Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-15
ECLI:NL:RBNNE:2025:467
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Mondelinge uitspraak
1,560 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 261167244
zaaknummer: 11239000 BU 24-1737
Proces-verbaal van de mondeling uitspraak gedaan ter openbare zitting van 15 januari 2025 in het beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), ingediend door
[betrokkene]
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: betrokkene.
Zitting hebben
als kantonrechter : mr. F. Sijens
als griffier : R. de Hoop
Betrokkene is ter zitting verschenen. Als vertegenwoordiger van de officier van justitie is verschenen mr. D. Hoveijn (hierna: de vertegenwoordigster).
De kantonrechter sluit het onderzoek en doet onmiddellijk mondeling uitspraak. Hij overweegt daarbij als volgt:
De verweten gedraging betreft: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 8 september 2023, om 10:14 uur, [pleeglocatie], met een bedrijfsauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde sanctie bedraagt € 119,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene betwist de gedraging en voert aan dat sprake was van laden en lossen. Betrokkene heeft ter zitting nader toegelicht dat hij twee vakantiehuizen heeft op [woonplaats] en dat hij op pleeglocatie aan het laden lossen was in verband met de wissel van appartementen. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij geen gemeentelijke vergunning heeft gekregen om aan de voorkant in de [locatie] te parkeren, maar dat er 30 jaar geleden met een medewerkster van de gemeente is afgesproken dat hij wel aan de achterkant in de berm mag parkeren op de [pleeglocatie]. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij op deze manier niet zijn bedrijf kan uitoefenen.
In Wahv zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat deze zag dat het voertuig van betrokkene er langer dan vijftien minuten stond geparkeerd. De verbalisant verklaart dat hij niemand heeft zien laden of lossen. De verbalisant verklaart dat het de eigenaar/bestuurder van het betrokken voertuig bekend is dat hier niet geparkeerd mag worden.
Niet in geding is dat op de locatie waar betrokkene zijn voertuig heeft neergezet een parkeerverbod, aangegeven door bord E1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), van kracht was. Ingevolge artikel 65, derde lid, van het RVV 1990 mag in een parkeerverbodszone slechts worden geparkeerd op daartoe bestemde weggedeelten. De kantonrechter dient te beoordelen of hier sprake was van laden en lossen, nu dit een uitzondering vormt op het verbod tot het parkeren binnen een parkeerverbodszone.
Artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) bepaalt dat onder parkeren wordt verstaan: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen moet worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.
In hetgeen door betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De kantonrechter overweegt dat de omstandigheid dat het voertuig van betrokkene in het onderhavige geval gedurende langer dan vijftien minuten stond geparkeerd en er geen laad- en losactiviteiten door de verbalisant zijn waargenomen, in beginsel met zich meebrengt dat van de vereiste onmiddellijkheid geen sprake meer is. Dat kan anders zijn indien betrokkene aannemelijk maakt dat er meer tijd nodig is geweest voor het afleveren van het goed. Hierin is betrokkene naar het oordeel niet geslaagd; het enkele verweer dat hij langer op onderhavige plek moet staan omdat hij zijn huurders te woord moet staan, is daartoe onvoldoende. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er sprake was van parkeren, waardoor de sanctie terecht aan betrokkene is opgelegd.
Alles overwegende kan op basis van de verklaring van de verbalisant voldoende worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In het door betrokkene gevoerde verweer zijn geen omstandigheden gelegen die aanleiding geven tot een wijziging van de sanctie.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
griffier, kantonrechter,
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Hoge Raad, 12 mei 1999 (ECLI:NL:HR:1999:AA2760).