Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-10-10
ECLI:NL:RBNNE:2025:5859
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3709 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser 1] uit [woonplaats] , eiser I (gemachtigde: W. Eilering), [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] [eiser 5] , allen uit [woonplaats] , eisers II (gemachtigde: J. Post), gezamenlijk te noemen: eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland , het college (gemachtigde: mr. F.P. Doting). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een autowasstraat aan de Jade 9 te Drachten (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. De beroepsgronden die zijn gericht tegen de realisatie van de stofzuigerinstallatie slagen niet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.1. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Claro Carwash Drachten (vergunninghouder) heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een autowasstraat op het perceel. 2.1. Het college heeft met het besluit van 27 maart 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de autowasstraat. 2.2. Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers en de gemachtigde van het college. Namens het college was tevens S. Swart, werkzaam bij de gemeente, aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 3.1. De aanvraag is ingediend op 15 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Feiten en omstandigheden 4. Vergunninghouder exploiteert een autowasstraat op het perceel. Zij heeft een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de uitbreiding van de autowasstraat. Onderdeel van deze aanvraag is de verplaatsing van de stofzuigerinstallatie. 4.1. Eisers zijn omwonenden van het perceel. 4.2. Ter plaatse van het perceel gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Burmaniapark” (bestemmingsplan). Op het perceel rustte de bestemming “Bedrijventerrein – 2”. 4.3. Eisers zijn het niet eens met verleende omgevingsvergunning. Dat geldt in het bijzonder de verplaatsing van de stofzuigerinstallatie. Deze komt met de verleende omgevingsvergunning dichter bij hun woningen. Omvang geding 5. Het beroep van eisers richt zicht tegen de omgevingsvergunning voor zover daarbij ook vergunning is verleend voor de stofzuigerinstallatie buiten het bouwvlak. Eisers hebben geen beroepsgronden aangevoerd tegen de overige onderdelen van de omgevingsvergunning. De rechtbank beoordeelt hierna alleen de beroepsgronden die zich richten tegen de verplaatsing van de stofzuigerinstallatie. 5. Op grond van artikel 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels mogen op gronden met de bestemming “Bedrijventerrein -2” “andere bouwwerken, zoals erf- en terreinafscheidingen en kunstobjecten” worden gebouwd. 7.2.2. In artikel 1.8 van de planregels wordt een “ander bouwwerk” gedefinieerd als “een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde”. Tussen partijen is niet in geschil dat het hier om een bouwwerk gaat. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een gebouw of overkapping. Dat betekent dat de stofzuigerinstallatie is aan te merken als een “ander bouwwerk”. 7.2.3. De rechtbank is van oordeel dat de stofzuigerinstallatie mag worden gebouwd op grond van artikel 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels. Eisers hebben er terecht op gewezen dat in dit artikel voorbeelden worden genoemd van toegelaten “andere bouwwerken”. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat hiermee in de planregel die voorligt een beperking is gemaakt tot alleen “andere bouwwerken” die duidelijk vergelijkbaar zijn met de genoemde voorbeelden. Zo worden in artikel 3.2.3 bouwregels gegeven voor erf- en terreinafscheidingen en kunstwerken, maar ook voor pergola’s, palen en masten en “overige andere bouwwerken”. De rechtbank ziet in de in artikel 3.2.1, aanhef, en onder b, van de planregels genoemde voorbeelden geen aanleiding voor het oordeel dat de stofzuigerinstallatie niet ook als een toegelaten “ander bouwwerk” moet worden beschouwd. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling door eisers leidt niet tot een ander oordeel. Het ging in die zaak om een niet vergelijkbare planregel uit een ander bestemmingsplan. Is de stofzuigerinstallatie een “pergola”? 8. Eisers stellen dat de stofzuigerinstallatie in dit geval dient te worden gezien als een “pergola”. Het is een poortachtige constructie ter ondersteuning van de stofzuigerslangen. Omdat volgens eisers sprake is van een “pergola” als bedoeld in de planregels, geldt de eis dat deze binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd dient te worden. 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. 8.1.1. De rechtbank overweegt dat in artikel 3.2.3, aanhef en onder a, van de planregels (onder meer) is geregeld dat een pergola alleen mag worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken. In artikel 1.59 van de planregels is een “pergola” gedefinieerd als “ een bouwwerk, geen gebouw zijnde van een poortachtige constructie, primair bestemd om er beplanting langs te laten groeien, alsmede een naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerk, geen gebouw zijnde. 8.1.2. De rechtbank stelt vast dat de stofzuigerinstallatie niet primair bedoeld is om planten tegenaan te laten groeien. De rechtbank is verder van oordeel dat de stofzuigerinstallatie naar de aard niet gelijk te stellen is met een pergola. De aard van een stofzuigerinstallatie is een wezenlijk andere dan die van een pergola die bedoeld is om beplanting tegenaan te laten groeien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stofzuigerinstallatie geen “pergola” is als bedoeld in het bestemmingsplan en daarom niet hoeft te voldoen aan de bouwregels die daarvoor gelden. Conclusie en gevolgen 9. De rechtbank is van oordeel dat het college de stofzuigerinstallatie terecht heeft aangemerkt als een “ander bouwwerk” waarvoor op grond van de planregels van het bestemmingsplan niet de verplichting geldt om deze binnen het aangeduide bouwvlak te bouwen. Het beroep van eisers is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrec