Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-10-09
ECLI:NL:RBNNE:2025:5621
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/1417 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen Dutch Investment Company D.I.C. BV, uit Zwolle, eiseres (gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, het college (gemachtigde: mr. H.E. Benjamins). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de invordering van verbeurde dwangsommen. Het college heeft bij besluit van 1 augustus 2023 besloten om verbeurde dwangsommen van in totaal € 20.000,- bij eiseres in te vorderen. De dwangsommen zijn verbeurd wegens het overtreden van een last tot beëindiging van overtredingen van het Bouwbesluit 2012, die bij besluit van 24 november 2022 is opgelegd. Eiseres is het niet eens met de invordering van de dwangsommen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot invordering van de dwangsommen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Deze hoofdvraag valt uiteen in meerdere deelvragen, namelijk: Is er (overduidelijk) geen sprake van een overtreding? Is eiseres aan te merken als overtreder? Heeft eiseres erop mogen vertrouwen dat het college de begunstigingstermijn had verlengd? Had het college, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, af moeten zien van invordering? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft het college besloten om verbeurde dwangsommen in te vorderen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan de opgelegde last. De last was opgelegd voor overtredingen die zouden hebben plaatsgevonden op het perceel [adres] in [woonplaats] (hierna: het perceel). Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit van 9 februari 2024 bepalend . Het oude recht blijft echter van toepassing als ook op grond van het nieuwe recht sprake zou zijn geweest van overtredingen, namelijk op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat betekent dat in dit geval het recht van toepassing blijft, zoals dat gold vóór 1 januari 2024. 4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.1. Op 8 juli 2022 hebben toezichthouders van de gemeente een controle gehouden op het perceel. Daarbij hebben de toezichthouders geconstateerd dat de brandwerende scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping niet voldeed aan de minimale brandwerende eis (van 30 minuten brandwerendheid) uit artikel 2.90 van het Bouwbesluit 2012. Verder hebben de toezichthouders geconstateerd dat de elektrische installatie niet voldeed aan NEN Het college stelt zich op het standpunt dat duidelijk gecommuniceerd is, op 17 januari 2023 in het gesprek en op 6 februari 2023 in een bericht, dat de overtreding niet beëindigd kon worden door het pand dicht te timmeren. In het laatste bericht is ook uitdrukkelijk aangegeven dat het handhavingstraject vervolg zou krijgen. Vanuit de gemeente zijn daarom geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen gedaan waaruit zou blijken dat niet tot invordering zou worden overgegaan. Het college stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiseres niet tegen de last is opgekomen en dat deze daarom in beginsel vaststaat. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van invordering worden afgezien. Er is geen sprake van een dergelijke bijzondere omstandigheid. Het college gaat niet mee in het argument dat eiseres niet als feitelijk overtreder zou kunnen worden aangemerkt. 4.12. Op 11 september 2023 heeft eiseres pro forma bezwaar gemaakt, waarna eiseres op 12 oktober 2023 de gronden aangevuld heeft. Eiseres stelt dat in dit geval sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, zodat eiseres ook met succes gronden kan aanvoeren tegen de opgelegde last onder dwangsom. In dit geval is daarom wel degelijk relevant dat eiseres niet als overtreder aangemerkt kan worden. Zij voldoet namelijk niet aan de vereisten om haar als functioneel dader aan te merken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067. Subsidiair stelt eiseres dat zij aan de last heeft voldaan doordat zij de zaak volledig heeft gesloten vóór het verlopen van de begunstigingstermijn. Bovendien heeft eiseres binnen de begunstigingstermijn laten weten dat zij aan de last zou gaan voldoen door het pand dicht te timmeren. Het college heeft daarop niet binnen de begunstigingstermijn laten weten dat dit niet voldoende zou zijn om de overtreding te beëindigen. Met de reactie van de gemeente van 20 januari 2023 heeft het college daarnaast de oude begunstigingstermijn laten vervallen en heeft het college aan eiseres overgelaten wanneer zij aan de last zou kunnen voldoen. Daar heeft eiseres daarom op mogen vertrouwen. Tot slot is het volgens eiseres onevenredig dat het college nu overgaat tot invordering. Eiseres heeft altijd in goed overleg met de gemeente samengewerkt en naar oplossingen gezocht. De gemeente is vervolgens nalatig geweest in de communicatie richting eiseres, waardoor zij erop heeft mogen vertrouwen dat haar aanpak om aan de last te voldoen goedgekeurd werd en dat de termijn om aan deze last te voldoen een ‘open termijn’ was. Onder die omstandigheden is het onevenredig om tot invordering over te gaan. 4.13. Het bezwaar is ter advisering voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie). Tijdens een hoorzitting op 31 januari 2024 is eiseres in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren mondeling toe te lichten. De bezwaarcommissie heeft het college op 5 februari 2024 geadviseerd het besluit in stand te laten, onder aanpassing van de wettelijke grondslag naar artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet. Volgens de bezwaarcommissie is eiseres wel degelijk de overtreder omdat artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet zowel eigenaren als gebruikers verbiedt om het Bouwbesluit 2012 te overtreden. Eiseres is eigenaar van het pand en derhalve normadressaat van de overtreden norm. Eiseres komt daarom geen beroep toe op de uitzondering die is benoemd in de rechtspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2024:133). Ook heeft eiseres niet aan de last voldaan door het pand dicht te laten timmeren. Op 23 februari 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat de vastgestelde gebreken nog niet waren hersteld. Op die datum had eiseres dus niet aan de last voldaan.De omstandigheden die eiseres verder naar voren brengt, kunnen tot slot niet aangemerkt worden als bijzonder Aangezien de toezichthouder op meerdere plaatsen, verspreid over deze vloer, feitelijk gaten heeft aangetroffen – en hier ook foto’s van heeft gemaakt – heeft het college vast kunnen stellen dat de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van de vloerconstructie niet voldoet. Deze situatie verschilt van de door eiser aangehaalde situatie in de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023. Daar was het probleem dat niet feitelijk vastgesteld kon worden of de vloer voldoende brandwerend was, omdat de constructie was uitgevoerd met Perfora stenen. Testgegevens daarover ontbraken. Het college stelt zich tot slot op het standpunt dat de toezichthouder wel zelfstandig heeft vastgesteld dat de elektrische installatie niet voldeed aan de veiligheidsvoorschriften van NEN 1010. De toezichthouder heeft immers vastgesteld dat de elektrische installatie ‘op enkele plaatsen loshangt’ en ‘dat de bedrading niet op de juiste wijze is gekoppeld. 7.2. Omdat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom, staat dit besluit in rechte vast. In het besluit is vermeld dat er sprake is van een overtreding van artikel 2.90 lid 3 van het Bouwbesluit 2012 in samenhang met artikel 1a van de Woningwet. De rechtbank is daarom van oordeel dat, anders dan het college stelt, de last opgelegd is wegens een overtreding van artikel 1a van de Woningwet. 7.3. De rechtbank overweegt dat een overtreding een gedraging is die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift. Artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet draagt de eigenaar van een pand op er zorg voor te dragen dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt. 7.4. De rechtbank stelt vast dat toezichthouders van de gemeente hebben geconstateerd dat de brandwerende scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping van het pand niet aan de minimale brandwerende eis (van 30 minuten brandwerendheid) uit artikel 2.90 van het Bouwbesluit voldeed. Ook hebben de toezichthouders geconstateerd dat de elektrische bedrading niet voldeed aan NEN 1010:1962, doordat op bepaalde plekken losse bedrading zichtbaar was en deze niet op de juiste wijze was aangesloten. Er was daarom ook sprake van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, onder a, van het Bouwbesluit 2012. 7.5. Artikel 2.90 van het Bouwbesluit is opgenomen in hoofdstuk 2 van het Bouwbesluit, getiteld ‘Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid’, wat alleen al aangeeft dat bij niet-naleving de veiligheid in het geding kan komen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat losliggende en onjuist aangesloten elektrische bedrading (brand)gevaar oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom terecht geconcludeerd dat eiseres tekortgeschoten is in de plicht om te voorkomen dat er gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat en dat eiseres dus artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet heeft overtreden. 7.6. De rechtbank kan eiseres ook niet volgen in haar stelling dat de overtreding niet (juist) vastgesteld of gemotiveerd is. De toezichthouder heeft vastgesteld dat er gaten zaten in de verdiepingsvloer, waardoor op bepaalde plekken de scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping van het pand enkel bestond uit een houten vloer. Anders dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak, bestond de vloer hier uit materiaal, namelijk hout, waarvan algemeen bekend is dat het (zeer) brandbaar is. Het college mocht daarom aannemen dat de brandwerende scheiding niet aan de eis voldeed uit artikel 2.90 van het Bouwbesluit 2012. Ook over de elektrische installatie heeft het college voldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, van het Bouwbesluit. In artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit wordt verwezen naar bijlage I bij de regeling om te bepalen welke NEN-norm precie Dat de gemeente daarna met eiseres in gesprek bleef, wil niet zeggen dat er is ingestemd met verlenging van de begunstigingstermijn. Hoewel de gemeente duidelijker had kunnen maken dat de communicatie met eiseres enkel nog gericht was op het beëindigen van de overtreding, heeft eiseres hieruit niet (gerechtvaardigd) af kunnen leiden dat het de bedoeling was om de begunstigingstermijn te verlengen. Evenredigheid (bijzondere omstandigheden) 10. Eiseres stelt dat invordering, gezien de omstandigheden van het geval, niet evenredig is. Eiseres heeft steeds meegewerkt met de gemeente. Eiseres heeft ook maatregelen genomen door het pand te sluiten, terwijl zij niet als overtreder aangemerkt kan worden. Bovendien was de begunstigingstermijn opgeschort dan wel was de indruk gewekt dat er geen dwangsom verbeurd zou worden. Daarnaast was het voor eiseres onduidelijk welke maatregelen precies getroffen moesten worden en begrijpt eiseres niet dat sluiting van het pand niet voldoende was om de overtreding te beëindigen. Tot slot staat het pand op de nominatie om gesloopt te worden voor nieuwbouw. Van enig herstel is dan ook geen sprake. 10.1. Het college stelt dat eiseres nooit eerder vermeld heeft dat het pand gesloopt zal worden. Uit de relevante databases blijkt hier ook niet van. Het college heeft geen aanvraag voor een sloopvergunning ontvangen en uit de basisregistratie personen (BRP) blijkt dat de bovenverdieping van het pand nog steeds bewoond wordt. 10.2. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot invordering over te gaan. Uit de rapporten van de toezichthouder en uit de communicatie/besluitvorming vanuit het college blijkt voldoende duidelijk wat eiseres had kunnen doen om de maatregelen te beëindigen. Het college heeft ook laten weten dat sluiting van het pand niet voldoende was. Dit volgt ook uit de regelgeving. Uit niets blijkt dat het pand in gebruik moet zijn, voordat het aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 moet voldoen. Bovendien is de pizzeria weliswaar gesloten, maar is de bovenwoning nog steeds in gebruik. Daarmee is tot op heden niet aan de last voldaan. Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat er sprake is van een overtreding, waarbij eiseres als overtreder aangemerkt kan worden en dat eiseres er niet op heeft mogen vertrouwen dat de begunstigingstermijn verlengd was. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college af had moeten zien van invordering. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:1 1. In deze wet wordt verstaand onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Woningwet Artikel 1a 1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoe