Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-12-09
ECLI:NL:RBNNE:2025:5815
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: 11807482 CV EXPL 25-4255 Vonnis van 9 december 2025 in de zaak van STICHTING NIJESTEE , te Groningen, eiseres, hierna te noemen: Nijestee, gemachtigde: Flanderijn, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende op een onbekend adres binnen of buiten Nederland, niet verschenen, 2. [gedaagde sub 2] , te [woonplaats] , gemachtigde: mr. M. Schuring, gedaagden, hierna apart van elkaar te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , en hierna samen te noemen: [gedaagde sub 2] c.s. (in meervoud). 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 augustus 2025. Bij dit vonnis is een mondelinge behandeling bepaald en is partijen gevraagd om voorafgaand aan de mondelinge behandeling (bewijs)stukken over te leggen met betrekking tot, onder meer, de actuele huurachterstand. Nijestee heeft hierna op 31 oktober 2025 een actuele huurachterstandsspecificatie en andere producties overgelegd. De gemachtigde van [gedaagde sub 2] heeft op 6 november 2025 drie producties overgelegd. Op 10 november 2025 heeft vervolgens een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar mevrouw [medewerker huurschuld] (medewerker persoonlijke benadering bij huurschuld) en de heer [medewerker wonen] (medewerker wonen) namens Nijestee zijn verschenen, bijgestaan door mevrouw [gemachtigde Nijestee] als gemachtigde. Ook is [gedaagde sub 2] verschenen, samen met de heer mr. M. Schuring als gemachtigde, mevrouw [medewerker WIJ] van WIJ Groningen en mevrouw [medewerker GKB 1] en mevrouw [medewerker GKB 2] van de Groningse Kredietbank (hierna: GKB). [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat zij noch haar gemachtigde namens [gedaagde sub 1] procedeert. [gedaagde sub 1] is aldus niet verschenen. Ter zitting hebben partijen hun standpunten (nader) toegelicht. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 1.2. Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Omdat [gedaagde sub 2] wel is verschenen in deze procedure, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen dat op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. 1.3. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De feiten 2.1. Nijestee verhuurt met ingang van 1 oktober 2024 aan [gedaagde sub 2] c.s. de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). 2.2. Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte’ van Nijestee van 10 april 2007 van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). Daarin staat, voor zover van belang, het volgende: ‘ Artikel 14 Het in verzuim zijn van huurder en verhuurder 14.1. Indien één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buiten- gerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij. 14.2. De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 34,00 vermeerderd met het geldend BTW-percentage.’ 2.3. De huurprijs bedroeg in de maanden januari tot en met juni 2025 € 734,99 per maand. De huurprijs bedraagt op dit moment, sinds juli 2025, € 772,83 per maand. De huur dient bij vooruitbetaling te worden voldaan en uiterlijk betaald te worden op de eerste dag van de maand. 2.4. [gedaagde sub 2] c.s. hebben de huur niet steeds tijdig en volledig voldaan, waardoor een huurachterstand is ontstaan. [gedaagde sub 2] c.s. zijn meermaals door Nijestee en diens gemachtigde tot betaling aangemaand. Daarnaast heeft Nijestee melding gemaakt van de huurachterstand van [gedaagde sub 2] c.s. bij de gemeente Groningen. 2.5. Bij ex Bij beantwoording van de vraag of ontbinding is gerechtvaardigd, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het concrete (woon)belang van de huurder bij het voortduren van de huur. Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst te ontbinden (Hoge Raad 29 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). De kantonrechter overweegt tegen deze achtergrond als volgt. 4.6. Vast staat dat de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding € 4.409,94 (zes maanden) betrof en op dit moment een bedrag van € 5.955,60 (acht maanden) betreft. Deze huurachterstand levert een ernstige tekortkoming op. De huurovereenkomst kan op zich dus worden ontbonden. De kantonrechter zal de gevorderde ontbinding op basis van de volgende specifieke omstandigheden alleen ten aanzien van [gedaagde sub 1] toewijzen en zij overweegt daartoe als volgt. 4.7. Uit de stellingen van Nijestee en [gedaagde sub 2] (ter zitting) is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat sprake is van ernstige veiligheidsproblematiek voor wat betreft [gedaagde sub 2] veroorzaakt door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat sprake is geweest van mishandeling, bedreiging en gedwongen verblijf in het buitenland en dat zij recentelijk, met hulp van onder andere de Nederlandse ambassade, naar Nederland is teruggekeerd. Volgens [gedaagde sub 2] is de huurachterstand grotendeels het gevolg van deze ingrijpende omstandigheden/periode. Van belang is ook dat [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat zij met haar twee minderjarige kinderen in het gehuurde woont, dat zij daar graag wil blijven wonen en geen alternatieve woonruimte heeft. [gedaagde sub 1] is volgens [gedaagde sub 2] niet (meer) woonachtig in het gehuurde. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de veiligheidsproblematiek zich dus niet (meer) in het gehuurde voordoet. Het belang van de minderjarige kinderen speelt naar het oordeel van de kantonrechter een grote rol bij de onderhavige belangenafweging (artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind). Daar komt bij dat [gedaagde sub 2] inmiddels financiële hulp krijgt van de GKB. In dat kader heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat het de bedoeling is dat zo spoedig mogelijk de echtscheiding wordt uitgesproken, zodat toeslagen en (financiële) ondersteuning anderszins voor [gedaagde sub 2] kunnen worden geregeld. Daarnaast is ter zitting gebleken dat [gedaagde sub 2] de lopende huur voor november 2025 heeft betaald. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde sub 2] Nijestee voldoende perspectief kan bieden dat de huur op zichzelf in de toekomst kan worden voldaan en dat de huurachterstand op termijn kan worden ingelopen. 4.8. Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat ontbinding van de huurovereenkomst jegens [gedaagde sub 2] in de genoemde omstandigheden, mede gelet op de ingrijpende gevolgen van de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde voor de minderjarige kinderen, niet proportioneel is en het woonbelang van [gedaagde sub 2] zwaarder weegt. De kantonrechter kent bijzonder gewicht toe aan de belangen van de minderjarige kinderen en ziet daarom aanleiding de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, en de daarmee samenhangende vordering tot ontruiming van het gehuurde, ten aanzien van [gedaagde sub 2] af te wijzen. 4.9. Ten aanzien van [gedaagde sub 1] oordeelt de kantonrechter anders. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] niet meer in het gehuurde woonachtig is en dat er geen (andere) vaste woon- of verblijfsplaats van hem bekend is. Volgens Nijestee staat [gedaagde sub 1] , zoals ook hiervoor onder 4.4. benoemd, echter nog steeds op de huurovereenkomst en is hij in die zin (formeel) nog steeds huurder, zodat Nijestee (ook) nog steeds volhardt in haar vordering jegens [gedaagde sub 1] . Zowel Nijestee als [gedaagde sub 2] hebben ter zitting verklaard dat zij er belang bij hebben dat de huurovereenkomst jeg