Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-07-29
ECLI:NL:RBNNE:2025:3093
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
890 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2523
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borger-Odoorn.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster met betrekking tot de datum van haar naturalisatieceremonie. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Procesverloop
2. Verzoekster is bij brief van 15 juli 2025 uitgenodigd voor het bijwonen van de naturalisatieceremonie op 26 augustus 2025 alwaar zij het bewijs van haar Nederlanderschap zal verkrijgen.
2.1.
Op 17 juli 2025 heeft verzoekster hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Op 18 juli 2025 heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Zij is van mening dat 26 augustus 2025 te laat is.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als bezwaar is gemaakt dan wel beroep is ingesteld tegen een besluit. Volgens artikel 1:3 van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3.1.
De voorzieningenrechter moet eerst beoordelen of in dit geval sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarvoor is van belang of sprake is van een rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever gelijk aan een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Is een handeling niet gericht op enig rechtsgevolg, dan is er geen sprake van een rechtshandeling en daarmee geen besluit in de zin van de Awb. Als geen sprake is van een besluit, dan is de voorzieningenrechter niet bevoegd om van de zaak kennis te nemen.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 15 juli 2025 niet kan worden aangemerkt als een besluit. De brief bevat alleen een uitnodiging voor het bijwonen van een naturalisatieceremonie. Uit deze brief vloeit geen rechtsgevolg voort.
Conclusie
4. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat hij niet bevoegd is om van het verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen. Dat betekent dat hij geen oordeel geeft over het verzoek. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.