Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-12-18
ECLI:NL:RBNNE:2025:5734
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND RECTIFICATIE (P.15) Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/1670, 25/1671, 25/1672, 25/1673, 25/1626 en 25/1638 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaken tussen [naam eiser 1] (eiser 1) , [naam eiser 2] (eiser 2) , [naam eiser 3] (eiser 3) , [naam eiser 4] (eiser 4) , [naam eiser 5] (eiser 5) en [naam eiser 6] h.o.d.n. Blokker (eiser 6) uit [plaatsnaam] , gezamenlijk aangeduid als eisers (gemachtigde: M.G. Velkers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: JEF Holding B.V. uit [plaatsnaam] (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. F. Krol-Postma). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het realiseren van twee bouwblokken met totaal 25 appartementen in [plaatsnaam] . Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning mocht verlenen. De rechtbank laat de bestreden besluiten, ondanks enkele gebreken, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staat het toetsingskader voor de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of alle eisers belanghebbende zijn bij de bestreden besluiten. Vervolgens beantwoordt de rechtbank eerst de beroepsgronden die alle eisers hebben aangevoerd. Ten slotte gaat de rechtbank in op de individuele beroepsgronden van eisers 1, 3, 4 en 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Het college heeft op 4 juni 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee bouwblokken met totaal 25 appartementen aan de [adres] in [plaatsnaam] . Het betreft een vergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van de regels van de ruimtelijke ordening. 2.1. Met de bestreden besluiten van 18 maart 2025 op de bezwaren van eisers is het college bij de verlening van de vergunning gebleven. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.3. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft de beroepen op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [naam eigenaar eiser 4] , [naam eiser 1] , [eigenaar eiser 2] en [naam eiser 6] , en namens het college: F. de Jong. Namens vergunninghouder hebben de gemachtigde en B. Zantman (architect) deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Wat is het toetsingskader? 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. 3.1. Het perceel ligt in het bestemmingsplan [plaatsnaam] 2016 en heeft daarin de bestemming Centrum. Het bouwplan is in strijd met de volgende onderdelen van het bestemmingsplan:- artikel 11.2.1 lid B: de toegestane maximale goothoogte is 7 meter. Het bouwplan heeft goothoogten van 10,4 meter en 7,5 meter.- artikel 11.2.1 lid C: de toegestane maximale bouwhoogte is 12 meter. Het bouwplan heeft incidenteel een bouwhoogte van 12,5 meter. - artikel 11.2.1 lid E: de dakhelling mag De commissie voor de bezwaarschriften heeft op 7 maart 2025 advies uitgebracht waarna het college op 18 maart 2025 de besluiten op de bezwaren heeft genomen. Het college heeft de contra-expertise van Hûs & Hiem niet bij de besluitvorming betrokken. 6.2. De rechtbank overweegt dat in bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Die heroverweging moet plaatsvinden aan de hand van het op het moment van de beslissing op bezwaar geldende recht en de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank had het college de contra-expertise van Hûs & Hiem moeten betrekken bij de beslissingen op de bezwaren. Het enkele feit dat vergunninghouder heeft aangegeven dat de contra-expertise te laat is aangeleverd is onvoldoende reden om de contra-expertise niet te betrekken bij de besluitvorming. Het advies van Hûs & Hiem is slechts 1,5 pagina lang en ruim een maand voor de besluitvorming door het college ontvangen. De rechtbank ziet niet in waarom het college dit advies niet had kunnen betrekken bij zijn besluitvorming. 6.3. Omdat het college ten onrechte de contra-expertise niet bij de besluiten op bezwaar heeft betrokken, zijn de besluiten genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, en 7:12, van de Awb. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat het college in het verweerschrift alsnog is ingegaan is op de contra-expertise en uit het verweer blijkt dat er geen besluiten met een andere uitkomst zouden zijn genomen als het college in de bestreden besluiten wél ingegaan was op de contra-expertise van Hûs & Hiem. Eisers hebben kunnen reageren op de motivering van het college. Het is daarom niet aannemelijk dat eisers in hun belangen zijn geschaad. Voldoet het plan aan de redelijke eisen van welstand? 7. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte een beroep doet op de hardheidsclausule uit de Welstandsnota. Eisers zien de kleinschaligheid van het bouwplan niet en kennen bovendien geen gebouw in de [straatnaam] of de historische kern van [plaatsnaam] met drie bouwlagen. Zij hebben ter onderbouwing van hun standpunt een contra-expertise door Hûs & Hiem laten opstellen. Ook in de contra-expertise van Hûs & Hiem wordt geconcludeerd dat het bouwplan niet dusdanig uitzonderlijk is dat het in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule. 8. Globaal gezegd bestaat het bouwplan uit twee bouwblokken; een groot bouwblok met daarnaast een kleiner bouwblok. De bouwblokken zijn met elkaar verbonden door een loopbrug. Tussen de bouwblokken in zit een steeg. Voor beide gebouwen zijn in de onderste bouwlaag winkels gepland. Het grootste gebouw bevat twee bouwlagen (woonlagen) boven de winkelplint. De hoekappartementen van het grootste gebouw zijn aan de voorzijde (de [straatnaam] ) voorzien van zadeldaken. In de gedeelten tussen de zadeldaken is een dak met een helling van 90º gepland. Het kleinere gebouw heeft een dakhelling van 90º en bestaat uit een gedeelte met één en een gedeelte met twee woonlagen boven de winkelplint. 8.1. Tussen partijen staat vast dat het bouwplan niet voldoet aan de (gebiedsgerichte) criteria uit de Welstandsnota. In de toelichting van de Welstandsnota staat dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de Welstandsnota, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepassing van de genoemde criteria. In dat geval kan het bestuursorgaan met een deugdelijke motivering afwijken van de beleidsregel. Dat is de zogenaamde hardheidsclausule. Als voorbeelden worden in de toelichting genoemd: een bouwwerk dat in strijd is met de gebiedsgerichte criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor de bebouwde omgeving, en een bouwwerk dat voldoet aan de gebiedsgerichte criteria maar niet aanvaardbaar is. 8.2. Het college heeft de bestreden besluiten gebaseerd op een welstandsadvies van 13 november 2024. In dat advies wordt geconcludeerd dat het bouwplan nie Er is door de architect geen toelichting op het plan gegeven aan Hûs & Hiem. Op de zitting is toegelicht dat de architect wel meerdere keren heeft overlegd met de deskundige van het college en dat het plan ook is aangepast om het beter bij het straat- en bebouwingsbeeld te laten aansluiten. 8.7. De rechtbank is van oordeel dat het welstandsadvies dat aan de bestreden besluiten ten grondslag is gelegd op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Er is niet gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de hardheidsclausule toegepast kon worden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is het college bevoegd om de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen en is de juiste procedure gevolgd? 9. Alle eisers voeren aan dat het college de verleende omgevingsvergunning ten onrechte heeft voorbereid met de reguliere procedure. Het college mocht de kruimelregeling niet gebruiken omdat er geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk maar een volledig nieuw gebouw. De situatie in de uitspraak waar het college naar verwijst is anders omdat het daar ging om een overschrijding veroorzaakt door installaties op de woontoren. In deze zaak betreft de overschrijding een volledige verdieping. De omgevingsvergunning had daarom volgens eisers alleen verleend kunnen worden met de procedure uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. 10. Het college heeft aan het bouwplan meegewerkt door af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van die artikelen kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan als er sprake is van (de uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk en het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.In artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 10.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw, dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig moet zijn te onderscheiden van de rest van het gebouw of dat de uitbreiding aan de rest van het gebouw ondergeschikt moet zijn. Volgens de nota van toelichting bij artikel 4 van bijlage II bij het Bor mag een bijbehorend bouwwerk ook gedurende hetzelfde bouwproces (direct na, gelijktijdig of in hetzelfde bouwproces zelfs kort er voor) gebouwd worden als het hoofdgebouw. 10.2. Uit het voorgaande volgt dat de uitvoering van het appartementencomplex aan de [straatnaam] , met afwijkende goothoogte, bouwhoogte en dakhelling kan worden aangemerkt als een uitbreiding van een hoofdgebouw en daarmee een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, waarvoor vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo. 10.3. Anders dan eisers menen, volgt uit deze rechtspraak niet dat er een onbeperkte mogelijkheid is om uitbreidingen te realiseren. Artikel 2.12 van de Wabo vereist ook dat het aangevraagde plan in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening. Of in dit geval het bouwplan ook voldoet aan de eisen van de goede ruimtelijke ordening, wordt hierna vanaf 12 beoordeeld aan de hand van de gronden van eisers. 10.4. Uit de artikelen 3.7 en 3.10 van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning die verleend wordt met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van d Uit vaste rechtspraak volgt dat een beperkte afwijking van het bestemmingsplan met zich brengt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan minder uitvoerig hoeft te worden gemotiveerd dan wanneer sprake zou zijn van een grote afwijking van dat bestemmingsplan. 12.6. Ook volgt uit vaste rechtspraak dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mee mag wegen dat de negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Bij een beoordeling van de fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan is niet van belang dat in de Welstandsnota (overwegend) uit wordt gegaan van gebouwen met één bouwlaag of twee bouwlagen bij uitzondering. Welstandscriteria kunnen niet leiden tot belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Hangjeugd 12.7. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat de binnenplaats op het dak van de winkels ligt en niet openbaar toegankelijk is. Eisers hebben daarop hun grond over vrees voor overlast door hangjeugd ingetrokken. Parkeren 12.8. De rechtbank overweegt dat de strijdigheid van het vergunde bouwplan met het bestemmingsplan is beperkt tot een verhoging van de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. Het benodigde aantal parkeerplaatsen is niet van belang bij het beantwoorden van de vraag of die afwijking in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is. Zoals al eerder is overwogen, wordt met deze afwijking geen ander aantal appartementen vergund dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het aantal wooneenheden stemt overeen met de geldende bouwregels. 12.9. Ook stelt de rechtbank vast dat in het bestemmingsplan geen eisen zijn gesteld aan parkeren. Er geldt geen verplichting om te toetsen aan het gemeentelijke verkeers- en vervoersplan. Op de zitting is verder door het college toegelicht dat op het terrein van het bouwplan een aantal parkeerplaatsen aanwezig zijn. Voor het overige kunnen bewoners en bezoekers gebruik maken van het parkeerterrein op de Markt. Dat parkeerterrein ligt achter het gebouw en heeft volgens het college een overcapaciteit. De parkeerplaatsen aan de voorzijde van het gebouw, in de [straatnaam] , liggen in een blauwe zone. Daar mag niet langdurig geparkeerd worden. 12.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat, voor zover voor de beoordeling van deze afwijking van belang, sprake is van een goede ruimtelijke ordening als het gaat om parkeren. Voor zover eisers vrezen dat toekomstige bewoners langdurig gaan parkeren aan de [straatnaam] is dat een kwestie van handhaving van de regels die daar gelden voor het parkeren. Of al dan niet aan die regels wordt voldaan, valt buiten de beoordeling van deze omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. Individuele gronden 26/1670 en 26/1672 Maakt het bouwplan een onevenredige inbreuk op de privacy van eisers 1 en 3? 13. Eiser 1 vreest een forse inbreuk op zijn privacy omdat het bouwwerk is gelegen tegenover zijn perceel en de afstand tussen de percelen ongeveer acht meter is. Ook eiser 3 doet hier een beroep op omdat het bouwwerk is gelegen tegenover zijn perceel en de afstand tussen de percelen ongeveer 10 meter is. De appartementen zullen direct zicht hebben op zijn tuin. Het bouwplan maakt volgens beide eisers een inbreuk op het grondrecht uit artikel 8 van het EVRM. De fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten volgens eisers in verband worden gezien met de welstandscriteria waarin is opgenomen dat sprake mag zijn van maximaal één bouwlaag of bij uitzondering twee. 13. De rechtbank overweegt dat een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving. Enige aantasting van de privacy betekent niet dat het college een vergunning voor afwijking van een bestemmingsplan moet weigeren. Artikel 8, ee De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat het college op de zitting een toelichting heeft gegeven op de gevolgen van de komst van het gebouw voor de bedrijfsvoering van eiser 4. Eiser 4 heeft kunnen reageren op de motivering van het college. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser in zijn belangen is geschaad. 16.2. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het terras van eiser 4 naast het gedeelte van het gebouw ligt dat 10 meter hoog is. Gelet op de ligging van het gebouw en de draaiing van de aarde om de zon, kan de vergunde afwijking van de maximale hoogte van 12 meter volgens het college niet tot meer schaduw op het terras van eiser leiden. 16.3. Op de zitting heeft eiser 4 aan de hand van de tekeningen bevestigd dat hij schaduwwerking vreest te ervaren van het gedeelte van het gebouw aan de zijde van de Markt dat 10 meter hoog wordt. 16.4. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college bij de afweging van de belangen van eiser 4 meewegen dat de negatieve gevolgen van het bouwplan op het terras ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dat eiser 4 op basis van de welstandscriteria meende dat er slechts een gebouw van maximaal twee bouwlagen zou komen, is niet doorslaggevend. De bouwhoogte van 10 meter is bij recht toegestaan en de welstandscriteria kunnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet belemmeren. Het college mocht oordelen dat de gebruiksmogelijkheden van het terras niet onevenredig worden aangetast door de vergunde afwijkingen van de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. Deze grond van eiser 4 slaagt niet. Individuele gronden 26/1626 Maakt het bouwplan een onevenredige inbreuk op de privacy van eiser 6? 17. Eiser 6 vreest een forse inbreuk op zijn privacy omdat het bouwwerk is gelegen direct naast zijn perceel. De appartementen zullen direct zicht hebben op zijn dakterras. Het bouwplan maakt een inbreuk op het grondrecht uit artikel 8 van het EVRM. De fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten volgens eiser in verband worden gezien met de welstandscriteria waarin is opgenomen dat sprake mag zijn van maximaal één bouwlaag of bij uitzondering twee. 18. Zoals de rechtbank onder 14 al heeft overwogen mocht het college bij de besluitvorming betrekken dat binnen het bestemmingsplan al een bouwwerk met drie woonlagen mogelijk is, zodat ook zonder de nu verleende afwijking woningen zouden kunnen worden gerealiseerd die uitkijken op eisers dakterras. Het college mocht concluderen dat het woon- en leefklimaat van eiser 6 voor wat betreft de inbreuk op zijn privacy, door de nu vergunde afwijkingen, niet onevenredig wordt aangetast. 18.1. Eiser 6 heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verleende omgevingsvergunning een zodanige invloed op het privéleven van eiser heeft dat hiermee een inmenging in de rechten neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden. Hoewel het bouwplan van invloed zal zijn op eisers woon- en leefklimaat, is dat onvoldoende om te oordelen dat de beperkte afwijking waarvoor vergunning is verleend een zodanige negatieve invloed zal hebben op zijn woonsituatie of zijn leven zo ingrijpend zal beïnvloeden dat sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Deze grond van eiser 6 slaagt niet. Moest de vergunning geweigerd vanwege privaatrechtelijke beperkingen? 19. Verder zijn er volgens eiser 6 twee evidente privaatrechtelijke beperkingen. Door de hoogte en grootte van het bouwwerk wordt in de ochtend het zonlicht weggenomen waardoor de ochtendopbrengst van zijn zonnepanelen aanzienlijk lager zal zijn dan nu het geval is. Eiser is van mening dat door het wegnemen van zon-/daglicht onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt veroorzaakt. Verder zullen in de westgevel van het bouwwerk diverse ramen en balkons worden geplaatst in strijd met artikel 5:50, eerste l Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. 20.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan, voor zover van het omgevingsplan wordt afgeweken door de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling, voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie en gevolgen 21. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het college moet wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Dit omdat eisers een aantal beroepsgronden terecht hebben voorgedragen en de rechtbank toepassing geeft aan artikel 6:22 van de Awb. Eisers krijgen daarom ook een vergoeding van hun proceskosten.Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Vanwege de samenhang in de zes zaken, blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak wordt toegekend, vermenigvuldigd met een factor 1,5. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Vanwege de samenhang tussen de zes zaken, is op de waarde een factor van 1,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.721,-. 21.1. Het college moet ook de reiskosten die eisers 1, 2, 4 en 6 hebben gemaakt voor het bijwonen van de zitting vergoeden. De vergoeding bedraagt op basis van de kosten van het openbaar vervoer laagste klasse voor een retour van [plaatsnaam] naar Groningen per eiser € 23,10. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan alle individuele eisers de eisers zijnde natuurlijke personen en € 385,- aan de eisers zijnde rechtspersonen (totaal € 1.164,- € 1737,-) moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eisers - veroordeelt college tot betaling van € 23,10 (totaal € 92,40) aan reiskosten aan eisers 1, 2, 4 en 6. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr.S. G. Steenbergen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025. griffier rechter De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1099. Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3992. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1142. De uitspraak van de Afdeling van 9 november 2016, ECLI:RVS:2016:2953. Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4687. Stb. 2010, 143, blz. 133. Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429. Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:915 en 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1637. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5243. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 novembe