Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-05-20
ECLI:NL:RBNNE:2025:3413
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Mondelinge uitspraak
3,246 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 262813406
zaaknummer: 11521824 BU VERZ 25-96
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 20 mei 2025
in de zaak van
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De overtreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voor het motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs geldigheid verloren’, verricht op 6 december 2023, om 17:00 uur, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 169,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 20 mei 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig: de vertegenwoordiger van de officier van justitie, mr. P.A. Veenstra.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Ten aanzien van de termijnoverschrijding voert betrokkene aan dat hij voor deze boete pas de tweede aanmaning heeft ontvangen. Betrokkene stelt dat hij geen brieven heeft ontvangen. Wat betreft de gedraging voert betrokkene aan dat hij op de datum van de overtreding heeft gereden met een voertuig waarvan de APK verlopen was, maar dat hij binnen twee maanden na het verlopen van de APK naar een garage reed in Roden voor een keuring en reparatie. Betrokkene stelt dat dit is toegestaan. Betrokkene voert aan dat hij de auto vanwege zijn financiële situatie vervolgens heeft verkocht. Betrokkene stelt dat hij destijds ingeschreven stond bij de Gemeentelijke Kredietbank vanwege zijn financiële moeilijkheden.
4. De vertegenwoordiger stelt zich ter zitting op het standpunt dat de periode van twee maanden al verstreken was ten tijde van de overtreding. De vertegenwoordiger stelt dat het enkele verzoek om rekening te houden met financiële omstandigheden onvoldoende is. De vertegenwoordiger verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
5. Op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop de beschikking aan betrokkene is toegezonden. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het beroepschrift uiterlijk op 26 januari 2024 bij de officier van justitie moest zijn ingediend. Het beroepschrift is echter pas op 17 april 2024 bij de CVOM binnengekomen. Er is dus sprake van een termijnoverschrijding.
5.1.
Betrokkene verklaart dat hij geen brieven van de boete heeft ontvangen, slechts de tweede aanmaning. Gelet op de brief van de nationale ombudsman en zijn pleidooi voor coulance vanwege zorgen omtrent postbezorging, acht de kantonrechter dit voldoende voor een verschoonbare termijnoverschrijding. De officier van justitie heeft het administratief beroep daarom onterecht niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter zal de beslissing van de officier van justitie vernietigen en bepalen dat de opgelegde verhogingen niet verschuldigd zijn. De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of de inleidende beschikking in stand kan blijven.
6. De kantonrechter interpreteert de beroepsgrond van betrokkene als een verwijzing naar artikel 11 Besluit voertuigen. Op grond van artikel 11 lid 2 Besluit voertuigen mag een motorrijtuig gedurende twee maanden na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, op de weg staan zonder dat voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken.
6.1.
Uit het dossier blijkt dat het keuringsbewijs van het op naam van de betrokkene gestelde voertuig geldig was tot 5 oktober 2023. De boete is opgelegd op 6 december 2023. De periode van twee maanden was ten tijde van de overtreding al verstreken. De sanctie is dus terecht opgelegd. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.
Conclusie
De kantonrechter:
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt die beslissing;
bepaalt dat de opgelegde verhogingen niet verschuldigd zijn;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
mr. R. Krikke, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 262813406
zaaknummer: 11521824 BU VERZ 25-96
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 20 mei 2025
in de zaak van
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De overtreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voor het motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs geldigheid verloren’, verricht op 6 december 2023, om 17:00 uur, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 169,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 20 mei 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig: de vertegenwoordiger van de officier van justitie, mr. P.A. Veenstra.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Ten aanzien van de termijnoverschrijding voert betrokkene aan dat hij voor deze boete pas de tweede aanmaning heeft ontvangen. Betrokkene stelt dat hij geen brieven heeft ontvangen. Wat betreft de gedraging voert betrokkene aan dat hij op de datum van de overtreding heeft gereden met een voertuig waarvan de APK verlopen was, maar dat hij binnen twee maanden na het verlopen van de APK naar een garage reed in Roden voor een keuring en reparatie. Betrokkene stelt dat dit is toegestaan. Betrokkene voert aan dat hij de auto vanwege zijn financiële situatie vervolgens heeft verkocht. Betrokkene stelt dat hij destijds ingeschreven stond bij de Gemeentelijke Kredietbank vanwege zijn financiële moeilijkheden.
4. De vertegenwoordiger stelt zich ter zitting op het standpunt dat de periode van twee maanden al verstreken was ten tijde van de overtreding. De vertegenwoordiger stelt dat het enkele verzoek om rekening te houden met financiële omstandigheden onvoldoende is. De vertegenwoordiger verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
5. Op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop de beschikking aan betrokkene is toegezonden. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het beroepschrift uiterlijk op 26 januari 2024 bij de officier van justitie moest zijn ingediend. Het beroepschrift is echter pas op 17 april 2024 bij de CVOM binnengekomen. Er is dus sprake van een termijnoverschrijding.
5.1.
Betrokkene verklaart dat hij geen brieven van de boete heeft ontvangen, slechts de tweede aanmaning. Gelet op de brief van de nationale ombudsman en zijn pleidooi voor coulance vanwege zorgen omtrent postbezorging, acht de kantonrechter dit voldoende voor een verschoonbare termijnoverschrijding. De officier van justitie heeft het administratief beroep daarom onterecht niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter zal de beslissing van de officier van justitie vernietigen en bepalen dat de opgelegde verhogingen niet verschuldigd zijn. De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of de inleidende beschikking in stand kan blijven.
6. De kantonrechter interpreteert de beroepsgrond van betrokkene als een verwijzing naar artikel 11 Besluit voertuigen. Op grond van artikel 11 lid 2 Besluit voertuigen mag een motorrijtuig gedurende twee maanden na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, op de weg staan zonder dat voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken.
6.1.
Uit het dossier blijkt dat het keuringsbewijs van het op naam van de betrokkene gestelde voertuig geldig was tot 5 oktober 2023. De boete is opgelegd op 6 december 2023. De periode van twee maanden was ten tijde van de overtreding al verstreken. De sanctie is dus terecht opgelegd. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.
Conclusie
De kantonrechter:
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt die beslissing;
bepaalt dat de opgelegde verhogingen niet verschuldigd zijn;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
mr. R. Krikke, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Afschrift verzonden aan partijen op: