Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-09-15
ECLI:NL:RBNNE:2025:4698
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/349 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en Raad voor de Kinderbescherming, de RvdK (gemachtigde: mr. B. Rijkse). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om vernietiging van alle persoonsgegevens die de RvdK over hem heeft verwerkt. Het kinddossier bij de RvdK bevat dertien kindzaken, waarvan elf strafonderzoeken en twee onderzoeken naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. De RvdK heeft het verzoek toegewezen ten aanzien van de strafonderzoeken en het verzoek afgewezen ten aanzien van de kinderbeschermingsonderzoeken. Eiser wil dat de kinderbeschermingsonderzoeken ook vernietigd worden. Daarnaast stelt hij dat een bestuurlijke dwangsom van € 322,- is verbeurd en wil hij een schadevergoeding omdat de RvdK te laat tot vernietiging van de strafonderzoeken is overgegaan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser recht heeft op schadevergoeding. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 10 juni 2024 op grond van artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verzocht om vernietiging van alle persoonsgegevens die de RvdK over hem heeft verwerkt. 2.1. De RvdK heeft het verzoek op 4 september 2024 deels toegewezen en deels afgewezen. De kindzaken kinderbeschermingsonderzoeken worden niet verwijderd/vernietigd en de kindzaken strafonderzoeken worden wel verwijderd/vernietigd. 2.2. Met het bestreden besluit van 6 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de RvdK bij dat besluit gebleven. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de RvdK. Beoordeling door de rechtbank Had de RvdK ook de kinderbeschermingsonderzoeken moeten vernietigen? 3. Eiser stelt dat de RvdK onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet is overgegaan tot verwijdering van het kinddossier en de kindzaken beschermingsonderzoeken. Hij vindt dat het besluit indruist tegen zijn recht op vergetelheid. 3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het verzoek van eiser betreft een verzoek tot wissing van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de AVG (het zogenoemde recht op vergetelheid). Zo’n verzoek moet, op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG onder meer worden toegewezen als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. 3.2. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de AVG is de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de in a tot en met f genoemde voorwaarden is voldaan. Volgens de RvdK is hier voorwaarde e van toepassing: de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e van de AVG). 3.3. Op grond van artikel 17, derde lid, onder b, van de AVG heeft eiser geen recht op wissing van persoonsgegevens voor zover de verwerking nodig is voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. 3.4. In dit geval stelt de RvdK zich op het standpunt dat hij een gerechtvaardigde grond heeft om de betreffende persoonsgegevens te verwerken en dat eiser geen beroep kan doen op artikel 17, eerste lid, van de AVG, gelet op de taak van algemeen belang van de RvdK. Ook is de RvdK van mening dat het belang van het doen van een gedegen onderzoek zwaarder weegt dan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling overweegt de rechtbank dat uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG volgt dat op het bestuur geen plicht rust om persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen indien op haar een wettelijke verwerkingsplicht rust. Op grond van artikel 3 van de Archiefwet is het bestuur verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 3.12. Volgens Deel II, Cluster 1, kinderbescherming (pagina 93) van de selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers vanaf 5 mei 1945, vastgesteld op 9 april 2021 (Stcrt. 12 april 2021, nr. 17848), die is vastgesteld krachtens artikel 5 van de Archiefwet, geldt voor de bewaartermijnen bij de RvdK dat het soort bemoeienis van de RvdK bepaalt of het dossier uiteindelijk wordt vernietigd en op welk moment dat gebeurt. In deze selectielijst is onder volgnummer 8.7 opgenomen dat een beschermingsonderzoek, zoals in het geval van eiser is uitgevoerd, 100 jaar na de geboorte van het kind wordt vernietigd. 3.13. Naar het oordeel van de rechtbank voert de RvdK een taak van algemeen belang uit. Het Kwaliteitskader is verder een duidelijke en nauwkeurige rechtsgrondslag als bedoeld in punt 41 in de considerans. Het Burgerlijk Wetboek, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de beleidsregel fungeren als basis voor de verwerking op grond van de vervulling van een taak van algemeen belang. De verwerking van de gegevens waarvan eiser om wissing vraagt, zijn voorts noodzakelijk ter uitvoering van de door de RvdK uit te voeren taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. De RvdK heeft zich daarom kunnen beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG, als gevolg waarvan eiser geen recht heeft op vernietiging van de dossiers. 3.14. De RvdK heeft aangegeven in het kader van zorgvuldigheid een belangenafweging te hebben verricht. Volgens de RvdK staat het bewaren van persoonsgegevens eiser niet in de weg aan het maken van een nieuwe start, mede omdat de gegevens niet – zomaar – door anderen te raadplegen zijn, terwijl het bewaren van de gegevens noodzakelijk kan zijn voor (toekomstige) betrokkenheid van de RvdK bij (familie van) eiser. De RvdK heeft op zitting desgevraagd toegelicht dat de inhoud van het dossier geen verschil maakt voor de beoordeling van een vernietigingsverzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de RvdK had moeten afwijken van de geldende bewaartermijn. De RvdK heeft mogen oordelen dat eiser zijn persoonlijke belang daar onvoldoende grond voor geeft. Is er een bestuurlijke dwangsom verbeurd? 4. De rechtbank is van oordeel dat de RvdK ter zitting voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het verzoek van eiser op 19 juni 2024 is ontvangen en dat op 17 juli 2024, aldus tijdig, schriftelijk de beslistermijn is verlengd. Aldus is de RvdK geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. De beroepsgrond slaagt niet en de verwijzing naar de jurisprudentie treft geen doel. Heeft eiser recht op een schadevergoeding? 5. Eiser stelt dat de Justitiële informatiedienst (Justid) en/of het Pieter Baan Centrum (PBC) en/of NIFP toegang hebben tot het dossier van de RvdK. Hij veronderstelt dat de rapporteur van het PBC voor het onderzoek naar eiser zijn geestesvermogens het dossier van de RvdK heeft geraadpleegd. Dit was niet gebeurd als de RvdK tijdig tot vernietiging was overgegaan. Eiser wil een schadevergoeding omdat hij frustratie heeft ondervonden als gevolg van het niet tijdig verwijderen van de elf strafonderzoeken. De schade is evident, reeds wegens derving aan vertrouwen in de overheid en het schenden van het recht op privacy. Het gaat namelijk om bijzonder privacygevoelige geg Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) Artikel 6Rechtmatigheid van de verwerking1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.2. De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:a) Unierecht; ofb) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.4. Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doel