Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-12-08
ECLI:NL:RBNNE:2025:5888
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3753 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân , het college (gemachtigden: M.F. Bruining en E.E. van der Pal). Als derde-partij neemt aan het geding deel Autobedrijf S.S. Sypersma B.V. te Easterwierrum. Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van reclame op een overkapping van een pompeiland, het plaatsen van een prijzenbord, het veranderen van de carwash en het wijzigen van het gebruik van een deel van de gronden op het perceel Dilledyk 1 te Easterwierrum (het perceel). In het besluit van 30 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is S.S. Sypersma verschenen. Overwegingen 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 1.1. De aanvraag is ingediend op 22 augustus 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Feiten en omstandigheden 2. Eiser is eigenaar van het perceel [adres] , gelegen aan de overzijde van het perceel. Vanuit zijn woning heeft hij zicht op het perceel. 2.1. Derde-partij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van een reeds bestaande carwash, de op de overkapping van het pompeiland aangebrachte reclame en een prijzenbord. 2.2. Met het primaire besluit heeft het college deze vergunning verleend. Met het bestreden besluit heeft het college de motivering van de verleende omgevingsvergunning aangepast. 2.3. Ten tijde van het bestreden besluit gold voor het perceel het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest Fryslân II’ (het bestemmingsplan). Op het perceel rustte , voor zover hier relevant, de bestemming ‘Bedrijf’ met ter plaatse van het prijzenbord de bouwaanduiding ‘specifiek bouwaanduiding – afwijkende bouwhoogte’. Omvang geding 3. Eiser gaat in het beroep niet alleen in op het bestreden besluit. Hij voert ook het nodige aan over de vaststelling van het bestemmingsplan en de totstandkoming van een eerdere vergunning in 2014, over handhaving en hoe hij behandeld is door het college. In deze procedure ligt de vraag voor of het bestreden besluit rechtmatig is. De rechtbank zal daarover oordelen. 3.1. De beroepsgronden die gaan over de vaststelling van het bestemmingsplan kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Ten tijde van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan. Partijen hebben op zitting toegelicht dat over dat bestemmingsplan nog een beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aanhangig was. Dat betekent echter niet dat het bestemmingsplan niet in werking was getreden. Het college heeft de aanvraag aan dit bestemmingsplan getoetst. Dat is ook terecht. 3.2. De gronden die eiser aanvoert over het bestemmingsplan kunnen aan de orde komen in het beroep bij de Afdeling. De rechtbank beoordeelt deze niet in deze beroepszaak. Ook over de vergunning die in 2014 is verleend, kan de rechtbank geen oordeel geven. Daarover gaat deze beroepsprocedure niet. Dat geldt ook voor handhaving(sproced Volgens eiser is deze hoger dan de aangevraagde 7,2 meter. Ook vindt eiser dat de toegestane hoogte onnodig is. De zuil is prominent en storend aanwezig voor eiser. De zuil is bovendien steeds zichtbaarder geworden omdat derde-partij de gesloten bomenrij die het zicht beperkte, beetje bij beetje verwijderd heeft. De gegeven motivering voor de buitenplanse afwijking snijdt volgens eiser geen hout, omdat de zuil er niet al lang staat en bovendien illegaal geplaatst is. Eiser vraagt zich bovendien af of het college gebruik heeft mogen maken van zijn buitenplanse afwijkingsbevoegdheid of dat hier voorwaarden aan verbonden zijn, zoals het dienen van het algemeen belang. 9.1. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. 9.2. Ter plaatse van het prijzenbord geldt de ‘specifieke bouwaanduiding – afwijkende hoogte’. Op grond van artikel 5.2, onder e, onder 3, van de planregels mag de bouwhoogte van overige bouwwerken op deze locatie 6 meter hoog zijn. Uit de bij de aanvraag behorende tekeningen blijkt dat het prijzenbord 7,2 meter hoog is en dat voor het peil is uitgegaan van de vloer van het pompeiland. Het peil is in artikel 1.66, van de planregels gedefinieerd als “ de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer”. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de vloer van het pompeiland terecht als peil is aangehouden. De vergunning is daarmee verleend voor een prijzenbord van 7,2 meter hoog. Voor zover eiser wil stellen dat het prijzenbord feitelijk hoger is dan de vergunde 7,2 meter, is dat een kwestie van handhaving. 9.3. Het bouwplan is in strijd met de hiervoor in 9.2 genoemde bouwregel. Daarom heeft het college niet alleen de bouwactiviteit vergund, maar ook de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. Het criterium voor een dergelijke afwijkingsvergunning is dat de afwijking van het bestemmingsplan niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij deze beslissing beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 9.4. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de belangen van eiser betrokken, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat die belangen niet hoefden te leiden tot weigeren van de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. De rechtbank acht het standpunt van het college dat het feit dat eiser (enig) zicht heeft op het prijzenbord niet maakt dat er sprake is van een onevenredige aantasting van zijn leefomgeving, niet onredelijk. Het college heeft bij de afweging bovendien van belang mogen achten dat ter plaatse een bouwwerk van 6 meter al was toegestaan en dat het hier gaat om een relatief beperkte afwijking. De rechtbank kan het standpunt van het college bovendien volgen dat de effecten van een prijzenbord met de toegestane hoogte niet veel groter zijn dan van een prijzenbord van 6 meter door te wijzen op de geringe oppervlakte van het prijzenbord. Ook het feit dat de welstandscommissie positief heeft geoordeeld over het prijzenbord heeft het college van belang mogen achten. De rechtbank acht de conclusie van het college dat de afwijking niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening niet onredelijk. Wasstraat; bouwregels bestemmingsplan 10. Eiser vindt dat het gebouw van de wasstraat in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Het is volgens eiser te hoog. Daartoe stelt eiser dat in het bestreden besluit een onjuist uitgangspunt is genomen voor het meten van de bouwhoo Deze beroepsgrond slaagt niet. Wasstraat: uitvoerbaarheid vergunning 13. Eiser stelt tot slot dat de wasstraat niet op deze plaats gerealiseerd kan worden, omdat in een eerdere vergunning van 2014 was bepaald dat hier een groenstrook aangelegd moest worden. 13.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De wasstraat zoals die is vergund, is in overeenstemming met de regels van het bestemmingsplan. Het bestreden besluit is daaraan getoetst. Dat er in een eerdere vergunning een groenstrook zou zijn voorgeschreven, zoals eiser stelt en wat daar verder van zij, levert geen weigeringsgrond op voor het aangevraagde bouwplan. Reclame 14. Met het primaire besluit heeft het college onder meer de reclame op de overkapping van het pompeiland vergund. Eiser voert aan dat niet alleen de letters TEXACO vergund zijn, maar ook de overkapping omdat deze ook op de tekening staat. Daarbij noemt hij dat de overkapping anders geplaatst is dan vergund. Verder stelt eiser dat de reclame in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hij verwijst daarvoor naar het welstandsadvies van 9 december 2022. Eiser stelt dat het college ten onrechte geconcludeerd heeft dat de reclame ondergeschikt is aan de overkapping. Dat wordt volgens eiser ook versterkt door de verlichting. 14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de reclame onderdeel is van en ondergeschikt is aan de overkapping en als zodanig vergund is. De overkapping inclusief reclame voldoet volgens het college ook aan de regels van het bestemmingsplan. In het verweerschrift vult het college daarop aan dat reclame-uitingen op een tankeiland normaliter groter zijn dan de dakrand van een tankeiland en is van mening dat afgeweken kan worden van het welstandsadvies omdat het vergunnen van de reclameletters geen onevenredige afbreuk doet aan de omgeving. 14.2. De rechtbank volgt eisers stelling niet dat de vergunning ook is verleend voor de overkapping waarop de reclame is aangebracht. De vergunning is aangevraagd voor de reclame (de letters en het logo van TEXACO) op de overkapping. Dat blijkt uit het aanvraagformulier. Uit het primaire besluit blijkt vervolgens dat ook alleen hiervoor omgevingsvergunning is verleend. In het primaire besluit is aangegeven dat de overkapping van het pompeiland al eerder was vergund. Dat de overkapping zou zijn gerealiseerd in afwijking van de daarvoor eerder verleende vergunning, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Indien dat echter zo zou zijn, dan maakt dat niet dat de overkapping onderdeel is van het primaire besluit. De tekst van de aanvraag en het primaire besluit zijn daarover voldoende duidelijk. 14.3. Eiser heeft de welstandstoets bestreden. De rechtbank komt hierover tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. De rechtbank licht dat hierna verder toe. 14.3.1. De omgevingsvergunning is mede verleend voor de bouw van de reclame-uitingen op de overkapping van het pompeiland. De omgevingsvergunning hiervoor moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dat is alleen anders indien het college tot het oordeel komt dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend. 14.3.2. Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (de welstandscommissie) heeft op 9 december 2022 aan het college een welstandsadvies uitgebracht. De conclusie van dit advies is dat de aanvraag niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Over de reclame-uitingen heeft Hûs en Hiem geconcludeerd dat deze door hun in verhouding tot de overkapping forse afmetingen een nadrukkelijk en onvoldoende ondergeschikt beeld opleveren. De lichtuitstraling versterkt de kritiek, aldus het advies. Het college heeft met het primaire besluit vergunning verleend ondanks dit welstandsadvies. In het bestreden besluit is het college daar niet van teruggekomen. 14.3.3. De rechtbank ove Vervolgens dient het college te motiveren waarom van die grond gebruik wordt gemaakt. Indien het college het welstandsadvies om welstandsredenen onjuist acht, dient het college te motiveren waarom het bouwplan toch niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien het college meent dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand maar op grond van een belangenafweging toch een vergunning wordt verleend, dient het college dat deugdelijk te motiveren. Daarbij dient het college inzichtelijk te maken welke belangen een rol spelen, hoe die zijn gewogen en tot welk resultaat dat leidt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. 16. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 17. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013. 18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: Artikel 2.10 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel an het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverord