Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-01-24
ECLI:NL:RBNNE:2025:4767
RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Assen Zaaknummer: C/19/150550 / KG ZA 25-11 Vonnis in kort geding van 24 januari 2025 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , te [woonplaats] ,2. [eiser sub 2] , te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] (mannelijk enkelvoud), advocaten: mr. J.S. Knot en mr. S. Veenema-Bruinsma, tegen [gedaagde] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] (vrouwelijk enkelvoud), advocaten: mr. B. Honerbom, mr.drs. N.J.H. Leferink en mr. M.A.M. Lenferink. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 21 januari 2025 met daarbij 11 producties;- de akte overlegging producties, tevens conclusie van eis in reconventie aan de zijde van [gedaagde] van 22 januari 2025; - de aanvullende productie 12 aan de zijde van [eisers] , ingekomen ter griffie op 23 januari 2023;- de mondelinge behandeling van 23 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eisers] ;- de pleitnota van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. In verband met het spoedeisend karakter van de zaak is op 24 januari 2025 een verkort vonnis gewezen. Medegedeeld is dat de uitwerking daarvan zo spoedig mogelijk, uiterlijk over twee weken na 24 januari 2025, zal volgen. Het onderstaande is deze uitwerking en is op 5 februari 2025 opgemaakt. 2 De feiten 2.1. [eisers] heeft in de afgelopen jaren een vastgoedconcern opgebouwd, waarbinnen hij in diverse hoedanigheden (privé, zakelijk en in gemeenschap) vastgoed bezit. Partijen zijn vanaf april 2023 met elkaar in contact getreden. Op dat moment verkeerde het vastgoedconcern in financieel zwaar weer. 2.2. Partijen hebben op 22 juni 2023 een overeenkomst met elkaar gesloten, genaamd een Participatie- en samenwerkingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst). Hierin is onder andere vermeld dat het [eisers] niet lukte om de zeer snelle groei van het vastgoedconcern volledig zelfstandig uit te voeren en te besturen. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] [eisers] zal bijstaan op juridisch, strategisch, financieel en inhoudelijk vlak. Als tegenprestatie zal [gedaagde] een percentage van 20% in de vastgoedbelangen ontvangen. Dit is uitgewerkt in artikel 7, waarin het volgende is bepaald: “ Artikel 7 In het kader van deze overeenkomst en de gewenste samenwerking tussen partijen zal [eisers] 20% van alle door haar gehouden vastgoedbelangen zowel in privé als in de vorm van vennootschapsstructuren en samenwerkingsverbanden overdragen aan [gedaagde] tegen een koopprijs van 1 EUR, zodat hierna het [eisers] in gezamenlijke eigendom gehouden wordt en een gezamenlijk gelijk ondernemersbelang bestaat. Daarbij zal in overleg tussen partijen voor de meest eenvoudige en juridisch- en fiscaal vriendelijke structuur gekozen worden en streven partijen zulks voor een termijn van 6 weken na heden te realiseren, ingeval deze termijn om praktische redenen niet haalbaar zal blijken (bijvoorbeeld wegens een fiscale-, juridische, dan wel andersoortige reden) zal zulks ten spoedigste alsdan wel gerealiseerd worden waarbij zal worden gehandeld tussen partijen als ware de beoogde structuur en het gezamenlijke ondernemersbelang gerealiseerd. Ter zake van belang in privé wordt in het kader van deze overeenkomst slechts verstaan de aan 3e partijen op welke wijze dan ook ter beschikking gestelde onroerende zaken waarvan de (economische) eigendom bij [eisers] berust, uitdrukkelijk wordt uitgezonderd de door [eisers] en zijn/haar gezin bewoonde en bij hen in gebruik zijnde onroerende zaken, privé bankrekeningen en overige bezittingen .” 2.3. Hierna zijn partijen met elkaar in gesprek getreden ten behoeve van het opstellen van een addendum op de overeenkomst. De partij-notaris van [eisers] , de heer mr. [partij notaris van eisende partij] , heeft in dat kader concepten ter beoordeling aan partijen voorge In het kader van deze Overeenkomst en (als tegenprestatie voor) gewenste samenwerking tussen Partijen: i. sluiten de heer [eiser sub 1] en [gedaagde] hierbij een overeenkomst van koop op grond waarvan de heer [eiser sub 1] (als verkoper) aan [gedaagde] (als koper) zal leveren 20% van de geplaatste certificaten van aandelen in [beheer B.V. van eiser sub 1] B.V. voor een koopprijs van één euro (€ 1,00); en ii. sluiten de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiser sub 2] enerzijds en [gedaagde] anderzijds hierbij een overeenkomst van koop op grond waarvan de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiser sub 2] (als verkopers) aan [gedaagde] (als koper) zullen leveren een onverdeeld aandeel van twintig procent (20%) in het vastgoed dat hen gezamenlijk in eigendom toebehoort, mits dit behoort tot het box 3 vermogen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 2021 en voor zover dit in gebruik is bij derden (het bij hen zelf in gebruik zijnde vastgoed is zodoende uitgezonderd), voor een koopprijs van één euro (€ 1,00). Partijen zullen de koopovereenkomsten op zo fiscaal gunstig mogelijke wijze nakomen. (…) 7.3. [gedaagde] zal opdracht geven aan een notaris, niet zijnde een aan [notariskantoor] verbonden notaris (aangezien laatstgenoemd notariskantoor optreedt als partij-notaris van [eisers] ), om de leveringen krachtens de hiervoor in artikel 7.1 bedoelde koopovereenkomsten te verzorgen, waarbij uitgangspunt is dat: a. (…) b. alle hypotheekhouders, banken (deze laatste voor zover dit op grond van het bepaalde in financieringsdocumentatie daadwerkelijk nodig is) en eventuele overige belanghebbenden, voor zover deze er zijn, waarmee een dusdanige contractuele verhouding bestaat dat op grond hiervan hun voorafgaande toestemming nodig is, hieraan hun voorafgaande toestemming dienen te verlenen;(…) 7.5. De baten (waaronder de huurinkomsten) en de lasten van het artikel 7.1.ii omschreven vastgoed komen vanaf het moment dat een (onverdeeld) aandeel van twintig procent (20%) in het vastgoed door [gedaagde] is verkregen, naar rato van dit aandeel, ten gunste en ten laste van [gedaagde] , waarbij bij de overdracht (van het 20% belang in het in artikel 7.1.ii omschreven vastgoed) de situatie zal worden bereikt als omschreven in artikel 7 van de Akte van 22 juni 2023. Indien en voor zover de baten de lasten overtreffen, zal het (positieve) verschil niet aan [gedaagde] worden uitgekeerd, maar is [gedaagde] verplicht, uitsluitend zolang er een liquiditeitsbehoefte binnen het [eisers] -concern bestaat, dit [eisers] -concern te financieren. ” 2.6. Op 26 april 2024 zijn partijen een tweede addendum met elkaar overeengekomen (hierna: addendum II), waarin onder meer het volgende is bepaald: “ 1.2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.1 van de Overeenkomst zijn Partijen overeengekomen dat de levering van de in artikel 7.1 bedoelde certificaten en het aandeel in het vastgoed zal plaatsvinden op het moment dat beide in artikel 7.1 van de Overeenkomst bedoelde vermogens (dus 7.1.i en 7.1.ii; te weten het gehele vastgoedvermogen (waarvan een aandeel van twintig procent (20%) zal worden geleverd) en het [eisers] , geconsolideerd bezien, een loan- to-value hebben van zestig procent (60%) of lager . 1.3. In afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in artikel 7.5 van de Overeenkomst: - is de ingangsdatum waarop het saldo van baten en lasten ten gunste komt van [gedaagde] bepaald op 23 augustus 2023; - (…) - wordt tussen Partijen in onderling overleg vastgesteld of er al dan niet (nog) een liquiditeitsbehoefte in de zin van artikel 7.5 van de Overeenkomst bestaat. Indien het Partijen niet lukt om dit in onderling overleg vast te stellen, zullen Partijen gezamenlijk dan wel de meest gerede Partij een externe onafhankelijke financiële deskundige (bijvoorbeeld een registeraccountant) benoemen die dit alsdan namens Partijen zal bepalen. ” 2.7. Op 19 september 2024 zijn partijen een derde addendum overeengekomen (hierna: addendum III), waarin onder andere bepalingen Daarnaast is [eisers] niet gehouden om meer informatie of bescheiden aan [gedaagde] te verstrekken, dan zij reeds gedaan heeft. 4 De beoordeling in conventie Toetsingskader opheffing conservatoir beslag 4.1. Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een conservatoir beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Het ligt daarbij op de weg degene die opheffing vordert, om met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van de beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter dient aan de hand van een beoordeling van hetgeen door partijen is aangevoerd te beoordelen of het beslag al dan niet moet worden opgeheven, waarbij de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen. De door [gedaagde] gestelde vordering 4.2. [gedaagde] heeft in haar beslagrekest gesteld dat zij een vordering op [eisers] heeft ter zake van huuropbrengsten vanaf 23 augustus 2023, onder verwijzing naar de overeenkomst en addenda die partijen met elkaar zijn overeengekomen. Ten aanzien daarvan zijn de volgende twee aspecten in onderhavige zaak relevant: De overdracht van - zoals partijen noemen - het “20%-vastgoedbelang” van [eisers] aan [gedaagde] (zoals bedoeld in artikel 7.1.ii van addendum I); en Het aan [gedaagde] ten gunste komen van het saldo van de baten (waaronder huurinkomsten) en de lasten, naar rato van dat 20%-vastgoedbelang, zoals bedoeld in artikel 7.5. in addendum I en artikel 1.3 van addendum II. Over het moment waarop dit 20%-vastgoedbelang aan [gedaagde] wordt overgedragen, hebben partijen in de loop van de tijd diverse afspraken gemaakt. In eerste instantie streefden partijen ernaar om het 20%-vastgoedbelang binnen zes weken na het ondertekenen van de koopovereenkomst aan [gedaagde] over te dragen. Daarna is in addendum I overeengekomen dat de levering daarvan zou plaatsvinden nadat is voldaan aan het bepaalde in artikel 7.3 van addendum I (waaronder het verkrijgen van toestemmingen van hypotheekhouders en banken) en tot slot is in addendum II overeengekomen dat de levering pas plaatsvindt als de in artikel 7.1 van de overeenkomst bedoelde vermogens een loan-to-value hebben van 60% of minder. 4.3. Ter zitting is bevestigd dat er nog geen overdracht heeft plaatsgevonden van het 20%-vastgoedbelang. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het saldo van de baten (waaronder de huurinkomsten) en lasten, behorend bij dit 20%-vastgoedbelang, reeds nu ten gunste dient te komen van [gedaagde] . Om die vraag te kunnen beantwoorden, is van belang wat partijen hierover met elkaar zijn overeengekomen. In artikel 7.5. van addendum I is hierover voor het eerst het volgende bepaald: “ De baten (waaronder de huurinkomsten) en de lasten van het artikel 7.1.ii omschreven vastgoed komen vanaf het moment dat een (onverdeeld) aandeel van twintig procent (20%) in het vastgoed door [gedaagde] is verkregen, naar rato van dit aandeel, ten gunste en ten laste van [gedaagde] , waarbij bij de overdracht (van het 20% belang in het in artikel 7.1.ii omschreven vastgoed) de situatie zal worden bereikt als omschreven in artikel 7 van de Akte van 22 juni 2023 . ” (onderstreping voorzieningenrechter) 4.4. [eisers] stelt dat met de onderstreepte passage is bedoeld dat - zodra de overdracht van het 20%-vastgoedbelang plaatsvindt - met terugwerkende kracht het saldo van de baten en lasten van dat vastgoed, naar rato van het belang daarin, ten gunste en ten laste van [gedaagde] komt. Dit was gelegen in het feit dat het onmogelijk was gebleken om na het sluiten van de overeenkomst direct tot overdracht van het 20%-vastgoedbelang over te gaan. Met dit artikel zou volgens [eisers] een oplossing zijn bedacht voor het eventuele rendement dat [gedaagde] zou missen als gevolg van de uitgestelde levering Ook die omstandigheid lijkt erop te duiden dat partijen niet een significante afwijking voor ogen hadden gehad. Te meer omdat ten tijde van addendum I wel uitdrukkelijk is gesproken over de inhoud en bedoeling van de bepaling in addendum I en daar blijkens die daaraan voorafgaande e-mailwisseling (r.o. 2.4) toen niet is gekozen voor de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Het betoog van [gedaagde] om de bepaling uit te leggen aan de hand van de contra proferentem-regel volgt de voorzieningenrechter, in het licht van het voorgaande en gelet op de wijze waarop addendum II tot stand is gekomen, niet. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat bij het opstellen van addendum II [eisers] weliswaar werd bijgestaan door een partij-notaris, maar dat [gedaagde] zelf ook mede-opsteller was van die overeenkomst. 4.10. [gedaagde] heeft verder nog gesteld dat de bepaling in artikel 1.3 van addendum II is ingeluid met de zinsnede “in afwijking van”, hetgeen erop zou duiden dat partijen hebben willen afwijken van artikel 7.5. De voorzieningenrechter volgt dat niet. In de aanhef wordt immers ook de zinsnede “in aanvulling op” gehanteerd. Aangezien het artikel bestaat uit meerdere onderdelen, is niet te herleiden of de zinsnede “in afwijking van” ziet op de bepaling ten aanzien van het saldo aan baten en lasten en/of dit ziet op de overige in dat artikel genoemde onderdelen. 4.11. De voorzieningenrechter komt daarmee tot de conclusie dat de uitleg die [eisers] aan de betreffende bepaling geeft voorshands aannemelijk wordt geacht. Dat betekent dat [gedaagde] op dit moment (nog) geen aanspraak kan maken op het saldo van baten en lasten behorende bij haar 20%-vastgoedbelang, en daarmee dus ook niet op de huuropbrengsten daaruit. Die vordering ontstaat mogelijk wel in de toekomst, maar dit betreft een dermate toekomstige en onzekere vordering dat de belangen van [eisers] bij het opheffen van het beslag groter zijn dan het belang van [gedaagde] bij het leggen daarvan. Er is op vijf bankrekeningen beslag gelegd, hetgeen hoe dan ook consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van [eisers] , terwijl [gedaagde] slechts een toekomstige en onzekere vordering ten aanzien van een deel van de huuropbrengsten heeft. 4.12. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook artikel 3:172 BW geen grondslag biedt voor de vordering van [gedaagde] op [eisers] Dit artikel heeft betrekking de aanspraak op vruchten en andere voordelen die een gemeenschappelijk goed oplevert, terwijl tussen partijen geen sprake is van een gemeenschappelijk goed. 4.13. Ter zitting heeft [gedaagde] nog gesteld dat zij ook nog een opeisbare vordering op [eisers] heeft ter zake van advocaatkosten ten bedrage van € 81.675,00. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] deze vermeende vordering niet aan haar verzoek tot het verlenen van conservatoir derdenbeslag ten grondslag heeft gelegd, zodat uit dien hoofde ook geen verlof is verleend. [gedaagde] kan in onderhavige procedure tot opheffing van het gelegde beslag geen andere vermeende vordering aan dat beslag ten grondslag leggen, voor zover dat al haar bedoeling is geweest. 4.14. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eisers] aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering op grond waarvan [gedaagde] beslag heeft laten leggen ondeugdelijk is in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. De voorzieningenrechter zal het beslag dat [gedaagde] ten laste van [eisers] heeft gelegd opheffen. Om zo min mogelijk tijd te verliezen zal [gedaagde] daarnaast worden veroordeeld om binnen één dag na betekening van dit vonnis, al datgene te doen wat nodig is om de beslagen feitelijk opgeheven te krijgen, waaronder begrepen het informeren van alle derdenbeslagenen. De daaraan gekoppelde dwangsom zal de voorzieningenrechter toewijzen. Weliswaar heeft [gedaagde] aangevoerd dat een dwangsom niet nodig en disproportioneel is, maar gelet op het belang van [eisers] om de beslagen zo spoedig mogelijk van de rekeningen af te krijge