Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-11-28
ECLI:NL:RBNNE:2025:5663
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/771 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.S. Folsche), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister (gemachtigde: mr. N. Fazli). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om studiefinanciering. Eiser stelt dat hij op 1 september 2024 kon worden aangemerkt als migrerend werknemer en dat hij daarom voor de maand september 2024 studiefinanciering dient te ontvangen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister op goede gronden heeft besloten de studiefinanciering niet voor september 2024 toe te kennen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht geen studiefinanciering heeft toegekend voor de maand september 2024. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag studiefinanciering gedaan. 2.1. De minister heeft op 6 september 2024 (het primaire besluit) onder andere besloten dat eiser geen recht heeft op studiefinanciering in de maand september 2024. 2.2. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij het besluit gebleven dat eiser geen recht heeft op studiefinanciering in de maand september 2024. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. Eiser voert aan dat zijn stage materieel op 1 september 2024 is begonnen omdat het verschil tussen 1 en 2 september slechts formeel is (1 september viel op een zondag) en hij de volledige stagevergoeding over de maand september heeft ontvangen. Omdat hij sinds 15 juli 2024 al over een geldige stageovereenkomst beschikte met een ingangsdatum van 1 september, moet hij op 1 september als migrerend werknemer worden aangemerkt. Subsidiair doet hij een beroep op de hardheidsclausule, nu zijn situatie materieel niet verschilt van een stage die formeel op 1 september zou zijn gestart. 4. De minister stelt dat blijkens de door eiser overgelegde stageovereenkomst eiser op 2 september 2024 zijn stage is aangevangen. Dit betekent dat eiser op 1 september 2024 nog geen migrerend werknemer was en dat op grond van artikel 1.2 Wsf 2000 er over de maand september 2024 geen recht op studiefinanciering bestaat. Dat 1 september 2024 op een zondag viel maakt dit niet anders. De Centrale Raad van Beroep heeft in verschillende vergelijkbare gevallen overeenkomstig geoordeeld. Ten aanzien van de hardheidsclausule stelt de minister dat de toepassing van de peildatum niet leidt tot een resultaat dat de wetgever niet heeft beoogd. De wetgever heeft er expliciet en bewust voor gekozen dat een student alleen recht heeft op studiefinanciering indien hij op de peildatum voldoet aan de materiele toekenningsvoorwaarden van de Wsf 2000, waaronder ook de nationaliteitseis valt. Er is daarom geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. De peildatum 5. De peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 is bepalend bij de vaststelling van de aanvang van het migrerend werknemerschap. Als de student pas in de loop van de maand toetreedt tot de arbeidsmarkt in Nederland, wordt hij of zij op zijn vroegst op dat moment werknemer. Artikel 1.2 van de Wsf 2000 staat dan in de weg aan toekenning van studiefinanciering voor die maand. 5.1. Eiser heeft een stageovereenkomst gesloten met ASR met ingang van 2 september 2024. Omdat het werknemerschap van eiser niet is aangevangen op, of voor, 1 september 2024 wordt op de peildatum niet voldaan aan de nationaliteitseis van artikel 2.2, eerste lid, onder b,