Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-12-04
ECLI:NL:RBNNE:2025:5814
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 265090745 zaaknummer: 11616799 BU VERZ 25-672 uitspraak van de kantonrechter van 4 december 2025 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] , gemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V. Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘niet op eerste vordering behoorlijk het kentekenbewijs ter inzage afgeven’, verricht op 24 maart 2024, om 03:50 uur aan de Kreupelstraat te Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 69,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Gemachtigde heeft namens betrokkene tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 19 november 2025 op de zitting behandeld. De vertegenwoordiger van de officier van justitie was niet aanwezig. Betrokkene en zijn gemachtigde waren ook niet aanwezig. Beoordeling door de kantonrechter 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Overwegingen Kan de verweten gedraging worden vastgesteld? 3. Gemachtigde heeft aangevoerd dat betrokkene ontkent de vermeende gedraging te hebben verricht, nu betrokkene wel een kentekenbewijs heeft getoond. Dit wordt door de verbalisant beaamd in het zaakoverzicht. In artikel 160 lid 1 sub a van de Wegenverkeerswet 1994 wordt dan ook niet omschreven dat het tonen van een goedkeuringsdocument onderdeel is van het tonen van het kentekenbewijs. Hierdoor kan de opgelegde boete niet in stand blijven. 3.1 In Wahv zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. 3.2 Uit het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisanten hebben waargenomen dat betrokkene met het genoemde voertuig op de genoemde locatie reed, terwijl deze taxiwerkzaamheden verrichtte en op eerste vordering geen goedkeuringsdocument kon tonen. Het goedkeuringsdocument is volgens de verbalisanten onderdeel van het kentekenbewijs. De verbalisanten verklaren dat doordat het goedkeuringsdocument ontbrak, het kentekenbewijs niet compleet was en daarom niet aan het, op eerste vordering, tonen van het kentekenbewijs kon worden voldaan. Betrokkene is staande gehouden en heeft de volgende verklaring afgelegd: “ik heb daar geen verklaring voor”. 3.3 De kantonrechter neemt in aanmerking dat een goedkeuringsbewijs een document van de RDW is dat duidelijk maakt dat het voertuig voldoet aan de eisen voor taxivervoer, zoals het aantal zitplaatsen of een inrichting voor rolstoelen. Wanneer men een voertuig als taxi wil gaan gebruiken, moet het voertuig door de RDW worden geregistreerd, waarbij de bestuurder een taxivergunning nodig heeft om die registratie aan te vragen. De RDW keurt of de auto geschikt en veilig is om personen te vervoeren. Als de RDW het voertuig goedkeurt, wordt het als taxi geregistreerd in het kentekenregister en komt er een aantekening op het kentekenbewijs dat de auto als taxi mag worden gebruikt en voor hoeveel personen. Voor het voertuig wordt daartoe een aparte ‘kentekencard’ als applicatie verstrekt. 3.4 Uit zowel de verklaring van de verbalisanten in het zaakoverzicht als het verweer van betrokkene begrijpt de kantonrechter dat betrokkene, die taxiwerkzaamheden verrichtte, zijn kentekenbewijs wel op eerste vorderi