Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-07-02
ECLI:NL:RBNNE:2025:3962
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Wraking
1,604 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/18/245196 / KG RK 25-184
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: de verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. T.K. Hoogslag
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van 14 juni 2025;
de schriftelijke reactie van de rechter van 23 juni 2025.
2Het wrakingsverzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, die is belast met de behandeling van de zaak met nummer 11580152 CV EXPL 25-1081, kort gezegd de procedure over de aankoop van een camera en een recorder. In voornoemde procedure is verzoeker de eisende partij en [gedaagde] de gedaagde partij.
2.2
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter niet objectief naar de zaak heeft gekeken. Zo heeft de rechter niet naar de stukken gekeken die de verzoeker als eisende partij heeft ingediend, maar wel naar de stukken van de gedaagde partij. Daarnaast heeft de rechter het advies van de eisende partij, om te kijken of een schikking ter zitting mogelijk is, overgenomen, waarbij hij een aantal punten over het hoofd heeft gezien.
3Het standpunt van de rechter
3.1.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 23 juni 2025.
3.2
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van enige (schijn van) partijdigheid aan zijn zijde. Daartoe heeft de rechter aangevoerd dat hij op verzoek van de gedaagde partij bij vonnis van 3 juni 2025 een mondelinge behandeling heeft bepaald, met daarbij het verzoek aan de partijen om hun verhinderdata door te geven. In het niet-inhoudelijke vonnis van 3 juni 2025 is een standaardpassage opgenomen waarin onder meer is weergegeven dat de rechter een mondelinge behandeling zal bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en partijen de gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Volgens de rechter betreft dit een zogeheten regiebeslissing waarin hij zich op geen enkele wijze heeft uitgelaten over de inhoud van de zaak.
Beoordeling
4.1
De wrakingskamer overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2
Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3
De rechtbank overweegt dat het verzoek tot wraking zich richt op de procedurele beslissing van de rechter om een mondelinge behandeling te bevelen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een gangbare procedurele beslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel toekomt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit een grond kan vormen voor wraking. Dit is alleen anders indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
4.4
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).
Dictum
De rechtbank
5.1
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2
bepaalt dat de procedure met zaaknummer 11580152 CV EXPL 25-1081 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter; mr. T.K. Hoogslag;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. I. Zetstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.A. Gaastra, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.