Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-11-25
ECLI:NL:RBNNE:2025:4811
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,426 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde]
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [instelling] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 16 oktober 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 8.711,56 euro ter ontneming van het uit het in
de zaak met parketnummer 18/080166-25 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3 november 2025.
Standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van 8.711,56 euro. Dit bedrag bestaat uit de optelsom van alle benadelingsbedragen voortvloeiend uit de bewezenverklaarde diefstallen in onderliggende strafzaak. De toe te kennen vorderingen tot schadevergoeding
in de onderliggende strafzaak, in totaal 3.569,95 euro, dienen van het door veroordeelde te betalen bedrag tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken te worden. Derhalve kan de betalingsverplichting van de ontneming lager vastgesteld worden, namelijk op een bedrag van 5.141,61. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting hoofdelijk aan veroordeelde opgelegd dient te worden, nu de betalingsverplichting voortvloeit uit de strafbare feiten die veroordeelde samen met [medeveroordeelde] heeft gepleegd
Standpunt van de verdediging
Gelet op de in de onderliggende strafzaak bepleite vrijspraak voor de diefstal van contante geldbedragen, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat die contante geldbedragen ook niet meegenomen kunnen worden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast lijkt bij de berekening van het wedderrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot het benadelingsbedrag van [slachtoffer 2] de 100,00 aan contant geld dubbel te zijn meegerekend. Het totale benadelingsbedrag van [slachtoffer 2] betreft 1.683,55 en niet 1.783,55. Voorts verzoekt de verdediging om de toegekende vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen in mindering te brengen op het door de rechtbank vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 25 november 2025 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
de stukken behorend bij het onderliggende strafdossier.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 25 november 2025 in de zaak met parketnummer 18/080173-25 veroordeeld ter zake van het medeplegen van 14 diefstallen en één poging daartoe.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van alsook uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten. Op grond van deze veroordeling kan het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van alsook uit de baten van de bewezenverklaarde feiten aan veroordeelde worden ontnomen.
Met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank als volgt.
Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit een optelsom van de benadelingsbedragen die voorvloeien uit de bewezenverklaarde diefstallen, waarbij het gaat om contant geld dat in sommige zaken in de gestolen portemonnee/tas zat en geld dat werd weggenomen doordat vervolgens met een gestolen pinpas werd gepind.
Anders dan de raadsvrouw heeft de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen geacht dat veroordeelde de tenlastegelegde contante geldbedragen heeft weggenomen. Die bedragen worden derhalve meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het totale benadelingsbedrag van [slachtoffer 2] dient te worden vastgesteld op 1.683,55 en niet 1.783,55. Bij de berekening van het benadelingsbedrag lijkt de officier van justitie de 100,00 aan contant geld dubbel te hebben meegerekend.
Het voornoemde levert de volgende berekening op:
Slachtoffer [slachtoffer 1] : 567,20
Slachtoffer [slachtoffer 2] : 1.683,55
Slachtoffer [slachtoffer 3] : 1.750,00
Slachtoffer [slachtoffer 4] : 80,00
Slachtoffer [slachtoffer 5] : 1.629,39
Slachtoffer [slachtoffer 6] : 1.110,00
Slachtoffer [slachtoffer 7] : 290,00
Slachtoffer [slachtoffer 8] : 1.501,42
Totaal: 8.611,56
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 8.611,56 voordeel heeft genoten.
Vaststelling van het te betalen bedrag
Het uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw ziet de rechtbank geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken door de toegekende vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Blijkens de tekst van artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen die toegekende vorderingen namelijk alleen in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan. Nu in de onderhavige zaak niet
is gebleken dat de vorderingen van de benadeelde partijen zijn voldaan, zal de rechtbank deze niet op het geschatte voordeel in mindering brengen. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat voor zover de veroordeelde de toegewezen vorderingen aan de benadeelde partijen dan wel aan de staat zal betalen, hij op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering kan verzoeken om vermindering van het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hoofdelijkheid
Op grond van artikel 36e lid 7 van het Wetboek van Strafrecht bestaat de mogelijkheid om de betalingsverplichting voortvloeiend uit het wederrechtelijk verkregen voordeel hoofdelijk aan veroordeelde op te leggen.
Bij de beoordeling van de vraag welk deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde moet worden toegerekend, stelt de rechtbank voorop dat vaststaat dat veroordeelde alle bewezenverklaarde feiten samen met [medeveroordeelde] heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen concrete aanknopingspunten ter beantwoording van de vraag hoe het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel tussen veroordeelde en zijn mededader precies is verdeeld. Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde en [medeveroordeelde] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over het wederrechtelijk verkregen voordeel voortvloeiende uit de door hun samen gepleegde feiten. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat veroordeelde en [medeveroordeelde] zowel bij het daadwerkelijk stelen van de portemonnees/tassen, als het vervolgens opnemen van contant geld met de gestolen pinpassen telkens samen betrokken zijn. Dit blijkt veelal uit de camerabeelden uit het onderliggende strafdossier. Uit die camerabeelden blijkt ook dat veroordeelde en [medeveroordeelde] zich samen naar diverse winkels begeven waar zij beiden met de gestolen pinpassen verschillende goederen afrekenen.
Bovendien heeft veroordeelde geen gegevens verschaft die voornoemde conclusie, dat hij en zijn mededader gezamenlijk de beschikking hadden over het wederrechtelijk verkregen voordeel, ontzenuwt.
Gelet op het voornoemde zal de rechtbank het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten
8.611,56, hoofdelijk aan veroordeelde opleggen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
8611,56.
Legt [veroordeelde] , voornoemd, hoofdelijk, aldus dat als de mededader betaalt hij in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 8.611,56. (zegge: zesentachtighonderd elf euro en zesenvijftig cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 172 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. H.M. Lenting en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 november 2025.
Mr. E.P. van Sloten is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.