Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-06-10
ECLI:NL:RBNNE:2025:4122
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,714 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-267850-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 juni 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 augustus 2024 te Bolsward, in de gemeente Súdwest-Fryslân, in een woning gelegen aan of bij het [adres] , aldaar,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [aangeefster] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 augustus 2024 te Bolsward, in de gemeente Súdwest-Fryslân, in een woning gelegen aan of bij het [adres] , aldaar,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk van het leven te beroven, met opzet, die [aangeefster] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 augustus 2024 te Bolsward, in de gemeente Súdwest-Fryslân, in een woning gelegen aan of bij het [adres] , aldaar, aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een snijwond in de hals (van ongeveer 7 centimeter tot op de
halsspieren), heeft toegebracht, door die [aangeefster] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, althans in het lichaam, te steken en/of te snijden;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 augustus 2024 te Bolsward, in de gemeente Súdwest-Fryslân,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangeefster] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, omdat er geen voorbedachte raad kan worden vastgesteld. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot doodslag, tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, en een contactverbod met aangeefster [aangeefster] . Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Aangeefster heeft direct en consistent verdachte aangewezen als degene die haar heeft verwond met een mes. Dit past in het beeld dat in het dossier naar voren komt van verdachte als een gevaarlijke, bezitterige en jaloerse man. Ook volgt uit de uitwerking van het 112-gesprek dat verdachte direct een plan bedenkt om de schuld op een ander af te schuiven en dat hij tegen aangeefster zegt dat zij niets over hem moet verklaren. Tot slot bevatten de verklaringen van verdachte inconsistenties en is verdachte onbetrouwbaar blijkens getuigenverklaringen, terwijl de verklaringen van aangeefster consistent en betrouwbaar zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Volgens verdachte heeft aangeefster zichzelf met een mes in de hals gesneden, waarschijnlijk vanwege psychische problematiek en alcoholgebruik. Verdachte heeft 112 gebeld en in dat gesprek ook gevraagd om de politie, hetgeen niet logisch zou zijn als hij degene was die haar had verwond. Daarbij heeft hij ook de wond verbonden.
Als verdachte aangeefster iets aangedaan zou hebben, is het niet logisch dat zij niet heeft geprobeerd om te vluchten of om hulp te schreeuwen. Ook wilde zij eerst geen aangifte doen en zegt ze in de uiteindelijke aangifte: ik heb mij dit zelf niet aangedaan, wat een bijzondere opmerking is, die uit de lucht lijkt te komen vallen. Verder blijkt uit de uitwerking van het 112-gesprek dat zij tot twee keer toe zegt dat zij van verdachte houdt en dat het haar spijt. Bovendien zijn de verklaringen van verdachte wél consistent en kunnen de enkele inconsistenties worden verklaard door het alcoholgebruik van die avond. De verklaringen van verdachte zijn daarbij ook betrouwbaar, omdat zij steun vinden in overige bewijsmiddelen. De verklaringen van aangeefster zijn juist niet consistent en zij is ook niet betrouwbaar, mede gelet op de door de verdediging ingediende getuigenverklaringen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wordt geconfronteerd met twee verklaringen, waarin twee scenarios naar voren komen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Enerzijds is er de belastende verklaring van aangeefster dat verdachte degene was die haar heeft gesneden en anderzijds de verklaring van verdachte dat aangeefster zichzelf heeft verwond. De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat aangeefster op 20 augustus 2024 met een mes is gesneden in haar halsstreek. De vraag die de rechtbank dient de beantwoorden is of vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die haar heeft verwond.
Gelet op het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat er voor beide scenarios ondersteuning is te vinden. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de ondersteuning voor het ene scenario niet zodanig is, dat daarmee het andere scenario als volstrekt onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. De rechtbank overweegt dat dezelfde bewijsmiddelen verschillend geïnterpreteerd en gewaardeerd kunnen worden, zoals ook blijkt uit de standpunten van de officier van justitie en de verdediging. De rechtbank vindt het scenario dat verdachte aangeefster heeft verwond niet overtuigender dan het alternatieve, door verdachte gepresenteerde scenario dat aangeefster zichzelf heeft verwond.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is die aangeefster heeft verwond, zal verdachte worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.
Tot slot merkt de rechtbank nog het volgende op. De rechtbank is tot de vrijspraak gekomen op basis van de informatie zoals dat aan haar is gepresenteerd in het dossier. Het is de rechtbank opgevallen dat er onderzoek, bijvoorbeeld onderzoek naar het mes, waarvan verdachte direct heeft verklaard dat hij het naar buiten heeft gegooid, niet is uitgevoerd dan wel niet is geverbaliseerd.
Benadeelde partij
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 4.768,74 ter vergoeding van materiële schade,
15.000.00 ter vergoeding van immateriële schade en 1.706,10 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt gevorderd verdachte te veroordelen in de proceskosten die de benadeelde partij heeft moeten maken, vastgesteld op een bedrag van 5.002,14.
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De rechtbank zal daarbij bepalen dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
In beslag genomen goederen
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen telefoon, het voorwerp met nummer 2 op de lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijke beslagtitel d.d. 22 april 2025 (hierna: beslaglijst). Ten aanzien van het in beslag genomen mes, het voorwerp met nummer 1 op de beslaglijst, zal de rechtbank de teruggave ervan gelasten aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed van de beslaglijst, te weten:
2. 1 STK GSM
(Omschrijving: [nummer] , Huawei)
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed van de beslaglijst, te weten:
1. STK Keukenartikel (Omschrijving: [nummer] )
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2025.