond te duwen en/of de polsen/armen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw/veter en/of een deken over het hoofd van die (op de grond liggende) [slachtoffer] te leggen en/of het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet mee werken anders zou het allemaal nog erger worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of ( ondertussen) de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2026; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 209 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025341326 en onderzoeknummer NN1R025161 d.d. 11 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 14 januari 2026, opgenomen op pagina 333 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] . Bewezenverklaring De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 18 december 2025 te Sneek uit een woning gelegen aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, contant geld en meerdere sloffen shag en meerdere sloffen sigaretten en een zilveren schakelketting en een Eufy camera en een Ring deurbel en een telefoon, merk: Samsung S20, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de woning van die [slachtoffer] binnen te dringen en die [slachtoffer] een kopstoot te geven en die [slachtoffer] naar de grond te duwen en de polsen van die [slachtoffer] vast te binden met een touw en een deken over het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer] te leggen en het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond aan te drukken en daarbij dreigend de woorden toe te voegen dat die [slachtoffer] moet meewerken anders zou het allemaal nog erger worden, en ondertussen de woning van die [slachtoffer] te doorzoeken. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 313 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het in onderhavig geval niet passend is om te spreken van een woningoverval. Daarbij heeft de reclassering aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor de uitkeringsaanvraag en de huisvesting. Het ging in de periode van het feit slecht met verdachte, maar hij heeft aangegeven dat hij spijt heeft van zijn handelen en dat hij het roer wil omgooien. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van het Leger des Heils, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Volledig
Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Met de medeverdachte is hij naar de woning van aangever gegaan. Zij spraken af dat verdachte als eerste naar binnen zou gaan, omdat aangever de medeverdachte anders zou herkennen. Eenmaal binnen heeft verdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Ondertussen kreeg de medeverdachte de gelegenheid om goederen in het huis te zoeken en hebben zij de code van de kluis van aangever weten te verkrijgen. Ook hebben verdachte en medeverdachte samen de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij aangever op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. Aangever was in zijn eigen woning, bij uitstek een plek waar hij zich veilig moet kunnen voelen. Door zo te handelen heeft verdachte geen enkele rekening gehouden met de impact die zijn gedragingen op aangever zouden hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een woningoverval zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen huis en dat zij gedurende lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan nog kunnen ondervinden. Dat hiervan in dit geval ook sprake is blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier. Verdachte en medeverdachte hebben aangever ernstig in zijn psychische en lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. In het reclasseringsadvies van 24 maart 2026, opgesteld door het Leger des Heils, staat beschreven dat verdachte verantwoordelijkheid erkent en aangeeft spijt te hebben. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en meent dat een forensisch kader niet nodig lijkt om recidivekans te verminderen, verdachte is via de gemeente al aangemeld voor hulpverlening en is niet zorgmijdend. Voorts schrijft de reclassering dat een gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor de uitkeringsaanvraag en dat het de hulpvraag voor huisvesting kan vertragen. Verdachte heeft ook ter terechtzitting zijn spijt betuigd en aangegeven dat hij zijn leven weer op de rit wil krijgen. Op te leggen straf De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat hier wel degelijk sprake was van een woningoverval. Hoewel hier sprake was van een gerichte actie naar aanleiding van een eerder conflict tussen medeverdachte en aangever, zijn verdachte en medeverdachte wel de woning van aangever binnengedrongen, hebben zij geweld gebruikt onder meer door hem vast te binden en hebben zij goederen meegenomen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk de uiterlijke verschijningsvorm van een woningoverval. De rechtbank heeft bij de straftoemeting dan ook aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waaruit volgt dat bij een overval in de woning met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren het oriëntatiepunt is. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden en de aard en ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij wel acht geslagen op het advies van de reclassering en de huidige situatie van verdachte, maar is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan het voorarrest, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank ziet verder ook geen andere reden om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.926,12 ter vergoeding van materiële schade en 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal toegewezen kan worden, met uitzondering van de schadepost die ziet op de multimeter, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om ten aanzien van het weggenomen geld het bedrag te matigen naar 250 euro. Zij heeft voorts verzocht om de schadepost die ziet op de ketting te matigen naar 100 euro. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om de schadeposten die zien op de multimeter en de sigaretten niet toe te wijzen. In het dossier wordt niet gesproken over de multimeter en ten aanzien van de sigaretten is er veel onduidelijkheid over de prijs en de hoeveelheid. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de immateriële schade. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Ten aanzien van het weggenomen geld is de vordering tot een bedrag van 250,00 niet weersproken door de verdediging. De rechtbank zal daarom deze post tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan onderbouwing. Uit de bewezenverklaring volgt voorts dat er sloffen shag zijn weggenomen. Dit is ook niet bestreden door de verdediging. Aangever heeft verklaard dat deze sloffen uit Duitsland zijn geïmporteerd en in het verzoek tot schadevergoeding is een schatting van de prijs onderbouwd. De enkele stelling dat er mogelijk sprake is van illegaal verkregen sigaretten geeft onvoldoende aanleiding om dit deel van de vordering af te wijzen. De rechtbank zal dan ook dit deel van de vordering toewijzen. Met betrekking tot de multimeter overweegt de rechtbank dat niet is vast komen te staan dat deze door verdachte of medeverdachte is weggenomen. De multimeter is niet opgenomen in de tenlastelegging en is ook niet genoemd in het procesdossier. De rechtbank zal daarom de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is vast komen te staan dat deze goederen zijn weggenomen. Deze schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd en de rechtbank zal deze dan ook toewijzen. De rechtbank overweegt dat een vergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering tot immateriële schade is niet betwist door de verdediging. De rechtbank acht een bedrag van 1.250,00 ook billijk. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van 2.627,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade.
Volledig
Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Met de medeverdachte is hij naar de woning van aangever gegaan. Zij spraken af dat verdachte als eerste naar binnen zou gaan, omdat aangever de medeverdachte anders zou herkennen. Eenmaal binnen heeft verdachte aangever een kopstoot gegeven, hem op de grond gehouden en hem woordelijk bedreigd. Ondertussen kreeg de medeverdachte de gelegenheid om goederen in het huis te zoeken en hebben zij de code van de kluis van aangever weten te verkrijgen. Ook hebben verdachte en medeverdachte samen de handen van aangever vastgebonden en een kleed over zijn hoofd gedaan terwijl hij op de grond lag. Hierna hebben zij aangever op de grond achtergelaten en meerdere spullen uit de woning van aangever meegenomen. Aangever was in zijn eigen woning, bij uitstek een plek waar hij zich veilig moet kunnen voelen. Door zo te handelen heeft verdachte geen enkele rekening gehouden met de impact die zijn gedragingen op aangever zouden hebben. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een woningoverval zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen huis en dat zij gedurende lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan nog kunnen ondervinden. Dat hiervan in dit geval ook sprake is blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier. Verdachte en medeverdachte hebben aangever ernstig in zijn psychische en lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. In het reclasseringsadvies van 24 maart 2026, opgesteld door het Leger des Heils, staat beschreven dat verdachte verantwoordelijkheid erkent en aangeeft spijt te hebben. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en meent dat een forensisch kader niet nodig lijkt om recidivekans te verminderen, verdachte is via de gemeente al aangemeld voor hulpverlening en is niet zorgmijdend. Voorts schrijft de reclassering dat een gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor de uitkeringsaanvraag en dat het de hulpvraag voor huisvesting kan vertragen. Verdachte heeft ook ter terechtzitting zijn spijt betuigd en aangegeven dat hij zijn leven weer op de rit wil krijgen. Op te leggen straf De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat hier wel degelijk sprake was van een woningoverval. Hoewel hier sprake was van een gerichte actie naar aanleiding van een eerder conflict tussen medeverdachte en aangever, zijn verdachte en medeverdachte wel de woning van aangever binnengedrongen, hebben zij geweld gebruikt onder meer door hem vast te binden en hebben zij goederen meegenomen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk de uiterlijke verschijningsvorm van een woningoverval. De rechtbank heeft bij de straftoemeting dan ook aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waaruit volgt dat bij een overval in de woning met licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren het oriëntatiepunt is. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden en de aard en ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij wel acht geslagen op het advies van de reclassering en de huidige situatie van verdachte, maar is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan het voorarrest, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank ziet verder ook geen andere reden om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.926,12 ter vergoeding van materiële schade en 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal toegewezen kan worden, met uitzondering van de schadepost die ziet op de multimeter, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om ten aanzien van het weggenomen geld het bedrag te matigen naar 250 euro. Zij heeft voorts verzocht om de schadepost die ziet op de ketting te matigen naar 100 euro. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om de schadeposten die zien op de multimeter en de sigaretten niet toe te wijzen. In het dossier wordt niet gesproken over de multimeter en ten aanzien van de sigaretten is er veel onduidelijkheid over de prijs en de hoeveelheid. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de immateriële schade. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Ten aanzien van het weggenomen geld is de vordering tot een bedrag van 250,00 niet weersproken door de verdediging. De rechtbank zal daarom deze post tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan onderbouwing. Uit de bewezenverklaring volgt voorts dat er sloffen shag zijn weggenomen. Dit is ook niet bestreden door de verdediging. Aangever heeft verklaard dat deze sloffen uit Duitsland zijn geïmporteerd en in het verzoek tot schadevergoeding is een schatting van de prijs onderbouwd. De enkele stelling dat er mogelijk sprake is van illegaal verkregen sigaretten geeft onvoldoende aanleiding om dit deel van de vordering af te wijzen. De rechtbank zal dan ook dit deel van de vordering toewijzen. Met betrekking tot de multimeter overweegt de rechtbank dat niet is vast komen te staan dat deze door verdachte of medeverdachte is weggenomen. De multimeter is niet opgenomen in de tenlastelegging en is ook niet genoemd in het procesdossier. De rechtbank zal daarom de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is vast komen te staan dat deze goederen zijn weggenomen. Deze schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd en de rechtbank zal deze dan ook toewijzen. De rechtbank overweegt dat een vergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan worden toegekend indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering tot immateriële schade is niet betwist door de verdediging. De rechtbank acht een bedrag van 1.250,00 ook billijk. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van 2.627,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade.
Volledig
De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. In beslag genomen goederen De rechtbank zal een beslissing nemen ten aanzien van de goederen die zijn opgenomen op de lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijke beslagtitel d.d. 30 maart 2026 (hierna: beslaglijst). Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de handschoenen verbeurd verklaard dienen te worden, nu deze zijn gebruikt bij het bewezen verklaarde feit. Voorts heeft zij gevorderd om het geld aan verdachte terug te geven. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het beslag. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de teruggave gelasten van het goed met nummer 1 op de beslaglijst, te weten het geld, aan verdachte. De rechtbank zal het voorwerp met nummer 5 op de beslaglijst, te weten de handschoenen, verbeurd verklaren, nu het bewezen verklaarde met behulp hiervan is begaan. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.377,98 aan materiële schade en 1.250,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Verklaart verbeurd het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp met strafrechtelijke beslagtitel van de beslaglijst, te weten: 5. 2 STK Handschoen (Omschrijving: 2025341326, merkloos), voorwerpnummer G1902541. Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed van de beslaglijst, te weten: 1. EUR Geld Euro (Omschrijving: 2025341326), voorwerpnummer G1902382. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026. De griffier is buiten staat om te tekenen.
Volledig
De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. In beslag genomen goederen De rechtbank zal een beslissing nemen ten aanzien van de goederen die zijn opgenomen op de lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijke beslagtitel d.d. 30 maart 2026 (hierna: beslaglijst). Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de handschoenen verbeurd verklaard dienen te worden, nu deze zijn gebruikt bij het bewezen verklaarde feit. Voorts heeft zij gevorderd om het geld aan verdachte terug te geven. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het beslag. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de teruggave gelasten van het goed met nummer 1 op de beslaglijst, te weten het geld, aan verdachte. De rechtbank zal het voorwerp met nummer 5 op de beslaglijst, te weten de handschoenen, verbeurd verklaren, nu het bewezen verklaarde met behulp hiervan is begaan. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.627,98 (zegge: tweeduizend zeshonderdzevenentwintig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.377,98 aan materiële schade en 1.250,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 26 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Verklaart verbeurd het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp met strafrechtelijke beslagtitel van de beslaglijst, te weten: 5. 2 STK Handschoen (Omschrijving: 2025341326, merkloos), voorwerpnummer G1902541. Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed van de beslaglijst, te weten: 1. EUR Geld Euro (Omschrijving: 2025341326), voorwerpnummer G1902382. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026. De griffier is buiten staat om te tekenen.