Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-17
ECLI:NL:RBNNE:2026:1233
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,309 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1233 text/xml public 2026-04-17T08:49:29 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-17 26/647 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1233 text/html public 2026-04-17T08:48:51 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1233 Rechtbank Noord-Nederland , 17-03-2026 / 26/647 Vovo. PW. Intrekking en beëindiging. Spoedeisend belang is niet aannemelijk gemaakt. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/647 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [plaats], verzoekster (gemachtigde: mr. B. van Dijk), en het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, het college (gemachtigde: mr. V. Djordjevic). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Verzoekster ontving sinds 1 januari 2016 algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). 1.2. Het college heeft bij besluit van 17 februari 2026 de bijstand vanaf 21 mei 2025 tot en met 31 december 2025 ingetrokken en beëindigd vanaf 1 januari 2026. 1.3. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.1. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan worden aangenomen als door het bestreden besluit een betrokkene schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. 3.2. Met een brief van 11 maart 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan verzoekster gevraagd naar het spoedeisend belang en dat te onderbouwen met objectieve en verifieerbare stukken. Ook is gevraagd of verzoekster inmiddels opnieuw bijstand heeft aangevraagd. Uit verzoeksters reactie blijkt het volgende. Ze heeft op 11 maart 2026 bijstand per 9 maart 2026 aangevraagd. Zij heeft een positief, zij het gering, saldo op haar betaal- en spaarrekening. Uiterlijk 30 mei 2026 dient ze de gemeentelijke belastingen van € 545,70 te betalen. Op 10 februari 2026 had ze de huur voor februari 2026 voor haar woning nog niet betaald. Tot slot had verzoekster op 5 maart 2026 een achterstand van € 24,43 aan Odido. 3.3. Dat sprake is van een spoedeisend belang zoals bedoeld in 3.1 volgt niet uit wat verzoekster in dat kader naar voren heeft gebracht. Verzoekster heeft daartoe onvoldoende gegevens overgelegd. Hoewel verzoekster sinds januari 2026 geen uitkering heeft ontvangen, is haar banksaldo positief. Haar betalingsachterstand aan Odido is gering. De gemeentelijke belastingen hoeft ze nog niet betalen. Dat op 10 februari 2026 een huurachterstand bestond, betekent niet dat deze in maart nog bestaat of opgelopen is. Verzoekster heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat ze een actuele huurachterstand heeft. 3.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door haar zou kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat ook niet is gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Conclusie en gevolgen 4. Hieruit volgt dat wegens het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1233 text/xml public 2026-04-17T08:49:29 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-17 26/647 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1233 text/html public 2026-04-17T08:48:51 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1233 Rechtbank Noord-Nederland , 17-03-2026 / 26/647 Vovo. PW. Intrekking en beëindiging. Spoedeisend belang is niet aannemelijk gemaakt. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/647 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [plaats], verzoekster (gemachtigde: mr. B. van Dijk), en het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, het college (gemachtigde: mr. V. Djordjevic). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Verzoekster ontving sinds 1 januari 2016 algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). 1.2. Het college heeft bij besluit van 17 februari 2026 de bijstand vanaf 21 mei 2025 tot en met 31 december 2025 ingetrokken en beëindigd vanaf 1 januari 2026. 1.3. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.1. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan worden aangenomen als door het bestreden besluit een betrokkene schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. 3.2. Met een brief van 11 maart 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan verzoekster gevraagd naar het spoedeisend belang en dat te onderbouwen met objectieve en verifieerbare stukken. Ook is gevraagd of verzoekster inmiddels opnieuw bijstand heeft aangevraagd. Uit verzoeksters reactie blijkt het volgende. Ze heeft op 11 maart 2026 bijstand per 9 maart 2026 aangevraagd. Zij heeft een positief, zij het gering, saldo op haar betaal- en spaarrekening. Uiterlijk 30 mei 2026 dient ze de gemeentelijke belastingen van € 545,70 te betalen. Op 10 februari 2026 had ze de huur voor februari 2026 voor haar woning nog niet betaald. Tot slot had verzoekster op 5 maart 2026 een achterstand van € 24,43 aan Odido. 3.3. Dat sprake is van een spoedeisend belang zoals bedoeld in 3.1 volgt niet uit wat verzoekster in dat kader naar voren heeft gebracht. Verzoekster heeft daartoe onvoldoende gegevens overgelegd. Hoewel verzoekster sinds januari 2026 geen uitkering heeft ontvangen, is haar banksaldo positief. Haar betalingsachterstand aan Odido is gering. De gemeentelijke belastingen hoeft ze nog niet betalen. Dat op 10 februari 2026 een huurachterstand bestond, betekent niet dat deze in maart nog bestaat of opgelopen is. Verzoekster heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat ze een actuele huurachterstand heeft. 3.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door haar zou kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat ook niet is gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Conclusie en gevolgen 4. Hieruit volgt dat wegens het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.