Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-20
ECLI:NL:RBNNE:2026:109
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1245 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen Mood Company B.V., uit Emmen, eiseres, en de burgemeester van de gemeente Emmen, (gemachtigden: mr. N. Dimitroff en mr. K. Croezen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de burgemeester om aan eiseres een Alcoholwetvergunning te verlenen voor de uitoefening van een online slijtersbedrijf. De burgemeester heeft de vergunning geweigerd, omdat volgens hem geen sprake is van de uitoefening van een slijtersbedrijf in een inrichting als bedoeld in de Alcoholwet. Volgens de burgemeester is voor de online verkoop van sterke drank een winkel met baliefunctie nodig en die heeft eiseres niet. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgmeester de Alcoholwetvergunning niet mocht weigeren vanwege het ontbreken van een winkel met baliefunctie. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat de kern van het geschil en onder 4 het toetsingskader. De standpunten van partijen staan onder 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een Alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 30 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft hierop gereageerd. Partijen hebben aanvullende stukken gestuurd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [bestuurder], bestuurder van eiseres, samen met zijn adviseur [adviseur], en de gemachtigden van de burgemeester. 2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiseres heeft een vergunning aangevraagd voor het online verkopen van sterke drank. Zij heeft hiervoor een magazijn op het adres [adres]. Van daaruit wil zij de bestellingen naar klanten verzenden. In deze zaak staat de vraag centraal of de burgemeester terecht heeft geweigerd om aan eiseres een Alcoholwetvergunning te verlenen, omdat eiseres alleen een magazijn zonder baliefunctie heeft en geen fysieke winkel. Wat staat in de Alcoholwet? 4. De Alcoholwet (voorheen Drank- en Horecawet (DHW)) geeft regels voor horecabedrijven en slijterijen. Deze regels zijn ingesteld uit sociaal-hygiënisch en sociaal-economisch oogpunt. Zonder Alcoholwetvergunning is het verboden om het slijtersbedrijf uit te oefenen. 4.1. Artikel 7, tweede lid, van de Alcoholwet bepaalt dat geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van het slijtersbedrijf anders dan in een inrichting. Artikel 19, eerste lid, van de Alcoholwet bepaalt dat het verboden is, anders dan in de rechtmatige uitoefening van verkoop op afstand door een slijtersbedrijf of in de uitoefening van het partijen-cateringbedrijf gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen voor sterke drank en sterke drank op bestelling af te leveren of te doen afleveren aan huizen van particulieren. Artikel 27, eerste lid, onder d, van de Alcoholwet bepaalt d De voorraad bevindt zich op [adres] en wordt aan de klanten geleverd door een vervoersbedrijf dat wordt ingeschakeld door eiseres. Deze activiteit voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de definitie van het uitoefenen van het slijtersbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016. Daarin overweegt de Afdeling: “Uit de door de rechtbank aangehaalde geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, eerste lid, van de Dhw kan worden afgeleid dat bij een slijtersbedrijf het begrip 'verstrekken' verband houdt met 'verkopen'. Omdat de wetgever niet bepalend wilde laten zijn waar de koopovereenkomst wordt gesloten, is gekozen voor het begrip 'verstrekken'. Die keuze laat onverlet dat het verstrekken van sterke drank bij de uitoefening van het slijtersbedrijf impliceert dat doorgaans eerst een koopovereenkomst is gesloten, waarna de slijter de gekochte sterke drank uit zijn voorraad aan de koper verstrekt. In de definitie van slijtersbedrijf in artikel 1, eerste lid, van de Dhw moeten de woorden "aan particulieren verstrekken van sterke drank" daarom ook worden bezien in samenhang met de daaraan voorafgaande woorden "bedrijfsmatig of anders dan om niet". Voor het uitoefenen van het slijtersbedrijf is derhalve vereist dat het verstrekken van sterke drank tot de bedrijfsuitoefening behoort dan wel dat de verstrekker daarvoor wordt betaald door degene aan wie de sterke drank wordt verstrekt.” Daarvan is sprake in het geval van eiseres. 7.1. In het bestreden besluit heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat bij het ‘verstrekken’ van sterke drank sprake moet zijn van een fysieke handeling, waarbij de verkrijgende consument in de winkel dient af te rekenen. Dit leidt de burgemeester onder meer af uit het Handboek Alcoholwet. De burgemeester heeft verder nog verwezen naar de Nota van toelichting bij het Alcoholbesluit en naar voorlichtingsinformatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en van de gemeente Almere. Hieruit leidt de burgemeester af dat het niet mogelijk is om enkel online (zonder fysieke winkel) het slijtersbedrijf uit te oefenen. 7.1.1. De rechtbank volgt de uitleg van de Alcoholwet door de burgemeester niet. Bij de uitleg van de wet is de tekst en systematiek van de wettelijke bepaling leidend en kan verder betekenis toekomen aan de bedoeling van de wetgever. Die bedoeling kan blijken uit de wetsgeschiedenis. Uit de tekst, de systematiek en de geschiedenis van de Alcoholwet blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat bij ‘verstrekken’ van sterke drank altijd sprake moet zijn van een fysieke handeling waarbij in een winkel moet worden afgerekend. De rechtbank acht daarbij allereerst de betekenis van ‘verstrekken’ in het normale spraakgebruik van belang. Volgens het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal betekent verstrekken (onder meer) ‘uitreiken aan’ maar ook ‘verschaffen’. Een lening, een subsidie of gegevens kunnen ook verstrekt worden. De rechtbank leidt hieruit af dat ‘verstrekken’ in het normale spraakgebruik niet altijd een fysieke handeling inhoudt. 7.1.2. De rechtbank acht verder de wetsgeschiedenis van belang. Bij de invoering van de DHW werd onder de uitoefening van het slijtersbedrijf verstaan ‘ het bedrijfsmatig aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse (…)’. Uit de Memorie van Toelichting van de DHW volgt dat toen gekozen is voor het feitelijke begrip ‘verstrekken’ omdat in een gebouw alleen mag worden gesleten in de lokaliteiten die in de vergunning zijn vermeld. Het doel was om aan de lokaliteiten vanuit sociaal-hygiënisch oogpunt eisen te kunnen stellen. Omdat het mogelijk moest zijn om telefonisch een bestelling te plaatsen bij een slijter, waarvan het telefoontoestel zich niet in de slijtlokaliteit bevond, werd gekozen voor het begrip ‘verstrekken’ in plaats van ‘verkopen’. Hieruit volgt dat de wetgever op dat moment ‘verstrekk Naar het oordeel van de rechtbank kan (een deel van) een afsluitbare loods, van waaruit de bestelling van de klant uit de voorraad van de verkoper kan worden overhandigd aan de bezorgdienst, zoals eiseres ook beoogt te doen, ook onder deze definitie vallen. 8. Deze beroepsgrond slaagt. Eiseres beschikt over een inrichting in de zin van de Alcoholwet 9. De burgemeester heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres volgens de burgemeester niet beschikt over een inrichting. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres beschikt over een fysieke ruimte waar zij haar voorraad sterke drank wenst te bewaren en dat zij van daaruit deze sterke drank wil laten bezorgen bij particulieren. Een inrichting is volgens de Alcoholwet één of meer besloten ruimtes waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat de aanvraag van eiseres de uitoefening van het slijtersbedrijf betreft. In de definitie van het begrip ‘inrichting’ is verder niet vermeld dat klanten de besloten ruimtes in de inrichting moeten kunnen bezoeken. Deze besloten ruimte vormt een wezenlijk element van de bedrijfsactiviteiten van eiseres als (online) slijterij. Er is daarmee naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ‘inrichting’ in de zin van de Alcoholwet. 9.1. De burgemeester heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift verwezen naar uitspraken van de Afdeling. De overwegingen van de Afdeling bieden ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een inrichting als die van eiseres steeds ook moet beschikken over een fysieke winkel. Over de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2016 overweegt de rechtbank dat deze uitspraak ging over de vraag of een supermarkt en de daarin gevestigde slijterij samen één inrichting vormen. Daarop spitsten zich de overwegingen van de Afdeling ook toe. Het ging in deze zaak niet om verkoop op afstand met een webwinkel. De burgemeester heeft ook verwezen naar de eerder genoemde uitspraak over DPD. Ook deze zaak ging niet over de vraag of een baliefunctie vereist is voor het hebben van een slijtersbedrijf en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak ging over de vraag of een pakketbezorger (DPD) kon worden gezien als slijtersbedrijf. Het antwoord daarop was nee, omdat de pakketbezorger de sterke drank niet op voorraad had of zelf verkocht. De verwijzing van de burgemeester naar rechtsoverweging 6 van de DPD-uitspraak ondersteunt zijn redenering niet. Deze overweging is een samenvatting van de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en geen overweging van de Afdeling. 10. Deze beroepsgrond slaagt. Tussenconclusie 11. De rechtbank concludeert dat de burgemeester de vergunning niet heeft mogen weigeren, omdat eiseres geen fysieke winkel met baliefunctie heeft. Dat eiseres niet beschikt over een fysieke winkel met baliefunctie betekent niet dat zij niet beschikt over een inrichting. Er is daarom geen strijd met artikel 7, tweede lid, van de Alcoholwet. Ook is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Alcoholwet. De aanvraag van eiseres kan daarom niet onder verwijzing naar deze grondslagen worden geweigerd op grond van artikel 27. Dat heeft de burgemeester in het bestreden besluit niet onderkend. Het bestreden besluit moet worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overige beroepsgronden 12. Omdat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen wegens een onjuiste uitleg door de burgemeester van de Alcoholwet, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op het beoordelingskader uit de Alcoholwet geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. 13.1. De rechtbank be