Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-09
ECLI:NL:RBNNE:2026:1119
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/914 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.W. Hilbrands), en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsamtenaar van 21 januari 2025. 1.1. Aan eiseres is een legesaanslag opgelegd van € 91.523,23 in verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning. 1.2. De heffingsamtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.3. De heffingsamtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft bij bericht van 12 februari 2026 partijen een aantal punten voorgelegd die betrekking hebben op de bevoegdheid van zowel het bestuursorgaan dat de legesaanslag heeft opgelegd als het bestuursorgaan dat uitspraak heeft gedaan op het bezwaar. De rechtbank heeft partijen gevraagd daarover een standpunt in te nemen. 1.5. Eiseres heeft op 19 februari 2026 gereageerd op het verzoek van de rechtbank. 1.6. De heffingsambtenaar heeft op 20 februari 2026 gereageerd op het verzoek van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft daarbij een aantal nadere stukken overgelegd. 1.7. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres bijgestaan door [naam 2] (kantoorgenoot), [naam 3] en [naam 4] (bestuurders van eiseres), en de gemachtigde van de heffingsambtenaar bijgestaan door [naam 5] en [naam 6] . Feiten 2.1. Eiseres heeft met dagtekening 20 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor bouwactiviteiten en uitwegactiviteiten. 2.2. Met dagtekening 13 december 2023 is aan eiseres de verzochte omgevingsvergunning verleend. 2.3. Bij e-mail van 25 juli 2024 van afdeling Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) van de gemeente Groningen is aan eiseres een aanslag leges verzonden die ziet op de vergunningsaanvraag van 20 september 2023. De legesaanslag luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “ U hebt op 20 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor [adres 1] en [adres 2] . Het betreft het plaatsen van een [bedrijf] . Leges Wij behandelen uw aanvraag en brengen hiervoor de volgende kosten in rekening, ook wel leges genoemd: Bouwkosten (excl. BTW): € 2.242.739,00 Leges bouwactiviteit art 2.1 lid 1 onder a Wabo (GBA) € 91.215,49 Leges uitwegactiviteit (GII) € 307,74 Totaal leges: € 91.523,23 U ontvangt hiervoor binnenkort een factuur. (…)Aanvullende informatie over de bouwkosten Wij hebben gevraagd een document aan te leveren over de bouwkosten zodat wij de bouwleges kunnen vaststellen. Wij hebben dit document ontvangen en beoordeeld. Wij gaan echter niet akkoord met de extra ontvangen gegevens. Als gevolg hiervan hebben wij zelf de bouwkosten vastgesteld op basis van kengetallen en ervaringscijfers. Wij verwijzen u hiervoor naar: - Verordening op de heffing en invordering van leges 2023 (zie link) - Kengetallen toetsing bouwkosten (zie link) Bezwaar Als u van mening bent dat het legesbedrag niet klopt, kunt u schriftelijk bezwaar maken. Dit dient u binnen zes weken na de datum van deze brief te doen. Stuur uw ondertekende bezwaarschrift naar: Noordelijk Belastingkantoor, Postbus 88, 9700 AB Groningen. Tevens adviseren we u om bij uw bezwaar gelijk uitstel van betaling aan te vragen. (…) Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Groningen, namens hen, directeur Ruimtelijk Beleid & Ontwerp, namens deze, [naam 7] , [functie 1] ” 2.4. Het bericht van de rechtbank van 12 februari 2026 aan partijen (zie 1.4.) luidt als volgt: “ De rechtbank vraagt uw aandacht voor het volgende. Bij de bestudering van het dossier zijn een aantal formeelrechtelijke punten naar voren gekomen die zien op (mogelijke) bevoegdheidsproblemen bij de totstandko Aanwijzing heffings- en invorderingsambtenaar De directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp wordt aangewezen als de heffings- en invorderingsambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en c, van de Gemeentewet, voor zover het betreft:* - De leges als bedoeld in titel 1, hoofdstukken 7, 8 en 12, titel 2 en titel 3, hoofdstuk 4 van de tarieventabel behorend bij de Legesverordening. In het ‘Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp 2023’ Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp 2023 | Lokale wet- en regelgeving https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR692942/1. is het volgende opgenomen: Bevoegdheid Vindplaatsbevoegdheid Ondermandaat aan 8. Invorderings- en heffingsbevoegdheid leges Artikel 19 Algemeen Mandaatbesluit Afdelingshoofd Teamleider Gelet hierop zijn zowel de directeur Ruimtelijk Beleid als ook [naam 7] [functie 1] bevoegd tot opleggen van de legesaanslag. Hierboven sprak ik van een brief. De legesaanslag maakt onderdeel uit van deze brief. Het is een brief vanuit de afdeling VTH met betrekking tot (de afronding van de aanvraag van) een omgevingsvergunning. Bevestigd wordt door Burgemeester en Wethouders dat een vergunning is aangevraagd en dat hiervoor leges in rekening worden gebracht. Onderdeel van de brief is de legesaanslag en de daarbij behorende bezwaar mogelijkheid. Hoewel het woord ‘namens’ hier erg ongelukkig is met betrekking tot de legesaanslag, ben ik van mening dat deze door een bevoegd heffingsambtenaar is vastgesteld. De mening dat de aanslag is opgelegd door een met betrekking tot de aanslagoplegging ‘onbevoegd bestuursorgaan’, het College van Burgemeester en Wethouders deel ik dan ook niet. Dat gezegd hebbende is besloten de aanslag zoals is opgelegd door de bevoegd heffingsambtenaar te laten bekrachtigen. Ik verwijs naar de bijlage. Tevens treft u als bijlage een toelichting aan inzake de bouwkosten waarop ter zitting een nadere toelichting zal worden gegeven. Met vriendelijke groet, Namens de heffingsambtenaar, [naam 8] [functie 2] Bijlagen: Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Uitvoering gemeente Groningen 2023 Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp 2023 Bekrachtiging aanslag Toelichting bouwkosten ” Beoordeling door de rechtbank 3. Ter zake van zijn bevoegdheid heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift hyperlinks opgenomen naar de volgende regelingen: - Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2022 (hierna: het directiemandaat 2022); - Mandaatbesluit belastingen Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2024 (hierna: het mandaatbesluit 2024); - Gemeenschappelijke regeling Noordelijk Belastingkantoor (hierna: de gemeenschappelijke regeling); - Aanwijzingsbesluit WOZ-ambtenaar, heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingambtenaren en belastingdeurwaarder (hierna: het aanwijzingsbesluit). 4. Het directiemandaat 2022 waarnaar de heffingsambtenaar verwijst is vervallen per 11 juli 2023. Ten tijde van het opleggen van de legesaanslag gold het Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2023. Vanaf 4 oktober 2024 is het Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2024 geldend (hierna: het directiemandaat 2024). In al deze besluiten wordt door het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Groningen de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp aangewezen als de heffings- en invorderingsambtenaar voor (onder meer) leges als bedoeld in titel 2 van de Legesverordening. 5. In het mandaatbesluit 2024 besluit de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp aan de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor mandaat te verlenen tot het doen van uitspraak op bez Om het bevoegdheidsgebrek ten aanzien van de legesaanslag te repareren heeft de heffingsambtenaar (van het Noordelijk Belastingkantoor) bij zijn reactie van 20 februari 2026 een op 19 februari 2026 gedagtekende brief overgelegd, afkomstig van [naam 9] , directeur Ruimtelijk Beleid en Ontwerp van de gemeente Groningen. In die brief schrijft [naam 9] dat hij, in zijn hoedanigheid van heffingsambtenaar, voor zover nodig de legesaanslag bekrachtigt. Ter zitting is deze bekrachtiging met partijen besproken. De rechtbank is, met partijen, van oordeel dat hiermee het aan de legesaanslag klevende bevoegdheidsgebrek is geheeld. 14. De heffingsambtenaar heeft in zijn brief van 20 februari 2026 niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een standpunt in te nemen ten aanzien van zijn (on)bevoegdheid om uitspraak op het bezwaar te doen. 15. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar gesteld dat hij wel bevoegd was om op het bezwaar te beslissen. De heffingsambtenaar heeft daarvoor de volgende redenering. De directeur van het Noordelijk Belastingkantoor is op grond van de gemeenschappelijke regeling bevoegd om een heffingsambtenaar aan te wijzen. Dat heeft hij ook gedaan. Daarom was de heffingsambtenaar ook bevoegd om op het bezwaar te beslissen. 16. De rechtbank ziet dit anders. Anders dan de heffingsambtenaar stelt is de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor niet bevoegd om de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor aan te wijzen. Die bevoegdheid rust op grond van artikel 14 van de gemeenschappelijke regeling bij het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor (waar de directeur geen onderdeel van uitmaakt). Voorts kan een heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor uit hoofde van zijn aanwijzing als heffingsambtenaar enkel bevoegd zijn ter zake van heffingen die aan het Noordelijke Belastingkantoor zijn overgedragen. Voor zover uit de stukken volgt is dat niet het geval voor leges behorend bij titel 2 behorend bij de Legesverordening. 17. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. De directeur van het Noordelijk Belastingkantoor is bevoegd om op het bezwaar van eiseres te beslissen. Voor zover uit de stukken volgt heeft hij heeft die bevoegdheid niet gemandateerd aan de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. De heffingsambtenaar is ook anderszins niet bevoegd om uitspraak te doen op het bezwaar. De uitspraak op bezwaar is daarom gedaan door een bestuursorgaan dat daar niet toe bevoegd was. Gelet daarop ziet de rechtbank zich genoodzaakt de uitspraak op bezwaar te vernietigen. 18. De rechtbank heeft geen mogelijkheid gezien om de onbevoegdheid van de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor te passeren of er op enige manier een mouw aan te passen. Daarvoor was ten minste de betrokkenheid van het wel bevoegde bestuursorgaan nodig. Aan het verzoek van de rechtbank om er zorg voor te dragen dat bij de zitting een persoon aanwezig zou zijn die bevoegd is om te beslissen over de legesaanslag (zie 2.4.), heeft de heffingsambtenaar echter geen gehoor gegeven. 19. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat eiseres het bezwaar wel naar het juiste postadres gezonden heeft, namelijk aan het Noordelijk Belastingkantoor. Het bezwaar had aldaar echter opgepakt moeten worden door de directeur, en niet door de heffingsambtenaar. Dat zal alsnog moeten gebeuren. 20. De rechtbank merkt tot slot op dat zij bij deze stand van zaken geen inhoudelijk oordeel kan geven over de legesaanslag. De rechtbank spreekt evenwel haar hoop uit dat de inhoudelijke bespreking van de geschilpunten op de zitting een bijdrage zal leveren aan een vruchtbare bezwaarprocedure. Conclusie en gevolgen 21. De uitspraak op bezwaar moet vernietigd worden omdat die gedaan is door een bestuursorgaan dat daartoe niet bevoegd was. Het beroep is daarom gegrond. Het bevoegde bestuursorgaan zal alsnog op het bezwaar moeten beslissen. 22. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsamtenaar het griffierecht aan eiseres verg