Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBNNE:2026:1351
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,495 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1351 text/xml public 2026-05-08T15:48:34 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14 25/1980 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026050811 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1351 text/html public 2026-05-08T09:07:06 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1351 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2026 / 25/1980 Aan eiser zijn ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd. Eiser maakt hiertegen bezwaar. Eiser stelt beroep in bij de rechtbank omdat volgens hem niet (tijdig) is beslist op zijn bezwaar. De inspecteur stelt dat hij de uitspraak op bezwaar per post en per e-mail aan eiser heeft verstuurd. De inspecteur beschikt niet over een verzendadministratie van de uitspraak op bezwaar per post. Daarom is niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar per post op de gestelde datum is verzonden en op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank acht wel aannemelijk dat eiser de uitspraak op bezwaar per e-mail heeft ontvangen, omdat eiser zelf via hetzelfde e-mailadres heeft gecorrespondeerd met de inspecteur en er geen aanwijzingen zijn voor een verstoring in het e-mailverkeer. Omdat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser de uitspraak op bezwaar per e-mail heeft ontvangen, lag er al een uitspraak op bezwaar toen eiser beroep instelde bij de rechtbank wegens het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaar. Het beroep is dus niet-ontvankelijk zover het is gericht tegen het niet-beslissen door de inspecteur op eiser zijn bezwaar. Ook voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar, is het beroep niet-ontvankelijk omdat de beroepstermijn is overschreden en geen sprake is van verschoonbaarheid van de te late indiening. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1980 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen, de inspecteur (gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2] ). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 6 juni 2025 heeft ingesteld omdat de inspecteur volgens hem niet (tijdig) een besluit heeft genomen op zijn bezwaar met dagtekening 23 juli 2024 tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2022. 1.2. Op 2 juli 2025 heeft de inspecteur op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend. Als bijlage bij het verweerschrift is (onder meer) een afschrift van de uitspraak op bezwaar met dagtekening 20 december 2024 gevoegd. 1.3. In een bericht van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over de ontvangst van een afschrift van de uitspraak op bezwaar en aangegeven dat het beroep van eiser wegens het niet-tijdig beslissen met toepassing van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook in behandeling wordt genomen als beroep tegen de uitspraak op bezwaar. 1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 3] . Feiten 2. 2.1. Omdat eiser geen aangifte heeft ingediend nadat hij hiervoor is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, heeft de inspecteur aan eiser met dagtekening 8 juli 2024 ambtshalve de aanslagen IB/PVV 2022 en Zvw 2022 opgelegd. 2.2. Eiser heeft op 9 juli 2024 (alsnog) een aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Deze aangifte is in eerste instantie in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering. Op 23 juli 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2022. 2.3. Met dagtekening 20 december 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar is naar twee bij de inspecteur bekende adressen van eiser gestuurd: [adres 1] en [adres 2] . Daarnaast heeft de inspecteur op 17 december 2024 de uitspraak op bezwaar per e-mail naar eiser gestuurd, naar de e-mailadressen [mailadres 1] en [mailadres 2] . Op dezelfde datum heeft de inspecteur nog een e-mail naar deze e-mailadressen gestuurd, met daarin de mededeling dat het poststuk (de uitspraak op bezwaar) per gewone post is verzonden naar eiser zijn woonadres op [woonplaats] . Beoordeling door de rechtbank 3. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke behandeling, beoordeelt de rechtbank eerst of het beroep ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt ook of eiser recht heeft op een dwangsom omdat de inspecteur te laat heeft beslist op zijn bezwaar. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser te laat beroep heeft ingesteld en dat eiser geen recht heeft op een dwangsom. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het beroep ontvankelijk? 4. 4.1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de belanghebbende per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. 4.2. Eiser stelt dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen en hiermee pas bekend raakte na het instellen van zijn beroep. De inspecteur stelt dat de uitspraak op bezwaar per post naar twee adressen van eiser is gestuurd en per e-mail naar twee e-mailadressen van eiser. 4.3. De rechtbank moet beoordelen of de uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 tijdig bekend is gemaakt door verzending aan eiser. Omdat eiser de ontvangst van de uitspraak op bezwaar betwist, is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de uitspraak op bezwaar hem op een andere manier heeft bereikt. 4.4. De inspecteur heeft aangegeven dat er geen administratie is van de verzending per post naar de adressen van eiser in [plaats] en [plaats] . Omdat er geen verzendadministratie is, is niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar per post op de gestelde datum is verzonden en op de juiste wijze bekend is gemaakt. 4.5. De inspecteur heeft aangevoerd dat hij de uitspraak op bezwaar ook per e-mail naar twee emailadressen van eiser heeft gestuurd. Op de zitting heeft de inspecteur verklaard dat als de e-mail niet kon worden afgeleverd op de emailserver van eiser, de collega die de uitspraak op bezwaar heeft verzonden dan een bericht zou hebben ontvangen over de ‘bounce’ van de e-mail en hierop actie zou hebben ondernomen. Eiser heeft niet weersproken dat van een dergelijke ‘bounce’ hier geen sprake is geweest, zodat de rechtbank aannemelijk acht dat de verzending van de uitspraak op bezwaar via e-mail heeft plaatsgevonden. Uit het dossier volgt verder dat eiser veelvuldig met medewerkers van de Belastingdienst heeft gecorrespondeerd via het emailadres [mailadres 1] . Eiser heeft onder meer het bezwaarschrift ingediend vanaf dit emailadres. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat eiser de uitspraak op bezwaar via de email heeft ontvangen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat er sprake was van een tijdelijke verstoring in het emailverkeer of dat er eerder (ontvangst)problemen zijn geweest in het onderlinge emailcontact tussen partijen. Het dossier bevat ook geen enkele aanwijzing daarvoor. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom aannemelijk dat eiser de e-mail met de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen op (één van) zijn emailadressen op of omstreeks 17 december 2024. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1351 text/xml public 2026-05-08T15:48:34 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-14 25/1980 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026050811 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1351 text/html public 2026-05-08T09:07:06 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1351 Rechtbank Noord-Nederland , 14-04-2026 / 25/1980 Aan eiser zijn ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd. Eiser maakt hiertegen bezwaar. Eiser stelt beroep in bij de rechtbank omdat volgens hem niet (tijdig) is beslist op zijn bezwaar. De inspecteur stelt dat hij de uitspraak op bezwaar per post en per e-mail aan eiser heeft verstuurd. De inspecteur beschikt niet over een verzendadministratie van de uitspraak op bezwaar per post. Daarom is niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar per post op de gestelde datum is verzonden en op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank acht wel aannemelijk dat eiser de uitspraak op bezwaar per e-mail heeft ontvangen, omdat eiser zelf via hetzelfde e-mailadres heeft gecorrespondeerd met de inspecteur en er geen aanwijzingen zijn voor een verstoring in het e-mailverkeer. Omdat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser de uitspraak op bezwaar per e-mail heeft ontvangen, lag er al een uitspraak op bezwaar toen eiser beroep instelde bij de rechtbank wegens het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaar. Het beroep is dus niet-ontvankelijk zover het is gericht tegen het niet-beslissen door de inspecteur op eiser zijn bezwaar. Ook voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar, is het beroep niet-ontvankelijk omdat de beroepstermijn is overschreden en geen sprake is van verschoonbaarheid van de te late indiening. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1980 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen, de inspecteur (gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2] ). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 6 juni 2025 heeft ingesteld omdat de inspecteur volgens hem niet (tijdig) een besluit heeft genomen op zijn bezwaar met dagtekening 23 juli 2024 tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2022. 1.2. Op 2 juli 2025 heeft de inspecteur op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend. Als bijlage bij het verweerschrift is (onder meer) een afschrift van de uitspraak op bezwaar met dagtekening 20 december 2024 gevoegd. 1.3. In een bericht van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over de ontvangst van een afschrift van de uitspraak op bezwaar en aangegeven dat het beroep van eiser wegens het niet-tijdig beslissen met toepassing van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook in behandeling wordt genomen als beroep tegen de uitspraak op bezwaar. 1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 3] . Feiten 2. 2.1. Omdat eiser geen aangifte heeft ingediend nadat hij hiervoor is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, heeft de inspecteur aan eiser met dagtekening 8 juli 2024 ambtshalve de aanslagen IB/PVV 2022 en Zvw 2022 opgelegd. 2.2. Eiser heeft op 9 juli 2024 (alsnog) een aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Deze aangifte is in eerste instantie in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering. Op 23 juli 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2022. 2.3. Met dagtekening 20 december 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar is naar twee bij de inspecteur bekende adressen van eiser gestuurd: [adres 1] en [adres 2] . Daarnaast heeft de inspecteur op 17 december 2024 de uitspraak op bezwaar per e-mail naar eiser gestuurd, naar de e-mailadressen [mailadres 1] en [mailadres 2] . Op dezelfde datum heeft de inspecteur nog een e-mail naar deze e-mailadressen gestuurd, met daarin de mededeling dat het poststuk (de uitspraak op bezwaar) per gewone post is verzonden naar eiser zijn woonadres op [woonplaats] . Beoordeling door de rechtbank 3. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke behandeling, beoordeelt de rechtbank eerst of het beroep ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt ook of eiser recht heeft op een dwangsom omdat de inspecteur te laat heeft beslist op zijn bezwaar. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser te laat beroep heeft ingesteld en dat eiser geen recht heeft op een dwangsom. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het beroep ontvankelijk? 4. 4.1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de belanghebbende per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. 4.2. Eiser stelt dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen en hiermee pas bekend raakte na het instellen van zijn beroep. De inspecteur stelt dat de uitspraak op bezwaar per post naar twee adressen van eiser is gestuurd en per e-mail naar twee e-mailadressen van eiser. 4.3. De rechtbank moet beoordelen of de uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 tijdig bekend is gemaakt door verzending aan eiser. Omdat eiser de ontvangst van de uitspraak op bezwaar betwist, is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de uitspraak op bezwaar hem op een andere manier heeft bereikt. 4.4. De inspecteur heeft aangegeven dat er geen administratie is van de verzending per post naar de adressen van eiser in [plaats] en [plaats] . Omdat er geen verzendadministratie is, is niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar per post op de gestelde datum is verzonden en op de juiste wijze bekend is gemaakt. 4.5. De inspecteur heeft aangevoerd dat hij de uitspraak op bezwaar ook per e-mail naar twee emailadressen van eiser heeft gestuurd. Op de zitting heeft de inspecteur verklaard dat als de e-mail niet kon worden afgeleverd op de emailserver van eiser, de collega die de uitspraak op bezwaar heeft verzonden dan een bericht zou hebben ontvangen over de ‘bounce’ van de e-mail en hierop actie zou hebben ondernomen. Eiser heeft niet weersproken dat van een dergelijke ‘bounce’ hier geen sprake is geweest, zodat de rechtbank aannemelijk acht dat de verzending van de uitspraak op bezwaar via e-mail heeft plaatsgevonden. Uit het dossier volgt verder dat eiser veelvuldig met medewerkers van de Belastingdienst heeft gecorrespondeerd via het emailadres [mailadres 1] . Eiser heeft onder meer het bezwaarschrift ingediend vanaf dit emailadres. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat eiser de uitspraak op bezwaar via de email heeft ontvangen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat er sprake was van een tijdelijke verstoring in het emailverkeer of dat er eerder (ontvangst)problemen zijn geweest in het onderlinge emailcontact tussen partijen. Het dossier bevat ook geen enkele aanwijzing daarvoor. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom aannemelijk dat eiser de e-mail met de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen op (één van) zijn emailadressen op of omstreeks 17 december 2024. 4.6.
Volledig
Omdat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser de uitspraak op bezwaar op of omstreeks 17 december 2024 heeft ontvangen, lag er al een uitspraak op bezwaar toen eiser beroep instelde bij de rechtbank wegens het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaar. Het beroep is dus niet-ontvankelijk zover het is gericht tegen het niet-beslissen door de inspecteur op eiser zijn bezwaar. 4.7. Voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar, stelt de rechtbank vast dat het beroepschrift van eiser ver na afloop van de beroepstermijn van zes weken is ontvangen. Die termijn is aangevangen op de dag na dagtekening van de uitspraak op bezwaar , dus op 21 december 2024. Eiser heeft op 6 juni 2025 beroep ingesteld. Naast de stelling dat de uitspraak op bezwaar pas bekend is geworden nadat die van de rechtbank is ontvangen, heeft eiser aangevoerd dat er veel speelde in zijn leven en dat hij veel aan zijn hoofd had. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee geen sprake van verschoonbaarheid van de te late indiening van het beroep en heeft eiser verzuimd tijdig beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep is dus niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar. 4.8. Ondanks dat het beroep niet-ontvankelijk is, zal de rechtbank hierna een inhoudelijke beoordeling geven over de dwangsom. Heeft eiser recht op een dwangsom? 5. 5.1. Eiser stelt dat hij recht heeft op een dwangsom omdat de inspecteur niet tijdig op zijn bezwaar heeft beslist en hij de inspecteur hiervoor in gebreke heeft gesteld, waarna nog steeds niet op zijn bezwaar werd beslist. Eiser stelt dat hij de inspecteur op 6 oktober 2024 per e-mail in gebreke heeft gesteld omdat de beslistermijn op zijn bezwaar was verstreken. De inspecteur betwist dat hij deze e-mail heeft ontvangen. Per e-mail van 10 april 2025 heeft eiser de inspecteur (nogmaals) in gebreke gesteld. Hierover stelt de inspecteur dat hij niet in gebreke was, omdat de uitspraak op bezwaar op dat moment reeds gedaan was. 5.2. De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiser ligt om de verzending van de e-mail van 6 oktober 2024 met de ingebrekestelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Het afschrift van de e-mail dat eiser heeft overgelegd bevat geen informatie over de datum en het tijdstip waarop de verzending heeft plaatsgevonden. Het is bovendien onder andere door het onderwerpveld (“ [onderwerp] ”) niet duidelijk in welke context deze e-mail is verstuurd. Over de (tweede) ingebrekestelling die eiser op 10 april 2025 per e-mail naar de inspecteur heeft verstuurd, overweegt de rechtbank dat deze is verzonden nadat de uitspraak op bezwaar aan eiser bekend werd (zie 4.5.). 5.3. Omdat eiser de verzending van de ingebrekestelling van 6 oktober 2024 niet aannemelijk heeft gemaakt, is een dwangsom niet aan de orde. De inspecteur heeft namelijk uitspraak op bezwaar gedaan vóórdat eiser de inspecteur op 10 april 2025 in gebreke heeft gesteld. De inspecteur was ten tijde van die ingebrekestelling niet in verzuim in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Eiser kon de inspecteur dan ook niet (meer) rechtsgeldig in gebreke stellen. Dit betekent eiser geen aanspraak kan maken op toekenning van een dwangsom. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2022. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 in stand blijft. Ook heeft eiser geen recht op een dwangsom. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier. griffier rechter Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6:12 van de Awb. Artikel 6:7 van de Awb. Artikel 6:8 van de Awb.
Volledig
Omdat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser de uitspraak op bezwaar op of omstreeks 17 december 2024 heeft ontvangen, lag er al een uitspraak op bezwaar toen eiser beroep instelde bij de rechtbank wegens het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaar. Het beroep is dus niet-ontvankelijk zover het is gericht tegen het niet-beslissen door de inspecteur op eiser zijn bezwaar. 4.7. Voor zover het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar, stelt de rechtbank vast dat het beroepschrift van eiser ver na afloop van de beroepstermijn van zes weken is ontvangen. Die termijn is aangevangen op de dag na dagtekening van de uitspraak op bezwaar , dus op 21 december 2024. Eiser heeft op 6 juni 2025 beroep ingesteld. Naast de stelling dat de uitspraak op bezwaar pas bekend is geworden nadat die van de rechtbank is ontvangen, heeft eiser aangevoerd dat er veel speelde in zijn leven en dat hij veel aan zijn hoofd had. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee geen sprake van verschoonbaarheid van de te late indiening van het beroep en heeft eiser verzuimd tijdig beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep is dus niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar. 4.8. Ondanks dat het beroep niet-ontvankelijk is, zal de rechtbank hierna een inhoudelijke beoordeling geven over de dwangsom. Heeft eiser recht op een dwangsom? 5. 5.1. Eiser stelt dat hij recht heeft op een dwangsom omdat de inspecteur niet tijdig op zijn bezwaar heeft beslist en hij de inspecteur hiervoor in gebreke heeft gesteld, waarna nog steeds niet op zijn bezwaar werd beslist. Eiser stelt dat hij de inspecteur op 6 oktober 2024 per e-mail in gebreke heeft gesteld omdat de beslistermijn op zijn bezwaar was verstreken. De inspecteur betwist dat hij deze e-mail heeft ontvangen. Per e-mail van 10 april 2025 heeft eiser de inspecteur (nogmaals) in gebreke gesteld. Hierover stelt de inspecteur dat hij niet in gebreke was, omdat de uitspraak op bezwaar op dat moment reeds gedaan was. 5.2. De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiser ligt om de verzending van de e-mail van 6 oktober 2024 met de ingebrekestelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Het afschrift van de e-mail dat eiser heeft overgelegd bevat geen informatie over de datum en het tijdstip waarop de verzending heeft plaatsgevonden. Het is bovendien onder andere door het onderwerpveld (“ [onderwerp] ”) niet duidelijk in welke context deze e-mail is verstuurd. Over de (tweede) ingebrekestelling die eiser op 10 april 2025 per e-mail naar de inspecteur heeft verstuurd, overweegt de rechtbank dat deze is verzonden nadat de uitspraak op bezwaar aan eiser bekend werd (zie 4.5.). 5.3. Omdat eiser de verzending van de ingebrekestelling van 6 oktober 2024 niet aannemelijk heeft gemaakt, is een dwangsom niet aan de orde. De inspecteur heeft namelijk uitspraak op bezwaar gedaan vóórdat eiser de inspecteur op 10 april 2025 in gebreke heeft gesteld. De inspecteur was ten tijde van die ingebrekestelling niet in verzuim in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Eiser kon de inspecteur dan ook niet (meer) rechtsgeldig in gebreke stellen. Dit betekent eiser geen aanspraak kan maken op toekenning van een dwangsom. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2022. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 in stand blijft. Ook heeft eiser geen recht op een dwangsom. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier. griffier rechter Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6:12 van de Awb. Artikel 6:7 van de Awb. Artikel 6:8 van de Awb.