Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-09-30
ECLI:NL:RBNNE:2025:4125
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,620 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2310
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Bom),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven, de inspecteur
(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 maart 2024.
1.2.
De inspecteur heeft aan eiser een aanslag erfbelasting opgelegd (de aanslag) met een te betalen bedrag van € 1.362.725.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 1.362.273.
1.4.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, [bijstand eiser] en [bijstand eiser] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [medewerker inspecteur] , [medewerker inspecteur] en [medewerker inspecteur] .
Feiten
2.
2.1.
Op 26 december 2019 is de moeder van eiser, [moeder van eiser] (erflaatster), overleden. Erflaatster heeft eiser benoemd tot haar enige erfgenaam.
2.2.
De nalatenschap bestaat onder meer uit alle aandelen in het kapitaal van [naam vennootschap] B.V. (de vennootschap). Dit is een fiscaal transparante vennootschap als bedoeld in artikel 7a van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). Tot de bezittingen van de vennootschap behoort het opengestelde landgoed “ [naam landgoed] ” (het landgoed). Het landgoed is gerangschikt als landgoed in de zin van de NSW. De vennootschap drijft met het overgrote deel van de tot het landgoed behorende landbouw-, bosbouw- en natuurgronden een (agrarische) onderneming, waarop de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van artikel 35b en verder van de Successiewet 1956 (SW) van toepassing is.
2.3.
Eiser heeft ter zake van de nalatenschap een aangifte erfbelasting ingediend. Hierbij heeft hij ter zake van het ondernemingsvermogen van de vennootschap een beroep gedaan op de voorwaardelijke vrijstelling van de BOR en ter zake van het landgoed op de invorderingsvrijstelling van artikel 7 NSW (de NSWfaciliteit).
2.4.
Eiser is in zijn aangifte voor de toepassing van de BOR uitgegaan van een waarde going concern van het ondernemingsvermogen van de vennootschap van € 2.220.227. Bij de vaststelling van de aanslag is de inspecteur niet hiervan uitgegaan, maar van een (hogere) liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen van € 53.364.828. Op grond van de BOR is een voorwaardelijke vrijstelling verleend van € 53.171.814.
2.5.
De verschuldigde erfbelasting bedraagt volgens de aanslag € 1.400.876 over een belaste verkrijging van € 7.066.747. Na aftrek van de NSW-faciliteit van € 38.151 is het te betalen aanslagbedrag € 1.362.725, zijnde de terstond invorderbare belasting.
2.6.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de NSW-faciliteit vastgesteld op € 38.603 en het te betalen aanslagbedrag op € 1.362.273.
Beoordeling
3. In geschil is welk bedrag aan erfbelasting (voorwaardelijk) buiten de invordering blijft op grond van de NSW-faciliteit.
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 1, lid 1, ten eerste van de SW wordt erfbelasting geheven over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde.
4.2.
Artikel 21, lid 1 van de SW bepaalt dat het verkregene in aanmerking genomen wordt naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.
4.3.
Artikel 21, lid 13 van de SW bepaalt dat de waarde van een onderneming wordt bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going concern), maar ten minste op de liquidatiewaarde.
4.4.
In artikel 7, eerste lid, van de NSW is bepaald dat, indien tot een verkrijging in de zin van de SW een onroerende zaak behoort die is aangemerkt als een landgoed - mits aan de in het daarop volgende lid gestelde voorwaarden is voldaan - geen invordering plaatsvindt van het verschil tussen de volgens de aanslag verschuldigde schenkbelasting onderscheidenlijk erfbelasting en de belasting, welke verschuldigd zou zijn, indien de onroerende zaak wordt gesteld op de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de zaak zou moeten worden toegekend, in geval daarop de last rustte om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen, dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Voor zover het landgoed overeenkomstig door Onze Ministers goedgekeurde regelen voor het publiek is opengesteld, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de waarde van dat landgoed gesteld op nihil.
Standpunten van partijen
5.
5.1.
Eiser stelt – samengevat – dat het bij artikel 7 van de NSW gaat om een vermindering van de (belastbare) waarde voor de erfbelasting met de NSW-gerangschikte bezittingen, zonder rekening te houden met eventuele daarmee samenhangende schulden. De NSW-faciliteit beperkt zich tot het op nihil stellen van de waarde van het landgoed en laat de overige grondslagen waarop de volgens de aanslag verschuldigde erfbelasting is gebaseerd, onveranderd. Volgens eiser moet de aanslag worden vastgesteld op € 113.641. Eiser berekent dit door de waarde going concern van de NSW-gerangschikte goederen van € 6.436.174 in mindering te brengen op de belaste verkrijging van € 7.066.747 (zie 2.5.). De belaste verkrijging met toepassing van de NSW-faciliteit bedraagt dan € 630.573, waarover de erfbelasting van € 113.641 direct invorderbaar is.
5.2.
De inspecteur voert – ook samengevat – aan dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Volgens de inspecteur moet voor de berekening van de verschuldigde erfbelasting worden uitgegaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen en de NSW-gerangschikte goederen. De liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen mét toepassing van de NSW-faciliteit bedraagt volgens de inspecteur € 459.846. De hierop volgende berekening van de inspecteur van de erfbelasting met toepassing van de NSW-faciliteit kan cijfermatig als volgt worden weergegeven:
Berekening
Verkrijging
Erfbelasting
Ondernemingsvermogen incl. landgoed
€ 459.856
Overige privé bezittingen
€ 7.778.876
Totaal bezittingen
€ 8.128.732
Totaal privé schulden
€ 697.178
Saldo nalatenschap
€ 7.431.554
-/- begrafeniskosten
€ 15.501
Zuiver saldo nalatenschap
€ 7.416.053
-/- 3 legaten kleinkinderen á € 20.616
€ 61.848
Verkrijging eiser
€ 7.354.205
-/- vrijstelling
€ 20.616
Belaste verkrijging zonder BOR
€ 7.333.589
-/- BOR vrijstelling
€ 459.856
Belaste verkrijging met BOR
€ 6.873.733
€ 1.362.273
Volgens de inspecteur bedraagt de vrijstelling op grond van de NSW-faciliteit dan: € 1.400.876 (zie 2.5) -/- € 1.362.273 = € 38.603.
Oordeel van de rechtbank
6.
6.1.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld die -naar haar weten- niet eerder aan een rechter is voorgelegd en die in de vakliteratuur tot op heden als een vooral theoretische mogelijkheid is besproken, namelijk de vraag hoe om te gaan met een geval waarin sprake is van een samenloop van de BOR en de NSW-faciliteit. De rechtbank leidt uit de tekst van artikel 7, eerste lid, van de NSW af dat voor de vaststelling van de hoogte van de NSW-faciliteit twee aparte berekeningen moeten worden gemaakt. De rechtbank duidt dit hierna aan als ‘berekening a’ en ‘berekening b’. Berekening a is de volgens de aanslag verschuldigde erfbelasting. Die bedraagt € 1.400.876 en is tussen partijen niet in geschil. Berekening b is de erfbelasting welke verschuldigd zou zijn als de waarde van het landgoed wordt gesteld op nihil.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moest de inspecteur, anders dan eiser meent, op grond van artikel 21, lid 13 van de SW voor berekening b uitgaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen. De liquidatiewaarde is in dit geval namelijk hoger dan de waarde going concern.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, voorzitter, en mr. M. Sanna en mr. O. Brands, leden, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 30 september 2025.
griffier
voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27 030, nr. 3, p. 11.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2310
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Bom),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven, de inspecteur
(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 maart 2024.
1.2.
De inspecteur heeft aan eiser een aanslag erfbelasting opgelegd (de aanslag) met een te betalen bedrag van € 1.362.725.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 1.362.273.
1.4.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, [bijstand eiser] en [bijstand eiser] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [medewerker inspecteur] , [medewerker inspecteur] en [medewerker inspecteur] .
Feiten
2.
2.1.
Op 26 december 2019 is de moeder van eiser, [moeder van eiser] (erflaatster), overleden. Erflaatster heeft eiser benoemd tot haar enige erfgenaam.
2.2.
De nalatenschap bestaat onder meer uit alle aandelen in het kapitaal van [naam vennootschap] B.V. (de vennootschap). Dit is een fiscaal transparante vennootschap als bedoeld in artikel 7a van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). Tot de bezittingen van de vennootschap behoort het opengestelde landgoed “ [naam landgoed] ” (het landgoed). Het landgoed is gerangschikt als landgoed in de zin van de NSW. De vennootschap drijft met het overgrote deel van de tot het landgoed behorende landbouw-, bosbouw- en natuurgronden een (agrarische) onderneming, waarop de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van artikel 35b en verder van de Successiewet 1956 (SW) van toepassing is.
2.3.
Eiser heeft ter zake van de nalatenschap een aangifte erfbelasting ingediend. Hierbij heeft hij ter zake van het ondernemingsvermogen van de vennootschap een beroep gedaan op de voorwaardelijke vrijstelling van de BOR en ter zake van het landgoed op de invorderingsvrijstelling van artikel 7 NSW (de NSWfaciliteit).
2.4.
Eiser is in zijn aangifte voor de toepassing van de BOR uitgegaan van een waarde going concern van het ondernemingsvermogen van de vennootschap van € 2.220.227. Bij de vaststelling van de aanslag is de inspecteur niet hiervan uitgegaan, maar van een (hogere) liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen van € 53.364.828. Op grond van de BOR is een voorwaardelijke vrijstelling verleend van € 53.171.814.
2.5.
De verschuldigde erfbelasting bedraagt volgens de aanslag € 1.400.876 over een belaste verkrijging van € 7.066.747. Na aftrek van de NSW-faciliteit van € 38.151 is het te betalen aanslagbedrag € 1.362.725, zijnde de terstond invorderbare belasting.
2.6.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de NSW-faciliteit vastgesteld op € 38.603 en het te betalen aanslagbedrag op € 1.362.273.
Beoordeling
3. In geschil is welk bedrag aan erfbelasting (voorwaardelijk) buiten de invordering blijft op grond van de NSW-faciliteit.
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 1, lid 1, ten eerste van de SW wordt erfbelasting geheven over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde.
4.2.
Artikel 21, lid 1 van de SW bepaalt dat het verkregene in aanmerking genomen wordt naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.
4.3.
Artikel 21, lid 13 van de SW bepaalt dat de waarde van een onderneming wordt bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going concern), maar ten minste op de liquidatiewaarde.
4.4.
In artikel 7, eerste lid, van de NSW is bepaald dat, indien tot een verkrijging in de zin van de SW een onroerende zaak behoort die is aangemerkt als een landgoed - mits aan de in het daarop volgende lid gestelde voorwaarden is voldaan - geen invordering plaatsvindt van het verschil tussen de volgens de aanslag verschuldigde schenkbelasting onderscheidenlijk erfbelasting en de belasting, welke verschuldigd zou zijn, indien de onroerende zaak wordt gesteld op de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de zaak zou moeten worden toegekend, in geval daarop de last rustte om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen, dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Voor zover het landgoed overeenkomstig door Onze Ministers goedgekeurde regelen voor het publiek is opengesteld, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de waarde van dat landgoed gesteld op nihil.
Standpunten van partijen
5.
5.1.
Eiser stelt – samengevat – dat het bij artikel 7 van de NSW gaat om een vermindering van de (belastbare) waarde voor de erfbelasting met de NSW-gerangschikte bezittingen, zonder rekening te houden met eventuele daarmee samenhangende schulden. De NSW-faciliteit beperkt zich tot het op nihil stellen van de waarde van het landgoed en laat de overige grondslagen waarop de volgens de aanslag verschuldigde erfbelasting is gebaseerd, onveranderd. Volgens eiser moet de aanslag worden vastgesteld op € 113.641. Eiser berekent dit door de waarde going concern van de NSW-gerangschikte goederen van € 6.436.174 in mindering te brengen op de belaste verkrijging van € 7.066.747 (zie 2.5.). De belaste verkrijging met toepassing van de NSW-faciliteit bedraagt dan € 630.573, waarover de erfbelasting van € 113.641 direct invorderbaar is.
5.2.
De inspecteur voert – ook samengevat – aan dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Volgens de inspecteur moet voor de berekening van de verschuldigde erfbelasting worden uitgegaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen en de NSW-gerangschikte goederen. De liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen mét toepassing van de NSW-faciliteit bedraagt volgens de inspecteur € 459.846. De hierop volgende berekening van de inspecteur van de erfbelasting met toepassing van de NSW-faciliteit kan cijfermatig als volgt worden weergegeven:
Berekening
Verkrijging
Erfbelasting
Ondernemingsvermogen incl. landgoed
€ 459.856
Overige privé bezittingen
€ 7.778.876
Totaal bezittingen
€ 8.128.732
Totaal privé schulden
€ 697.178
Saldo nalatenschap
€ 7.431.554
-/- begrafeniskosten
€ 15.501
Zuiver saldo nalatenschap
€ 7.416.053
-/- 3 legaten kleinkinderen á € 20.616
€ 61.848
Verkrijging eiser
€ 7.354.205
-/- vrijstelling
€ 20.616
Belaste verkrijging zonder BOR
€ 7.333.589
-/- BOR vrijstelling
€ 459.856
Belaste verkrijging met BOR
€ 6.873.733
€ 1.362.273
Volgens de inspecteur bedraagt de vrijstelling op grond van de NSW-faciliteit dan: € 1.400.876 (zie 2.5) -/- € 1.362.273 = € 38.603.
Oordeel van de rechtbank
6.
6.1.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld die -naar haar weten- niet eerder aan een rechter is voorgelegd en die in de vakliteratuur tot op heden als een vooral theoretische mogelijkheid is besproken, namelijk de vraag hoe om te gaan met een geval waarin sprake is van een samenloop van de BOR en de NSW-faciliteit. De rechtbank leidt uit de tekst van artikel 7, eerste lid, van de NSW af dat voor de vaststelling van de hoogte van de NSW-faciliteit twee aparte berekeningen moeten worden gemaakt. De rechtbank duidt dit hierna aan als ‘berekening a’ en ‘berekening b’. Berekening a is de volgens de aanslag verschuldigde erfbelasting. Die bedraagt € 1.400.876 en is tussen partijen niet in geschil. Berekening b is de erfbelasting welke verschuldigd zou zijn als de waarde van het landgoed wordt gesteld op nihil.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moest de inspecteur, anders dan eiser meent, op grond van artikel 21, lid 13 van de SW voor berekening b uitgaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen. De liquidatiewaarde is in dit geval namelijk hoger dan de waarde going concern.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, voorzitter, en mr. M. Sanna en mr. O. Brands, leden, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 30 september 2025.
griffier
voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27 030, nr. 3, p. 11.