Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-09-23
ECLI:NL:RBNNE:2025:4660
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/2955 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2025 in de zaak tussen [verzoeker 1] , [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [verzoeker 4] uit Groningen, verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen , het college (gemachtigde: M. Geraedts-van Dokkumburg, R. van Houdt, G. Demand en A. Roubos). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: VanWonen Investeringsmaatschappij B.V. uit Zwolle, derde-partij, (gemachtigden: S.P. Heijkoop en E. Bergsma) Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het vellen van het Betonbos. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en derde-partij die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekers als volgt af. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe ten aanzien van boom 33. De voorzieningenrechter vindt dat onvoldoende is aangetoond dat boom 33 minder dan 10 á 15 jaar te leven heeft en dus niet potentieel monumentaal is. De door het college in het kader van het te nemen besluit gemaakte belangenafweging vertoont daarom een gebrek. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, in afwachting van de uitspraak op het beroep het besluit te schorsen. Voor de overige, reeds gekapte, houtopstand wordt het verzoek afgewezen omdat geen sprake meer is van een spoedeisend belang. Procesverloop 2. Bij besluit van 27 december 2024 heeft het college aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van de houtopstand zoals oranje/rood gearceerd als ‘houtopstand verwijderen’ op de luchtfoto, die als bijlage 16 bij de Bomen Effect Analyse (BEA) is gevoegd. 2.1. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 4 april 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers afgewezen. Bij uitspraak van 1 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter een herhaald verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 2.2. Bij het bestreden besluit van 7 augustus 2025 op het bezwaar van verzoekers heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft de motivering aangevuld voor zover het betreft de belangenafweging en de compensatieplicht. 2.3. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Zij hebben daartoe een rapport van P van Otterloo van 14 augustus 2025 overgelegd. 2.4. Op 21 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat boom 33 niet gekapt mag worden tot de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. In de dagen daarna is de houtopstand gekapt, met uitzondering van boom 33. 2.5. Verzoekers hebben bij emailberichten van 24 en 27 augustus 2025 en 5, 8 en 9 september 2025 aanvullende gronden met bijlagen ingediend. 2.6. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Daarbij heeft het college een rapport van Stedelijk Groen gevoegd. 2.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoekers [verzoeker 1] , [verzoeker 4] en [verzoeker 3], de gemachtigden van het college en de gemachtigden van de derde-partij. Beoordeling door de voorzieningenrechter Procespartij 3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker [verzoeker 1] het verzoek en het beroep mede heeft ingediend namens [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [verzoeker 4]. Deze personen hebben verzoeker [verzoeker 1] gemachtigd om het verzoek en beroep namens hen in te dienen. De betreffende machtigingen zijn bi Het college heeft verder verwezen naar de reactie van Stedelijk Groen op het tegenadvies van P. van Otterloo. Daaruit blijkt dat Stedelijk Groen van mening is dat de aanwezige holte wel degelijk een gebrek is dat op termijn voor problemen kan zorgen. Stedelijk Groen blijft bij het standpunt dat de boom een verminderde levensverwachting heeft, waardoor deze niet (potentieel) monumentaal is. 6.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor boom 33, naast de vermeldingen over deze boom in de BEA, twee rapporten zijn ingediend, één door het college en één door verzoekers. 6.3. In de BEA van 9 oktober 2024 is het volgende opgenomen ten aanzien van boom 33: “Levensverwachting meer dan 15, fysiologische levensverwachting minder dan 5 jaar (holte in stamvoet van 97 cm), kiemjaar 1950, Rohlofscore 0”. 6.3.1. In het rapport van 14 augustus 2025 van P. van Otterloo van boomadviesbureau de Groenste Stad is ten aanzien van de conditie en toekomstverwachting aangegeven dat de conditieklasse goed is. De vitaliteit is ook goed (goede bladbezetting, bladkleur en twijglengte). De onderhoudstoestand is goed, geen achterstallig onderhoud waargenomen. Ten aanzien van de toekomstverwachting is aangegeven dat die meer dan 15 jaar bedraagt. Verder is daarin ten aanzien van de veiligheid en gebreken aangegeven: “Met de prikstok en door middel van klankafwijking is vastgesteld dat er een holte aanwezig is in de stamvoet, waarschijnlijk centraal in de stam. Gezien de soorteigenschappen van de Italiaanse populier, de aanwezigheid van harde, gezonde steunwortels en de goede algemene conditie, is er op dit moment geen aanleiding voor een geluidstomografisch onderzoek (meestal uitgevoerd met een PiCUS-apparaat) om de omvang van het resthout te bepalen. Wel wordt geadviseerd om de boom jaarlijks te inspecteren. Het behoud van de boom is verantwoord bij regulier toezicht en onderhoud”. Van Otterloo concludeert: “De onderzochte Italiaanse populier verkeert in goede conditie en vertoont geen gebreken die op korte termijn een veiligheidsrisico vormen. De holte aan de stamvoet is waarschijnlijk centraal gelegen en vormt in de huidige staat geen aanleiding voor ingrijpen. De boom kan behouden blijven, mits jaarlijkse inspecties plaatsvinden. Vanuit boomtechnisch oogpunt is er geen reden om kap te adviseren”. “Bij Italiaanse populieren is de stabiliteit en structurele weerbaarheid in hoge mate afhankelijk van hun steunwortelstructuur. Deze wortelvorm, waarbij brede platte wortels als steunsels zich uitspreiden biedt aanzienlijke extra stabiliteit. Daardoor kunnen dergelijke bomen vaak aanzienlijke interne holtes ontwikkelen zonder dat dat leidt tot instabiliteit of verhoogd risico. Dit mechanische effect komt overeen met de principes van ‘tree statics’, waarbij de combinatie van restwanddikte, houtsterkte en verankering bepalend is voor de breek- en kantelveiligheid van een boom Hoewel de literatuur specifieke studies naar dit soort wortelstelsel bij Populus nigra var. Italica schaars is, onderbouwen algemene mechanische principes binnen de boomveiligheidsbeoordeling dat een robuust wortelsysteem — zoals steunwortels — de stabiliteit behouden, zelfs bij aanzienlijke holtevorming.” 6.3.2. Het college heeft daarop een (ongedateerde) reactie ingediend van het bureau Stedelijk Groen. Daarin is - onder meer - het volgende opgenomen: “De boom heeft een goede conditie en op basis van een goede bladbezetting heeft de boom conform de methodiek van Roloff (zie bijlage 6 in BEA) een levensverwachting van meer dan 15 jaar. Indien echter een boom ondanks een goede bladbezetting een serieus gebrek vertoont (bijvoorbeeld een parasitaire zwamaantasting, een plakoksel of een holte met beperkte restwand) vertalen wij dit in de fysiologische levensverwachting. Met genoemde reden hebben wij de fysiologische levensverwachting op maximaal 5 jaar gezet . ” Uit het rapport blijkt verder dat nader onderzoek is gedaan naar de holte. Daarover is het volgende opgenomen: “ De oorzaak van de ho Daarbij komt dat slechts sprake is van een theoretische benadering. Volgens de windbelastinganalyse is het mogelijk dat de boom het verlies aan breuksterkte door de uitholling (deels) heeft weten te compenseren door het hout van nieuwe jaarringen sterker te maken. In dat geval valt de breuksterktefactor hoger uit. 6.3.4. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter niet aangetoond dat de boom minder dan 10 á 15 jaar te leven heeft en dus niet potentieel monumentaal is. Het college is er bij in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging daarom ook ten onrechte vanuit gegaan dat de boom niet potentieel monumentaal is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ontbeert het besluit daarom een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering. Nu twijfels bestaan over de rechtmatigheid van het besluit ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, in afwachting van de uitspraak op het beroep, het bestreden besluit en het primaire besluit in het kader van een belangenafweging te schorsen. Immers, de kap van de boom is onomkeerbaar terwijl niet gesteld of gebleken is dat derde-partij grote belangen heeft bij een spoedige kap van - enkel - boom 33. Compensatieplicht 7. Verzoekers hebben in de aanvullende gronden van 8 september 2025 gesteld dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft verwezen naar artikel 6, tweede lid, van de beleidsregels, terwijl volgens hen artikel 6, derde lid, van de beleidsregels van toepassing is. Zij hebben aangevoerd dat geen sprake is van hakhout, bosplantsoen of (lint)begroeiing zoals genoemd in artikel 6, tweede lid, van de beleidsregels maar van een potentieel monumentale houtopstand. Het bos wordt bovendien gekapt vanwege ‘dringende redenen’, te weten een ruimtelijke ontwikkeling, waarop artikel 6, derde lid, van de beleidsregels van toepassing is. Dat betekent ook dat de financiële compensatie moet worden bepaald aan de hand van de nominale waarde van de gevelde en aangeplante bomen, die wordt bepaald conform de meest recente richtlijn van de Nederlandse vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). De houtopstand had daarom moeten worden getaxeerd door een onafhankelijke NVTB-taxateur, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter ook in dit kader verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de gevelde houtopstand niet wordt afgevoerd. 7.1 Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat artikel 6, tweede lid, van de beleidsregels in dit geval van toepassing is omdat in dit geval sprake is van een houtopstand en niet van bomen. Dat is ook de bepaling die is gehanteerd in het bestreden besluit. 7.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit het vergunningvoorschrift over financiële compensatie heeft aangepast. In het primaire besluit van 17 december 2024 heeft het college bepaald dat een herplantplicht wordt opgelegd voor 500 m2 houtopstand met een plantmaat 80-100. Dit moet gereed zijn binnen één jaar na gereed komen van de plantlocatie conform de BEA en het handboek Groninger Boom. Voor de overige are heeft het college (alleen) aangegeven dat volgens een anterieure overeenkomst moet worden gecompenseerd. In het bestreden besluit heeft het college bepaald dat het gaat om een financiële compensatie als bedoeld in artikel 4 en 6 van de beleidsregels, voor een bedrag van € 650.178,18. Dat bedrag wordt specifiek aangemerkt voor vergroening van Stadshavens danwel de nabije omgeving. Nu niet duidelijk is wanneer Stadshavens gereed zal zijn heeft het college geen uiterste datum genoemd voor het inzetten van het bedrag maar heeft het college bepaald dat het bedrag moet worden ingezet binnen één jaar na het verrichten van de laatste werkzaamheden door of namens Stadshavens B.V. in het plangebied. 7.1.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 6, eerste lid, van de beleidsregels bepaalt dat het college een financiële compensatie oplegt indien vanwege een ruimtelij De voorschriften als genoemd in artikel 4:9 vierde, vijfde en zesde zijn hier ook van toepassing. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. Beleidsregels APVG Behoud van groen: kap en herplant 2022 Artikel 1 Definities l. potentieel monumentale houtopstand: de houtopstand die voldoet aan de hierna te noemen basisvoorwaarden en aan tenminste één van de hierna te noemen specifieke voorwaarden: 1. basisvoorwaarden: -. tussen 35 en 50 jaar oud; -. voldoende conditie; minimaal 10 à 15 jaar nog te leven; 2. specifieke voorwaarden: -. onderdeel ecologische infrastructuur; -. onderdeel karakteristieke boom groep/laanbeplanting; -. onderdeel zeldzame biotoop; -. zeldzaam, gedenkboom; -. bepalend voor de omgeving; -. herkenningspunt; Artikel 2 1. Het college toetst een aanvraag om een omgevingsvergunning op het belang voor het behoud van de houtopstand en op het belang voor het verwijderen van de houtopstand. Hierbij toetst het college op de criteria ‘kwaliteit’, ‘overlast’, ‘dringende reden’ of ‘waardering’. … 7 . Het college toetst voor het criterium ‘dringende reden’ de volgende aspecten: a. ruimtelijke ontwikkeling; b. bouwplan; c. rendementsverlies energie-opwekkers; d. sloopmelding; e. groot onderhoud. 9. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een vastgestelde Boom Effect Analyse (BEA) bij te voegen zoals opgesteld volgens de richtlijn BEA, opgesteld door de landelijke Bomenstichting en CROW. Deze BEA moet conform deze richtlijn worden opgesteld vanaf de initiatieffase als een doorlopend advies. a. Het college stelt de BEA vast indien er sprake is van een negatieve balans op de houtopstand, en/of er sprake is van geveld houtopstand in Stedelijke Ecologische Structuur (SES)gebied ongeacht de groenbalans, en/of als er sprake is van het vellen van monumentaal houtopstand ongeacht de groenbalans; b. Het college mandateert in de overige gevallen de teamleider VTH tot het vaststellen van de BEA. Artikel 3 Eisen aan een Boom Effect Analyse 1. Een BEA dient opgesteld te zijn conform de richtlijn Boom Effect Analyse, zoals opgesteld door de Bomenstichting en het CROW en dient de volgende aanvullende onderdelen te omvatten: a. het aantal bomen, en de oppervlakte houtopstand; b. boomsoort (Nederlandse en wetenschappelijke naam); c. diameter van de stam op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld; d. schaalvaste tekening waarop de ingemeten bomen (met weergave van de kroonprojectie) staan weergegeven; e. unieke boomnummering: op de tekening vermelding van een verkort nummer, in de inventarisatielijst vermelding van zowel het verkorte als het gemeentelijke boomnummer;. f. staat de boom in de basisgroenstructuur, bomenhoofdstructuur of stedelijke ecologische structuur (uitkomsten onderzoek op grond van de Wet natuurbescherming opnemen); g. verplantbaarheid (nader onderzoek wortelpakket, ligging kabels en leidingen, transport mogelijkheden, nieuwe locatie); h. conditie van de boom (op basis van Roloff); i. opdruk van verharding door boomwortels; j. bijzonderheden van de boom (meerstammig, leiboom, knotboom, gedenkboom e.d.); k. (potentiële) monumentale boom; l. herplant in het projectgebied of in de directe omgeving (straal 500 meter) van het projectgebied; m. de hoogte van de eventuele financiële compensatie. Artikel 4 Herplantplicht en groencompensatie 1. Het college legt voor iedere gevelde houtopstand een herplantplicht voor een nieuwe houtopstand op, hetzij op dezelfde locatie, hetzij in de directe omgeving (binnen 500 meter3) tenzij: 1. De standplaats van de houtopstand vanwege een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnt en er binnen het projectgebied of in de directe omgeving van het projectgebied geen geschikte ruimte voor een nieuwe houtopstand is dient een compensatie als bepaald in artikel 6 in het groencompensatiefonds te worden gesto