Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-31
ECLI:NL:RBNNE:2026:1039
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,040 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNNE:2026:1039 text/xml public 2026-04-01T09:00:28 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-31 26-698 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1039 text/html public 2026-03-31T16:54:57 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1039 Rechtbank Noord-Nederland , 31-03-2026 / 26-698 voorlopige voorziening, geen spoedeisend belang, geen financiele noodzaak. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/698 uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren, (gemachtigde: mr. K. Timmer). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de invorderingsbesluiten van 17 en 24 februari 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen door de invorderingsbesluiten te schorsen.en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter vindt dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Bij besluit van 24 juni 2020 heeft het college aan verzoekster een omgevingsvergunning verleend om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het uitbreiden nevenactiviteiten. 3. Bij besluit van 28 november 2025 heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik in strijd met de verleende omgevingsvergunning. 3.1. Tegen dit besluit is door verzoekster bezwaar gemaakt . Het college heeft nog niet beslist op het bezwaar. 3.2. De voorzieningenrechter heeft een verzoek tot schorsing van het dwangsombesluit bij uitspraak van 23 december 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:5497) afgewezen 4. Bij besluit van 17 februari 2026 heeft het college een dwangsom ingevorderd met een bedrag van € 2.500,- (eerste invorderingsbesluit). 4.1. Aan het eerste invorderingsbesluit is een controle ten grondslag gelegd op 31 januari 2026. Daarbij is geconstateerd dat verzoekster op de percelen 530 en 1047 producten verkoopt die niet productiegebonden zijn. 4.2. Bij brief van 3 februari 2026 heeft het college verzoekster bericht voornemens te zijn een dwangsom in te vorderen met betrekking tot overtreding van de last op 31 januari 2026. Bij brief van 6 februari 2026 heeft verzoekster van die gelegenheid gebruik gemaakt. 4.3. Tegen het eerste invorderingsbesluit is door verzoeker bezwaar gemaakt op 20 februari 2026. 5. Bij het besluit van 24 februari 2026 heeft het college een dwangsom ingevorderd met een bedrag van € 5000,-. (tweede invorderingsbesluit). 5.1. Aan het tweede invorderingsbesluit liggen controles ten grondslag die zijn uitgevoerd op 5 en 7 februari 2026. Daarbij is wederom geconstateerd dat verzoekster op de percelen 530 en 1047 producten verkoopt die niet productiegebonden zijn. 5.2. Bij brief van 10 februari 2026 heeft het college aan verzoekster het voornemens bekend gemaakt tot het nemen van het tweede invorderingsbesluit. Bij brief van 16 februari 2026 heeft verzoekster een zienswijze ingediend. 5.3. Tegen het tweede invorderingsbesluit is door verzoekster bezwaar gemaakt op 2 maart 2026. 6. Bij brief van 3 maart 2026 heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Daarin wordt de voorzieningenrechter verzocht de lasten onder dwangsom te schorsen, het invorderingsbesluit te schorsen, verdere invorderings- en handhavingsmaatregelen op te schorten en om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Bij het verzoek zijn het eerste en het tweede invorderingsbesluit gevoegd, alsmede de daartegen ingediende bezwaarschriften. 7. Bij besluiten van 3 maart 2026 en 13 maart 2026 heeft het college opnieuw invorderingsbesluiten genomen, elk met een bedrag van € 5.000,- (derde en vierde invorderingsbesluit). 7.1. Bij brief van 20 maart 2026 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend tegen de invorderingsbesluiten van 17 februari 2026, 24 februari 2026, 3 maart 2026 en 13 maart 2026. 8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen voor verzoekster [naam 1] . Voor het college hebben deelgenomen [naam 2] en gemachtigde mr. Timmer. Beoordeling door de voorzieningenrechter Omvang van het geding 9. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening in deze procedure alleen betrekking heeft op het eerste en tweede invorderingsbesluit, van respectievelijk 17 en 24 februari 2026. Daarbij heeft het college bedragen van respectievelijk € 2.500,- en € 5.000,- ingevorderd 9.1. Ter zitting heeft verzoekster bevestigd dat het verzoek geen betrekking heeft op het besluit tot opleggen van de last onder dwangsom van 28 november 2025. 9.2. Het derde en vierde invorderingsbesluit zijn genomen na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek kan daarom geen betrekking hebben op deze invorderingsbesluiten van 3 en 13 maart 2026. Ten aanzien van het spoedeisend belang 10. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 10.1. In het verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster gesteld dat de uitvoering van de last zou leiden tot structurele aantasting van het bedrijfsmodel, substantiële financiële schade, een reëel risico op beëindiging van de onderneming, druk op het gezin en verlies van werkgelegenheid en banen. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting nog aangegeven dat zij als gevolg van de last onder dwangsom en de invorderingsbesluiten het bedrijfsconcept heeft moeten wijzigen en grond heeft moeten verkopen. 10.2. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang dat noopt tot schorsing van de invorderingsbesluiten. Daarbij overweegt hij het volgende. 10.2.1. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de gevolgen van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 28 november 2025 en de gevolgen van de invorderingsbesluiten waar deze procedure betrekking op heeft. De door verzoekster geschetste gevolgen, waaronder de gevolgen voor het bedrijfsconcept, zijn primair een gevolg van de opgelegde last en niet van de invorderingsbesluiten. 10.2.2. Het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot invordering van verbeurde dwangsommen is gelet op de aard van de invorderingsbesluiten een financieel belang. Het is vaste rechtspraak dat een louter financieel belang in beginsel geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. De financiële gevolgen van een besluit kunnen immers ongedaan gemaakt worden als later blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Wel kan er aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen als aannemelijk is dat verzoekster anders in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen. 10.2.3. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster in een financiële noodsituatie komt als zij de verbeurde dwangsommen moet betalen. Verzoekster heeft dit op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. De ter zitting gestelde (noodzaak tot) verkoop van grond als gevolg van deze invorderingsbesluiten is niet onderbouwd. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat is aangegeven dat de omzet van de nevenactiviteiten minder dan 10% van de omzet van het gehele agrarische bedrijf uitmaakt. De omzet van de winkel is daarvan een klein onderdeel. Conclusie en gevolgen 11.