Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-17
ECLI:NL:RBNNE:2026:1344
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,096 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1344 text/xml public 2026-04-28T12:46:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-17 18.269926.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 287 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1344 text/html public 2026-04-28T12:46:06 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1344 Rechtbank Noord-Nederland , 17-04-2026 / 18.269926.25 Veroordeling ter zake poging doodslag door met mes in buik te steken, overweging betrouwbaarheid verklaringen, noodweer(exces)verweer verworpen, gevangenisstraf, first offender. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18.269926.25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende aanknopingspunten uit het dossier naar voren komen dat verdachte willens en wetens het slachtoffer heeft willen doden. Er is geen sprake van vol opzet. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm wel worden aangemerkt als zozeer gericht op het teweegbrengen van de dood dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft met betrekking tot de tenlastelegging aangevoerd dat uit de voorhanden zijnde stukken niet volgt dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel noch dat de verwondingen tot de dood hadden kunnen leiden. Oordeel van de rechtbank betrouwbaarheid verklaringen Verdachte heeft verklaard dat er naast hemzelf, [slachtoffer] en zijn vriendin niemand anders op de hotelkamer aanwezig waren op het moment van het incident. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat zij anders dan door de verdachte is verklaard, in de kamer aanwezig waren op het moment van het handgemeen tussen verdachte en [slachtoffer] . Ook [slachtoffer] verklaart over hun aanwezigheid en rol op dat moment. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De getuigen hebben zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd welke in grote lijnen hetzelfde en consistent zijn. Verder heeft [slachtoffer] ook zichzelf niet gespaard en verklaard dat hij verdachte meermalen heeft geslagen. Daar staat tegenover dat de verklaring van verdachte niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. bewijsoverweging Op grond van de voorhanden zijnde stukken, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 11 oktober 2025 zich in een hotelkamer van de [hotel] te [plaats] bevond. [slachtoffer] bevond zich eveneens op die kamer. Er was onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] verdachte meermalen heeft geslagen. Op enig moment heeft verdachte [slachtoffer] in zijn buik gestoken met een mes. Dat [slachtoffer] in het mes van verdachte zou zijn gelopen, zoals verdachte heeft verklaard, schuift de rechtbank gelet op de getuigenverklaringen als onaannemelijk terzijde. poging tot doodslag Op basis van het voorliggende strafdossier is niet vast te stellen dat de verdachte vol opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven en overweegt daartoe het volgende. Voor voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door de gedragingen van verdachte zou overlijden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft met een mes [slachtoffer] in de buik gestoken. Hierbij is zowel de voor- als achterzijde van de maag geperforeerd, Steekwonden in de buik en met name perforaties van de maag kunnen indien deze niet operatief worden hersteld naar algemene ervaringsregels dodelijk zijn. Door met een mes te steken in de buik/ maag van [slachtoffer] heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor dodelijk geraakt zou worden. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte ter zitting van 3 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Op 11 oktober 2025 was ik op het feest in [plaats] . Later op de avond was ik op de hotelkamer. [slachtoffer] kwam naar onze hotelkamer. Ik werd in elkaar geslagen. Ik heb het mes uit mijn tas gepakt. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 oktober 2025, opgenomen op pagina 79 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025276906 van 2 januari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] : V: je bent bij de politie gekomen omdat je graag een verklaring af wil leggen over wat er op zaterdag 11 oktober 2025, op de [hotel] te [plaats] , gebeurd is. Klopt dat? A: Ja dat klopt. Ik werd vastgehouden door een man en de man die ik geslagen had en op de grond lag, werd ook vastgehouden door de andere man. De man die ik geslagen had en op de grond lag, kon loskomen. Hij kwam naar mij toe en stompte mij in de buik. Hij lag op de grond, hij stond op en liep naar mij toe terwijl ik vastgehouden werd. Hij deed zij rechterarm toen naar mij toe. Hij raakte mij in mijn buik. Ik voelde dat hij mij raakte. Pas toen ik uit de kamer was merkte ik dat ik gewond was. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2026, los opgenomen bij voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] : U zegt mij dat dat 11 oktober 2025 was.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1344 text/xml public 2026-04-28T12:46:59 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-17 18.269926.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Leeuwarden Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 287 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1344 text/html public 2026-04-28T12:46:06 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1344 Rechtbank Noord-Nederland , 17-04-2026 / 18.269926.25 Veroordeling ter zake poging doodslag door met mes in buik te steken, overweging betrouwbaarheid verklaringen, noodweer(exces)verweer verworpen, gevangenisstraf, first offender. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18.269926.25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende aanknopingspunten uit het dossier naar voren komen dat verdachte willens en wetens het slachtoffer heeft willen doden. Er is geen sprake van vol opzet. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm wel worden aangemerkt als zozeer gericht op het teweegbrengen van de dood dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft met betrekking tot de tenlastelegging aangevoerd dat uit de voorhanden zijnde stukken niet volgt dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel noch dat de verwondingen tot de dood hadden kunnen leiden. Oordeel van de rechtbank betrouwbaarheid verklaringen Verdachte heeft verklaard dat er naast hemzelf, [slachtoffer] en zijn vriendin niemand anders op de hotelkamer aanwezig waren op het moment van het incident. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat zij anders dan door de verdachte is verklaard, in de kamer aanwezig waren op het moment van het handgemeen tussen verdachte en [slachtoffer] . Ook [slachtoffer] verklaart over hun aanwezigheid en rol op dat moment. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De getuigen hebben zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd welke in grote lijnen hetzelfde en consistent zijn. Verder heeft [slachtoffer] ook zichzelf niet gespaard en verklaard dat hij verdachte meermalen heeft geslagen. Daar staat tegenover dat de verklaring van verdachte niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. bewijsoverweging Op grond van de voorhanden zijnde stukken, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 11 oktober 2025 zich in een hotelkamer van de [hotel] te [plaats] bevond. [slachtoffer] bevond zich eveneens op die kamer. Er was onenigheid tussen verdachte en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] verdachte meermalen heeft geslagen. Op enig moment heeft verdachte [slachtoffer] in zijn buik gestoken met een mes. Dat [slachtoffer] in het mes van verdachte zou zijn gelopen, zoals verdachte heeft verklaard, schuift de rechtbank gelet op de getuigenverklaringen als onaannemelijk terzijde. poging tot doodslag Op basis van het voorliggende strafdossier is niet vast te stellen dat de verdachte vol opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven en overweegt daartoe het volgende. Voor voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door de gedragingen van verdachte zou overlijden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft met een mes [slachtoffer] in de buik gestoken. Hierbij is zowel de voor- als achterzijde van de maag geperforeerd, Steekwonden in de buik en met name perforaties van de maag kunnen indien deze niet operatief worden hersteld naar algemene ervaringsregels dodelijk zijn. Door met een mes te steken in de buik/ maag van [slachtoffer] heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor dodelijk geraakt zou worden. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte ter zitting van 3 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Op 11 oktober 2025 was ik op het feest in [plaats] . Later op de avond was ik op de hotelkamer. [slachtoffer] kwam naar onze hotelkamer. Ik werd in elkaar geslagen. Ik heb het mes uit mijn tas gepakt. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 oktober 2025, opgenomen op pagina 79 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025276906 van 2 januari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] : V: je bent bij de politie gekomen omdat je graag een verklaring af wil leggen over wat er op zaterdag 11 oktober 2025, op de [hotel] te [plaats] , gebeurd is. Klopt dat? A: Ja dat klopt. Ik werd vastgehouden door een man en de man die ik geslagen had en op de grond lag, werd ook vastgehouden door de andere man. De man die ik geslagen had en op de grond lag, kon loskomen. Hij kwam naar mij toe en stompte mij in de buik. Hij lag op de grond, hij stond op en liep naar mij toe terwijl ik vastgehouden werd. Hij deed zij rechterarm toen naar mij toe. Hij raakte mij in mijn buik. Ik voelde dat hij mij raakte. Pas toen ik uit de kamer was merkte ik dat ik gewond was. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2026, los opgenomen bij voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] : U zegt mij dat dat 11 oktober 2025 was.
Volledig
Ik kwam die kamer binnen, samen met [slachtoffer] en [getuige 1] . [verdachte] was al in die kamer. Toen draaide [slachtoffer] naar [verdachte] . [slachtoffer] heeft [verdachte] weggeduwd en toen viel [verdachte] op de grond. [verdachte] viel richting mij en toen heb ik hem even gehouden. [verdachte] wilde toen ook opstaan en ik hield hem tegen. Om te voorkomen dat [verdachte] naar [slachtoffer] zou gaan. [verdachte] sloeg toen tegen de buik van [slachtoffer] aan. Toen pakte [slachtoffer] zijn buik en ging hij uit de kamer. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2026, los opgenomen bij voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : U houdt mij voor dat een andere getuige verklaart dat [verdachte] op de grond viel. U vraagt mij of ik dat ook heb gezien. Ja, [slachtoffer] heeft [verdachte] weggeduwd en toen viel [verdachte] op de grond. Het moment dat [verdachte] [slachtoffer] stak, duwde ik juist [slachtoffer] weg. U vraagt mij hoe ik dan stond tegenover van [slachtoffer] . Ik stond achter [slachtoffer] . Ik pakte [slachtoffer] vast om hem naar achteren te trekken, weg van [verdachte] . 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek persoon van 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant: Betrokkene Slachtoffer Achternaam : [slachtoffer] Voornamen : [slachtoffer] Geboortedatum : [geboortedatum] 1998 In het verslag van de forensisch arts las ik: Betrokkene is gezien op de SEH van het [ziekenhuis] op 11 oktober 2025 om 23.28 uur. Er was sprake van een diepe wond in de linker zijde van de buik. Bij de spoed- kijkoperatie in de buik op 12 oktober 2025 om 00.54 uur werd er bloed in de buikholte aangetroffen, en bleek er sprake van perforaties van zowel de voor- als achterwand van de maag. Het betreffen een viertal huidklievingen zoals een steek- of snijwond. Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 11 oktober 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, met een mes, in de buik, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Beroep op noodweer(exces) Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Om die reden dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. De raadsman heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt. Verdachte bevond zich in een hotelkamer waar [slachtoffer] binnen kwam. Het was een kleine ruimte. Verdachte kon deze ruimte niet verlaten omdat de weg geblokkeerd werd door [slachtoffer] . Verdachte heeft eerder die dag een flink aantal klappen gehad van [slachtoffer] en ook op de hotelkamer heeft [slachtoffer] verdachte geslagen. Het handelen van [slachtoffer] moet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte kon niet weg. Als laatste redmiddel heeft verdachte een mes gepakt waar [slachtoffer] in is gelopen. De raadsman heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat, zo er al sprake is van disproportionaliteit, de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging verklaarbaar en verontschuldigbaar is geweest vanuit de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Verdachte werd door [slachtoffer] aangevallen in een kleine hotelkamer nadat verdachte al eerder die dag klappen had gekregen van [slachtoffer] . Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Standpunt van de officier van justitie Er was geen sprake van een noodweersituatie. Verdachte heeft een mes gepakt op een moment dat er geen sprake was van een aanranding. Ook bij een dreigende aanranding had verdachte andere opties dan steken met een mes. Het steken met een mes in de buikstreek is buitenproportioneel. Ook van noodweerexces is bij het ontbreken van een aanranding en/of een noodweersituatie geen sprake en mocht worden aangenomen dat daar wel sprake van was en verdachte dus te laat of te intens heeft ingegrepen, dan is een hevige gemoedsbeweging door hem niet aannemelijk gemaakt, vooral niet nu sprake was van alcoholgebruik en ruzie door hém dus hij dit eventueel zelf heeft gecreëerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het noodweerverweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [slachtoffer] zich in een hotelkamer bevonden en dat er een fysieke confrontatie volgt waarbij verdachte meerdere malen is geslagen door [slachtoffer] . Verdachte en [slachtoffer] worden elk tegengehouden door de aanwezige getuigen waarbij verdachte op de grond is gevallen. Verdachte heeft, met dat hij opstond, een mes gepakt en [slachtoffer] met het mes in zijn buik gestoken. Op het moment dat verdachte zijn mes pakte, werd [slachtoffer] vastgehouden. Hierdoor, kan, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet worden gezegd dat er op dat moment nog sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De gedraging van verdachte, namelijk dat hij een mes pakt en [slachtoffer] daarmee steekt, kunnen in het verlengde daarvan niet worden aangemerkt als gerechtvaardigde verdedigingshandelingen. Het noodweerverweer wordt reeds om deze reden verworpen. Overigens had verdachte - op het moment dat hij het mes in handen had - ervoor kunnen kiezen om dreigend het mes naar [slachtoffer] op te houden en de kamer te verlaten, zodat in het geval nog wel sprake was van een noodweersituatie zijn handelen niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien: de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het steken tegenover de politie, de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter zitting niet veel verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat indien er al sprake zou zijn geweest van een gemoedsbeweging, deze niet als hevig valt aan te merken. De rechtbank verwerpt derhalve ook het beroep op noodweerexces. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Primair: poging tot doodslag. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Volledig
Ik kwam die kamer binnen, samen met [slachtoffer] en [getuige 1] . [verdachte] was al in die kamer. Toen draaide [slachtoffer] naar [verdachte] . [slachtoffer] heeft [verdachte] weggeduwd en toen viel [verdachte] op de grond. [verdachte] viel richting mij en toen heb ik hem even gehouden. [verdachte] wilde toen ook opstaan en ik hield hem tegen. Om te voorkomen dat [verdachte] naar [slachtoffer] zou gaan. [verdachte] sloeg toen tegen de buik van [slachtoffer] aan. Toen pakte [slachtoffer] zijn buik en ging hij uit de kamer. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2026, los opgenomen bij voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : U houdt mij voor dat een andere getuige verklaart dat [verdachte] op de grond viel. U vraagt mij of ik dat ook heb gezien. Ja, [slachtoffer] heeft [verdachte] weggeduwd en toen viel [verdachte] op de grond. Het moment dat [verdachte] [slachtoffer] stak, duwde ik juist [slachtoffer] weg. U vraagt mij hoe ik dan stond tegenover van [slachtoffer] . Ik stond achter [slachtoffer] . Ik pakte [slachtoffer] vast om hem naar achteren te trekken, weg van [verdachte] . 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek persoon van 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant: Betrokkene Slachtoffer Achternaam : [slachtoffer] Voornamen : [slachtoffer] Geboortedatum : [geboortedatum] 1998 In het verslag van de forensisch arts las ik: Betrokkene is gezien op de SEH van het [ziekenhuis] op 11 oktober 2025 om 23.28 uur. Er was sprake van een diepe wond in de linker zijde van de buik. Bij de spoed- kijkoperatie in de buik op 12 oktober 2025 om 00.54 uur werd er bloed in de buikholte aangetroffen, en bleek er sprake van perforaties van zowel de voor- als achterwand van de maag. Het betreffen een viertal huidklievingen zoals een steek- of snijwond. Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 11 oktober 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, met een mes, in de buik, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Beroep op noodweer(exces) Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Om die reden dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. De raadsman heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt. Verdachte bevond zich in een hotelkamer waar [slachtoffer] binnen kwam. Het was een kleine ruimte. Verdachte kon deze ruimte niet verlaten omdat de weg geblokkeerd werd door [slachtoffer] . Verdachte heeft eerder die dag een flink aantal klappen gehad van [slachtoffer] en ook op de hotelkamer heeft [slachtoffer] verdachte geslagen. Het handelen van [slachtoffer] moet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte kon niet weg. Als laatste redmiddel heeft verdachte een mes gepakt waar [slachtoffer] in is gelopen. De raadsman heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat, zo er al sprake is van disproportionaliteit, de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging verklaarbaar en verontschuldigbaar is geweest vanuit de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Verdachte werd door [slachtoffer] aangevallen in een kleine hotelkamer nadat verdachte al eerder die dag klappen had gekregen van [slachtoffer] . Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Standpunt van de officier van justitie Er was geen sprake van een noodweersituatie. Verdachte heeft een mes gepakt op een moment dat er geen sprake was van een aanranding. Ook bij een dreigende aanranding had verdachte andere opties dan steken met een mes. Het steken met een mes in de buikstreek is buitenproportioneel. Ook van noodweerexces is bij het ontbreken van een aanranding en/of een noodweersituatie geen sprake en mocht worden aangenomen dat daar wel sprake van was en verdachte dus te laat of te intens heeft ingegrepen, dan is een hevige gemoedsbeweging door hem niet aannemelijk gemaakt, vooral niet nu sprake was van alcoholgebruik en ruzie door hém dus hij dit eventueel zelf heeft gecreëerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het noodweerverweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [slachtoffer] zich in een hotelkamer bevonden en dat er een fysieke confrontatie volgt waarbij verdachte meerdere malen is geslagen door [slachtoffer] . Verdachte en [slachtoffer] worden elk tegengehouden door de aanwezige getuigen waarbij verdachte op de grond is gevallen. Verdachte heeft, met dat hij opstond, een mes gepakt en [slachtoffer] met het mes in zijn buik gestoken. Op het moment dat verdachte zijn mes pakte, werd [slachtoffer] vastgehouden. Hierdoor, kan, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet worden gezegd dat er op dat moment nog sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De gedraging van verdachte, namelijk dat hij een mes pakt en [slachtoffer] daarmee steekt, kunnen in het verlengde daarvan niet worden aangemerkt als gerechtvaardigde verdedigingshandelingen. Het noodweerverweer wordt reeds om deze reden verworpen. Overigens had verdachte - op het moment dat hij het mes in handen had - ervoor kunnen kiezen om dreigend het mes naar [slachtoffer] op te houden en de kamer te verlaten, zodat in het geval nog wel sprake was van een noodweersituatie zijn handelen niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien: de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het steken tegenover de politie, de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter zitting niet veel verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat indien er al sprake zou zijn geweest van een gemoedsbeweging, deze niet als hevig valt aan te merken. De rechtbank verwerpt derhalve ook het beroep op noodweerexces. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Primair: poging tot doodslag. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Volledig
Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan. Verdachte heeft voorafgaand aan het incident zelf een flink aantal klappen gekregen. Verdachte is first offender. De raadsman heeft verzocht een straf te bepalen gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke deel Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het adviesrapport van Reclassering Nederland van 18 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweld, dat heeft plaatsgevonden op een bruiloft, waarbij hij het slachtoffer met een mes in de buik heeft gestoken. Blijkens het dossier heeft het slachtoffer hier een geperforeerde maag door opgelopen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Hieraan kan niet afdoen dat het slachtoffer geen aangifte jegens verdachte heeft willen doen. Wel neemt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf mee dat de verdachte eerder en kort voor het gebeuren door het slachtoffer is mishandeld. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder in Nederland onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit het verhandelde ter zitting en het adviesrapport van de reclassering volgt dat verdachte vanuit Oekraïne is gevlucht. Verdachte beschikt over een baan en inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van het feit, een ernstig geweldsdelict, niet worden volstaan met een andere modaliteit dan een gevangenisstraf. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden geëist. Gelet op het aandeel van het slachtoffer en de nog jonge leeftijd van verdachte, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is geëist en ziet ze ook redenen om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Inbeslaggenomen goederen Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de drie inbeslaggenomen messen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De inbeslaggenomen handdoek kan teruggeven worden aan verdachte. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het mes welke is gebruikt bij het ten laste gelegde feit. Hij heeft verzocht om teruggave van de andere twee messen wegens het ontbreken van een relatie met het tenlastegelegde. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een multitool (goednummer PL0100-2025276906-1874183) vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp is waarmee het bewezen verklaarde feit is begaan en deze toebehoren aan verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten - een mes (goednummer PL0100-2025276906-1874030); - een keukenmes (goednummer PL0100-2025276906-1874028); - een handdoek (goednummer PL0100-2025276906-1874027), moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen multitool (goednummer PL0100-2025276906-1874183) Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten - een mes (goednummer PL0100-2025276906-1874030); - een keukenmes (goednummer PL0100-2025276906-1874028); - een handdoek (goednummer PL0100-2025276906-1874027). Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. O.F. Brouwer en mr. A. Dantuma - Hieronymus, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026. mr. A. Dantuma -Hieronymus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledig
Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan. Verdachte heeft voorafgaand aan het incident zelf een flink aantal klappen gekregen. Verdachte is first offender. De raadsman heeft verzocht een straf te bepalen gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke deel Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het adviesrapport van Reclassering Nederland van 18 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweld, dat heeft plaatsgevonden op een bruiloft, waarbij hij het slachtoffer met een mes in de buik heeft gestoken. Blijkens het dossier heeft het slachtoffer hier een geperforeerde maag door opgelopen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Hieraan kan niet afdoen dat het slachtoffer geen aangifte jegens verdachte heeft willen doen. Wel neemt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf mee dat de verdachte eerder en kort voor het gebeuren door het slachtoffer is mishandeld. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder in Nederland onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit het verhandelde ter zitting en het adviesrapport van de reclassering volgt dat verdachte vanuit Oekraïne is gevlucht. Verdachte beschikt over een baan en inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van het feit, een ernstig geweldsdelict, niet worden volstaan met een andere modaliteit dan een gevangenisstraf. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden geëist. Gelet op het aandeel van het slachtoffer en de nog jonge leeftijd van verdachte, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is geëist en ziet ze ook redenen om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Inbeslaggenomen goederen Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de drie inbeslaggenomen messen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De inbeslaggenomen handdoek kan teruggeven worden aan verdachte. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het mes welke is gebruikt bij het ten laste gelegde feit. Hij heeft verzocht om teruggave van de andere twee messen wegens het ontbreken van een relatie met het tenlastegelegde. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een multitool (goednummer PL0100-2025276906-1874183) vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp is waarmee het bewezen verklaarde feit is begaan en deze toebehoren aan verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten - een mes (goednummer PL0100-2025276906-1874030); - een keukenmes (goednummer PL0100-2025276906-1874028); - een handdoek (goednummer PL0100-2025276906-1874027), moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen multitool (goednummer PL0100-2025276906-1874183) Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten - een mes (goednummer PL0100-2025276906-1874030); - een keukenmes (goednummer PL0100-2025276906-1874028); - een handdoek (goednummer PL0100-2025276906-1874027). Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. O.F. Brouwer en mr. A. Dantuma - Hieronymus, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026. mr. A. Dantuma -Hieronymus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.