Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-28
ECLI:NL:RBNNE:2025:358
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,371 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4945
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college
(gemachtigde: B. Kok).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2], de vergunninghouder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardenstal op het perceel [perceel] in [plaats 2].
1.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 4 november 2024 verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft verzoeker verzocht om schriftelijk te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. Verzoeker heeft een reactie ingediend.
1.3.
De vergunninghouder heeft een reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2.1.
Beoordeling
2.2.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
2.2.1.
Verzoeker voert in het verzoek om voorlopige voorziening aan dat het er zich naar laat aanzien dat voorbereidingen voor uitvoering van de bouw van de paardenstal worden getroffen. Zo zijn prikken gezet, zijn daartussen touwen gespannen en is de omgeving uitgemeten. In het bezwaarschrift voert verzoeker aan dat hij en andere omwonenden vooral in de zomerperiode vrezen voor overlast door insecten, stankoverlast en uitstoot van ongezonde gassen als gevolg van het houden van paarden en bijbehorende productie van mest op het perceel van de vergunninghouder. Ook voert verzoeker aan dat het bouwplan niet voldoet aan het vigerende bestemmingsplan en het omgevingsplan.
2.2.2.
Het college voert aan dat de gemeente nog geen melding van de start van de bouw van de paardenstal heeft ontvangen. Voor zover het college bekend, is er ook feitelijk niet met de bouw gestart.
2.2.3.
De vergunninghouder voert aan dat hij enige urgentie bij de bouw van de paardenstal heeft, aangezien zijn paarden momenteel tijdelijk gehuisvest zijn op de boerderij van familie. Zijn familie heeft het voornemen om hun boerderij uit te breiden, waarbij de paarden momenteel in de weg staan, aldus de vergunninghouder.
2.2.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers betoog onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. In de door verzoeker geschetste omstandigheden en zijn vrees voor overlast ziet de voorzieningenrechter geen acute, onomkeerbare noodsituatie, die maakt dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij is van belang dat op dit moment de vergunde paardenstal niet is gerealiseerd. Niet gebleken is dat een begin is gemaakt met het bouwen van die stal. Daar komt bij dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij overlast zal ervaren van die bouwwerkzaamheden. Voorts is van belang dat er op het perceel van de vergunninghouder (voorlopig) geen paarden worden gehouden, zodat van de gestelde overlast geen sprake is. Er is verder geen spoedeisend belang gelegen in verzoekers wens om juridische duidelijkheid te krijgen over het realiseren van de paardenstal. De onderhavige verzoekschriftprocedure is daarvoor niet bedoeld. Verzoekers kan die wens en zijn daarmee samenhangende vrees nader aan de orde stellen in de lopende bezwaarprocedure. Niet valt in te zien dat de bezwaarprocedure in dit geval niet kan worden afgewacht.
3. Nu geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.