Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-09-02
ECLI:NL:RBNNE:2025:4697
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2892 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en De korpschef van Politie, Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (gemachtigde: mr. J. Robbers). Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over de afwijzing van zijn aanvraag in het kader van de Wet open overheid (Woo). 1.1. Eiser heeft op 21 april 2024 een aanvraag ingediend op grond van de Woo. 1.2. De korpschef van Politie (de korpschef) heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij de afwijzing gebleven. 1.3. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de korpschef. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. 1.5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Standpunten van partijen 2. De korpschef stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek - voor zover het de periode 1 januari 2014 tot en met 11 februari 2024 betreft - een herhaald verzoek is en het daarom wordt afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 9 april 2024 en de daarbij behorende motivering betreffende het eerdere verzoek. De korpschef stelt verder dat - voor zover het de periode 12 februari 2024 tot en met 21 april 2024 betreft - de Wet politiegegevens (Wpg) en/of de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in de weg staat aan toewijzing van het verzoek omdat deze regeling betreffende de op de persoon van eiser betrekking hebbende gegevens voorrang heeft. Hieruit volgt volgens de korpschef dat er niet wordt toegekomen aan artikel 5.5 van de Woo omdat de Wpg en of de AVG de openbaarheid en/of de individuele verstrekkingen uitputtend regelt. Indien het verzoek betreffende de periode 1 januari 2014 tot en met 11 februari 2024 niet als een herhaald verzoek kan worden aangemerkt, geldt dat ook daar de Wpg en/of de AVG in de weg staat aan de toewijzing van het verzoek. 3. Eiser stelt dat er geen sprake is van een herhaalverzoek. Daarnaast stelt eiser dat de korpschef voorbij gaat aan artikel 4.1 van de Woo en ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De AVG is, net als de Wpg, geen lex specialis en voorziet niet in de verstrekking van afschriften en de openbaarmaking van stukken. Tot slot voert eiser aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Beoordeling door de rechtbank 4. De korpschef heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat door eiser in bezwaar geen gronden waren gericht tegen het in het besluit van 29 april 2024 opgenomen standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen, indien het - voor zover het de periode 1 januari 2014 tot en met 11 februari 2024 betreft - niet als een herhaald verzoek kan worden aangemerkt. Het beroep is volgens de korpschef is zoverre niet-ontvankelijk. 4.1. De rechtbank verwerpt deze stelling en overweegt als volgt. In bezwaar heeft eiser gesteld dat de korpschef er ten onrechte vanuit gaat dat sprake is van een herhaald verzoek. Het gaat volgens eiser om een nieuw en losstaand verzoek. Daarbij stelt eiser dat artikel 15 van de AVG, en de Wpg, niet voorzien in inzage en openbaarmaking van de stukken. Eisers bezwaar, gericht tegen het standpunt dat sprake is van een herhaald verzoek, kan aldus niet anders worden begrepen als mede te zijn gericht tegen het standpunt van de korpschef dat - voor zover het geen herhaald verzoek betreft - het verzoek moet worden afgewezen. Is eisers verzoek gedeeltelijk een herhaald verzoek? 5. Eiser heeft op 11 februari 2024 een Woo-verzoek gedaan dat ziet op alle (digitale) bescheiden en stukken die betrekking hebben op zijn persoon, zoals (interne) e-mails, communicatie, contact met De beroepsgrond slaagt niet en de verwijzing naar artikel 4.1 van de Woo faalt gelet op het voorgaande eveneens. Had de korpschef eiser moeten horen? 7. Eisers beroepsgrond dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, slaagt evenmin. De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat uit het bezwaarschrift van eiser, gelet op de juiste afwijzingsgrond van de korpschef zoals omschreven onder 5.1 en 6.2, aanstonds bleek dat het geen kans van slagen had. De korpschef heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, aanhef en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en op die grond van het horen van eiser in de bezwaarfase kunnen afzien. Conclusie en gevolgen 8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van het Woo-verzoek van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.K. Lenting, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet open overheid Artikel 5.5, eerste lid, van de Woo bepaalt: Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. Wet politiegegevens Artikel 25, eerste lid, van de Wpg bepaalt: De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. Algemene Verordening Gegevensbescherming Artikel 15 van de AVG