Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2025-07-02
ECLI:NL:RBNNE:2025:2866
RECHTBANK Noord-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: C/18/236096 / HA ZA 24-170 Vonnis van 2 juli 2025 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , te [plaats ] ,2. [eiser sub 2] , te [plaats ] ,3. [bedrijf 1] B.V. , te [plaats ] ,4. [bedrijf 2] B.V. , te [plaats ] ,5. [bedrijf 3] B.V , te [plaats ] ,6. [bedrijf 4] B.V. , te [plaats ] ,7. [bedrijf 5] B.V. , te [plaats ] ,8. [bedrijf 6] B.V. , te [plaats ] ,9. [bedrijf 7] B.V. , te [plaats ] ,10. [bedrijf 8] B.V. , te [plaats ] ,11. [bedrijf 9] B.V. , te [plaats ] ,12. [bedrijf 10] B.V. , te [plaats ] , eisende partijen, advocaat: mr. J.G.M. de Koning en mr. D.B. Holthinrichs, tegen 1 GEMEENTE GRONINGEN, te Groningen, advocaat: mr. R. Snel,2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN) , te Den Haag, advocaat: mr. G.C. Nieuwland en mr. M. Beekes, 3. DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) , te Den Haag, advocaat: mr. G.C. Nieuwland en mr. M. Beekes, 4. RECHTSPERSOON MET WETTELIJKE TAAK (RWT) POLITIE , te Den Haag, advocaat: mr. E.P. Ceulen, gedaagde partijen. Eisers worden hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [eisers] c.s. genoemd. Gedaagden worden hierna de Gemeente (gedaagde sub 1), de Belastingdienst (gedaagde sub 2), het Openbaar Ministerie (gedaagde sub 3), de Politie (gedaagde sub 4) en gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud de Staat c.s. genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 juni 2024; - de conclusie van antwoord van de Gemeente van 30 oktober 2024; - de conclusie van antwoord van de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie van 30 oktober 2024; - de conclusie van antwoord van de Politie van 30 oktober 2024; - het tussenvonnis van 4 december 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; - de door [eisers] c.s. overgelegde producties (53 tot en met 62) van 7 april 2025; - de mondelinge behandeling van 7 april 2025, ter gelegenheid waarvan [eisers] c.s., de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en de Politie spreekaantekeningen hebben overgelegd en van welke mondelinge behandeling door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn en waren (indirect) bestuurders van meerdere vennootschappen, waaronder eisers sub 3 tot en met 12. 2.2. In 2009 is vanwege het in 2008 vastgestelde Bestuurlijk Akkoord Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad een convenant gesloten voor de regio's Drenthe, Friesland en Groningen. Het convenant is gesloten tussen de burgemeesters van alle gemeenten in deze regio’s, korpsbeheerders, korpschefs, hoofdofficieren van justitie, vertegenwoordigers van de Belastingdienst, de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst economische controledienst (FIOD-ECD), de Directeur-Generaal Uitvoering, Handhaving en Bedrijfsvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, SIOD) en de voorzitter van het Regionaal Platform Interventieteams Noord (RCF). 2.3. Bij voornoemd convenant is het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum voor de geïntegreerde aanpak van de georganiseerde misdaad in de regio’s Drenthe, Friesland en Groningen (hierna: RIEC) ingesteld. In het convenant is onder meer bepaald: ‘ Artikel 2 Doelstelling Het RIEC Noord heeft als doel op decentraal niveau gezamenlijk invulling te geven aan: a. een geïntegreerde aanpak van de georganiseerde misdaad, door naast het strafrechtelijk laten vervolgen van individuele daders en het ontmantelen van criminele samenwerkingsverbanden, ook bestuursrechtelijke interventies en fiscale handhaving aan te grijpen om factoren of gelegenheidsstructuren van georganiseerde misdaad te identificeren en aan te pakken; b. het voorkomen dat criminelen of criminele organisaties bewust of onbewust worden gefaciliteerd door de overheid en kunnen investeren in de reguliere economie. In het bijzonder wordt hierbij aandacht besteed aan: 1. verschijningsvormen van georganise Dat kan omdat we een veel gedegener integrale analyse maakten door onze informatie te bundelen." [teamleider politie] vult aan: “Klopt, ook als politie sloegen we aan op de naam maar hadden tot nu toe niets hard kunnen maken, nooit tot een keiharde veroordeling kunnen komen." Timing [medewerker belastingdienst] : “Verder is timing een belangrijk punt. Wie kan het eerste een resultaat boeken? Het bestuursrecht kan in sommige gevallen bij het verdacht zijn al via BIBOB een vergunning intrekken. Daarvoor is dan niet nodig dat er succesvolle strafrechtelijke vervolging is geweest. Onze kansen liggen vaak ook qua tijd in elkaars verlengde. Belangrijk is dat [juridisch adviseur gemeente] adviseur is van de burgemeester. Je kunt je voorstellen dat zoals in ons geval wanneer de onderwereld ook investeert in de stad, en daar is de stad ook blij mee is. [juridisch adviseur gemeente] voelt aan hoe en waar het nodig is om bestuurlijk draagvlak te creëren.“ [teamleider politie] : “Door kennis uit onderzoeken te delen kunnen we voorkomen dat het imago van bestuurders beschadigd wordt." De politie is te ijverig [juridisch adviseur gemeente] : “Het vraagt een cultuuromslag in de samenwerking tussen de drie kolommen. Niet het belang van jouw kolom is richtinggevend voor wat je doet maar soms dien je op dat moment alleen het belang van de andere kolom. We moeten als partners ook aan uitvoerenden laten zien wat we willen bereiken zodat zij begrijpen waar het om gaat." [teamleider politie] : “Klopt als politie en OM focussen we normaliter op boeven achter tralies brengen. Deze werkwijze vergt een andere mind set, niet je eigen doel realiseren maar het delen van informatie en daar tactisch op inspelen. Het is belangrijk om aan de collega’s uit te leggen dat we werken aan andere resultaten dan waar we als politie gewoon zijn om aan te werken." [juridisch adviseur gemeente] : "Dit vergt een vertaalslag naar het team van rechercheurs, daar is alle energie gericht op het strafrecht, boeven vangen en ze veroordeeld krijgen. Maar bestuursrechtelijk heb ik er soms genoeg aan dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn om iemand als verdachte aan te merken. Het is dan niet nodig dat er ook een strafrechtelijke veroordeling volgt. Dat idee is een vloeken in de kerk voor een rechercheur. Soms kan half werk van de politie al genoeg zijn om de gemeente in positie te brengen. Dat inzicht was het keerpunt bij de politie." Satépen Satépennen steken door de drie kolommen heen, dat is de term die de werkwijze karakteriseert. [juridisch adviseur gemeente] : "Door informatie te delen kunnen we gezamenlijk richting geven hoe het onderzoek loopt en nadenken hoe we de beperkte capaciteit inzetten. Wat pakken we het eerste op, waar leggen me de meeste nadruk op? Bouwfraude? Financieel onderzoek op de horecabedrijven? Witwassen? Resultaten van politie en belastingdienst zijn cruciaal voor de vraag of, en in welke mate, de gemeente bestuursrechtelijk op kan treden. Het is voortdurend afwegen van de belangen van de drie partijen dat richtinggevend is voor het onderzoek en de stappen die we daarin zetten.” Begrip voor elkaars belangen In de integrale weegploeg heeft iedere partij zich verplicht om capaciteit vrij te maken. Maar de politie liep twee maanden vertraging op wegens capaciteitsgebrek. [teamleider politie] : “Waar ik trots op ben is dat we erg professioneel met elkaar omgaan en er is begrip voor elkaars positie. Als politie krijgen wij telkens andere prioriteiten, nu moet er ineens capaciteit vrijgemaakt worden voor onderzoek naar uitreizigers of vermeende dode mensen. We zijn een ad hoc organisatie en daardoor halen we onze planning niet. Er was begrip bij de partners dat we uit de tijd liepen.” [juridisch adviseur gemeente] vult aan: “Toch moeten we er voor waken dat het kolombelang een eigen leven gaat leiden. Gezien de grote afhankelijkheid van elkaar zou idealiter de benodigde capaciteit vooraf gegarandeerd moeten worden. Soms is men krampachtig over het d Er zijn vandaag geen aanhoudingen verricht, maar de politie verwacht binnenkort mensen te kunnen arresteren in de oplichtingszaak.’ 2.9. Het concern van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] (waaronder onder meer eisers genoemd onder sub 3 tot en met 12 vielen) zag er in die periode (2016) als volgt uit: 2.10. Op 11 juli 2016 wordt [eiser sub 2] veroordeeld voor verboden wapenbezit. 2.11. Op 28 juli 2016 is in het dagblad De Telegraaf een artikel gepubliceerd met de titel: ‘Uitzendbaas op de korrel voor fraude ’. Daarin is geschreven: ‘De eigenaar van een groot vastgoed- en uitzend bedrijf in Noord-Nederland staat centraal in een omvangrijk onderzoek naar fraude en oplichting. [eiser sub 2] (46) van [bedrijf eisers] is nu ook veroordeeld voor wapenbezit. [eiser sub 2] staat vol in de schijnwerpers van het Openbaar Ministerie en politie, de FIOD en de gemeente Groningen. Die partijen doen onderzoek naar faillissementsfraude en oplichting, waarin [eiser sub 2] en de [eisers] een rol zouden spelen. [bedrijf eisers] heeft uitzendbureaus, bezit een grote vastgoedportefeuille en levert financiële diensten. Ook verkoopt het navigatie-apparatuur. Het bedrijf is op verschillende plekken in Nederland actief. Bronnen binnen de opsporingsdiensten melden dat ook nadrukkelijk gekeken wordt naar geldstromen van Nederland naar Turkije en andersom. De broers [eisers] die het bedrijf bestieren hebben een Turkse achtergrond. Intimidatie Aanleiding voor een groot ’combi-onderzoek’ van deze partijen is onder andere een aangifte van oplichting door verschillende ondernemers. Aannemers verspijkerden in 2014 appartementencomplexen in Groningen, maar kregen hiervoor te weinig betaald. Ze leden tonnen verlies. De aannemers stapten naar de politie om niet alleen melding te doen van oplichting, maar ook omdat ze geïntimideerd zouden zijn door de opdrachtgevers toen ze om hun geld vroegen. De politie Noord-Nederland deed onderzoek en kwam uit bij een bedrijf in Rotterdam. Het onderzoeksteam liet vijf Rotterdammers en een Turkse vrouw arresteren, die als katvanger voor het bedrijf werkten. De rechercheurs speurden verder en ontdekten dat drie andere mannen nauw contact onderhielden met de aannemers en de zes arrestanten. Een van de mannen was de Groninger [eiser sub 2] Ze waren betrokken bij de aankoop van het Rotterdamse bedrijf dat inmiddels failliet is verklaard. Bij [eiser sub 2] thuis vond de politie een handvuurwapen. Bij medeverdachten trof de politie boksbeugels en een pistool aan. De Groninger rechtbank heeft [eiser sub 2] nu een werkstraf van 100 uur en een maand voorwaardelijke celstraf opgelegd. Daarmee kwam [eiser sub 2] er genadig van af. Het Openbaar Ministerie had drie maanden cel, waarvan één voorwaardelijk, geëist. Hij werd vrijgesproken van het bezit van een stroomstootwapen. „Het onderzoek naar fraude en oplichting is nog in volle gang. We kunnen er niets over zeggen”, aldus een woordvoerder van het OM Noord-Nederland. De broers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verhuisden in hun jeugd vanuit Turkije naar Oost-Groningen. Hier werden ze snel groot in de vastgoedsector en met de handel in speelautomaten. Ze zijn zakelijk zowel in Turkije als Nederland actief. De advocaat van [eiser sub 2] , [toenmalige advocaat 1] , bevestigt dat de Groninger is veroordeeld en nu verdacht wordt van faillissementsfraude en oplichting. „We gaan wel in hoger beroep. Het wapen was niet van hem. Over de nieuwe verdenkingen kan ik niets zeggen, omdat we nog geen dossier hebben van het OM.” [eiser sub 2] kon niet reageren. Hij is op vakantie.’ 2.12. Diezelfde dag is op de website van RTV Noord een artikel geplaatst met de titel: ‘Vastgoedbaas centraal in groot fraudeonderzoek ’, waarin is te lezen: ‘ [eiser sub 2] , de eigenaar van een groot vastgoed- en uitzendbedrijf in Noord-Nederland, staat centraal in een groot onderzoek naar oplichting en fraude. Dat meldt de Telegraaf donderdag. [eiser sub 2] verhuurt in de stad Groningen studentenkamers en appartementen. Handel en Op 26 augustus 2016 respectievelijk 2 september 2016 heeft de toenmalige burgemeester van Gemeente Groningen, de heer [burgemeester] (hierna: de burgemeester) de cafés [café 1] en [café 2] in [adres] te [plaats ] met een last onder bestuursdwang gesloten wegens het exploiteren zonder vergunning. Deze cafés werden gedreven in panden die in eigendom zijn/waren van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] (althans van één van aan hen gelieerde vennootschappen). In bezwaar heeft de burgemeester die besluiten gehandhaafd. Het tegen deze besluiten ingestelde beroep bij de rechtbank is ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ongegrond verklaard zodat de besluiten in rechte vast staan. 2.17. Op 4 november 2016 heeft de burgemeester een bestuurlijke boete opgelegd aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , althans aan één van aan hen gelieerde ondernemingen, wegens het verkopen van (alcoholische) drank aan een minderjarige. 2.18. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn op 13 januari 2017 in het kader van het Kangoo -onderzoek aangehouden op verdenking van oplichting en witwassen. 2.19. Op 18 januari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college) de voor (voornoemde) café [café 2] (inmiddels) verleende exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob ingetrokken. Dit gebeurde naar aanleiding van een advies van Landelijk Bureau Bibob. In dat advies is geschreven dat aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] (althans aan één van aan hen gelieerde vennootschappen) twee naheffingsaanslagen/vergrijpboetes zijn opgelegd wegens het handelen in strijd met de Wet op de omzetbelasting en dat het vermoeden bestond dat valsheid in geschrifte was gepleegd met betrekking tot FIOD en het UWV gerelateerde feiten. Het besluit is onherroepelijk geworden. 2.20. Op 18 januari 2017 is een artikel in het Dagblad van het Noorden verschenen met de titel: ‘Vastgoedbroers [eisers] gearresteerd’ . In dat artikel is geschreven: ‘De vastgoedbroers [eisers] uit Groningen zijn afgelopen vrijdag gearresteerd door de politie. Ze worden verdacht van witwassen en oplichting. De broers [eisers] zijn maandag voorgeleid aan de rechter-commissaris. De afgelopen dagen zijn de twee door de recherche verhoord over hun rol bij het oplichten van onderaannemers bij bouwprojecten in Groningen. [eisers] worden in dat dossier, met de zaaknaam A39, gezien als hoofdverdachten. [eiser sub 2] blijft nog zeker twee weken in de gevangenis. Zijn oudere broer [eiser sub 1] wordt morgen vrijgelaten, maar blijft wel verdachte. Waarom zijn broer wel blijft vastzitten, wil het Openbaar Ministerie niet zeggen. [eiser sub 1] woont het grootste deel van de tijd in Turkije. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn bekende Groningers. Op jeugdige leeftijd zijn ze vanuit Turkije verhuisd naar Oost- Groningen. Daar begonnen ze te bouwen aan hun vastgoed- en uitzendbedrijf in Noord-Nederland. Als eigenaars van [bedrijf eisers] bezitten ze tientallen panden in de Groningse binnenstad en zitten ook in de gokautomatenhandel. Burgemeester [burgemeester] van Groningen noemt het onderzoek tegen de broers winst in de strijd tegen de 'ondermijnende criminaliteit’. [burgemeester] vindt dat verwevenheid van de boven- en onderwereld hard aangepakt moet worden: „Wij veronderstellen dat deze verdachten, die veel bezittingen hebben in Groningen, betrokken zijn bij criminele activiteiten. We moeten voorkomen dat crimineel verkregen geld geïnvesteerd wordt in de maatschappij.” Justitie doet al geruime tijd onderzoek naar de twee broers. Aanleiding zijn onder andere aangiftes in het najaar van 2014 van oplichting en intimidatie van meerdere onderaannemers. Deze onderaannemers verbouwden diverse appartementencomplexen in de binnenstad van Groningen voor de broers [eisers] , maar kregen te weinig of niet betaald. Toen ze daarover aan de bel trokken, werden ze bedreigd en geïntimideerd. De verdenking is da In het interview met [website 1] spreekt [eiser sub 1] de verwachting uit dat de omzet in dat jaar zal verdubbelen naar 20 miljoen euro. Om uiteindelijk in een aantal jaren op 100 miljoen uit te komen. Het is in dat jaar - eind 2014 - als meerdere onderaannemers aangifte doen bij de politie tegen de vastgoedbroers. De onderaannemers werken aan de bouw van appartementencomplexen van de broers in Groningen, maar krijgen hun geld niet. Als ze daar over klagen, worden ze volgens het Openbaar Ministerie geïntimideerd. Het is het begin van het A39-onderzoek. Voor dat onderzoek wordt [eiser sub 2] in 2015 ook al opgepakt. Rechercheurs vinden in zijn woning wapens. Daarvoor wordt hij veroordeeld. Ook nemen rechercheurs computers van [eiser sub 2] in beslag. Het is onder meer met die informatie dat politie en justitie besluiten de twee vastgoedbroers op te pakken.’ 2.22. Op 18 januari 2017 is op de website van RTV Noord een artikel geplaatst met de titel: ‘Ze verdienen hun geld op een manier waar je grote vraagtekens bij kunt zetten’. In dat artikel is geschreven: ‘ De Groningse vastgoedondernemers [eiser sub 1] (48) en [eiser sub 2] (47) verdienen hun geld op een manier waar je grote vraagtekens bij kunt zetten. Dat zegt burgemeester [burgemeester] van Groningen. Hij reageert daarmee op de arrestatie van de broers. Justitie verdenkt de eigenaren van [bedrijf eisers] van witwassen en oplichting. De broers verdienen hun geld in de uitzendbranche en met de verkoop van telecomapparatuur. En ze zijn actief in het vastgoed, met name in de stad Groningen. 20.000 euro 'Het zijn broers die zich al lang manifesteren in onze samenleving. We moeten natuurlijk afwachten of ze veroordeeld worden, maar het is goed dat dit een keer gebeurt. Er zijn veel mensen de dupe van hen geworden', aldus [burgemeester] . Eén van de mensen die indirect met beide broers te maken heeft gehad is de voormalig eigenaar van een bouwbedrijf uit Drenthe. 'Ik ben voor twintigduizend euro het schip ingegaan', aldus de man die op verzoek anoniem wil blijven. Bouwmaterialen 'Ik werd ingehuurd door het inmiddels failliete [bedrijf 14] . Een onderaannemer, die wordt gezien als één van de stromannen van [eisers] Eén van de opdrachten staat de ondernemer nog helder voor de geest. Het ging om het huis van de dochter van de secretaresse van [bedrijf eisers] , in [plaats ] . 'Er moest een nieuwe buitenmuur gemetseld worden. Ook de schoorsteen moest vervangen worden. Ik heb toen de materialen geleverd. Dat was in 2013, de rekening van vierduizend euro staat nog altijd open.' Failliet De werkwijze doet denken aan het onderzoek van justitie in 2014 naar de bouw van een appartementencomplex in de binnenstad van Groningen. Een aantal aannemers kreeg niet of te weinig betaald. Het zou gaan om een bedrag van zo'n half miljoen euro. De gedupeerden deden aangifte van oplichting en intimidatie. Volgens het Dagblad van het Noorden werd de bouw gecoördineerd door een bedrijf uit Rotterdam. Het bedrijf is inmiddels failliet. Justitie vermoedt dat de verdachten daarin de hand hebben gehad. ‘Goed ingedekt’ Ook de voormalig eigenaar van het bouwbedrijf uit Drenthe werkte mee aan de bouw van het bewuste appartementencomplex. Hij deed geen aangifte en werd niet geïntimideerd, maar bleef wel met lege handen achter. 'Het ging om werkzaamheden aan het riool, dat was in 2011. Er moest een riolering aangelegd worden onder de bestaande fundering. De rekening van 1500 euro is nooit betaald.' Pogingen om zijn geld alsnog te krijgen zijn gestrand. 'De eigenaar van [bedrijf 14] is al meerdere keren failliet gegaan. En de opdrachtgevers aansprakelijk stellen? Dat heeft geen enkele zin. Die hebben zich goed ingedekt', aldus de voormalig eigenaar van het Drentse bouwbedrijf. Duidelijk signaal Het onderzoek naar de handel en wandel van de vastgoedbroers is volgens burgemeester [burgemeester] van Groningen een duidelijk signaal. 'We moeten de onder- en bovenwereld van elkaar scheiden. Ondermijnende criminaliteit i Het betrof een omgevingsvergunning voor de bouw van een woongebouw met horeca op de begane grond aan [adres] en een bouwvergunning voor de woning aan [adres] . De omgevingsvergunningen werden ingetrokken naar aanleiding van een advies van het Landelijk Bureau Bibob. In dat advies is kort gezegd te lezen dat er een ernstig gevaar bestond dat voornoemde omgevingsvergunningen zouden worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van de wet Bibob. In bezwaar heeft het bestuursorgaan de intrekking gehandhaafd. Het ingestelde beroep bij de rechtbank is ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank is door de Afdeling ongegrond verklaard zodat de intrekking van de vergunningen in rechte vast staat. 2.27. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en de aan hen gelieerde vennootschappen, bankierden in die periode bij ABN Amro. Tussen hen bestonden meerdere overeenkomsten van geldlening. Op 20 januari 2017 heeft ABN Amro, althans International Card Services B.V., de overeenkomst met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ter zake van ‘ABN Amro Business Card(s)’ beëindigd. In een e-mail die zij daarover die dag naar [eiser sub 1] heeft gestuurd, is onder meer te lezen: ‘Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van hedenmorgen, informeren wij u als volgt. Gezien de recente publicaties in de media (Telegraaf 18 januari jl.) omtrent uw onderneming, kunnen wij momenteel helaas geen limiet meer afgeven voor uw ABN AMRO Business Card(s). Per direct zullen wij de overeenkomst beëindigen. Dit is gebaseerd op onze algemene voorwaarden terug te lezen onder artikel 2.3 (i).’ 2.28. Op de website van RTV Noord is op 24 januari 2017 een artikel geplaatst met de titel: ‘Autoriteiten samen ten strijde tegen vermenging boven- en onderwereld’. In dat artikel is geschreven: ‘ De boven- en onderwereld in Noord-Nederland vermengen zich in toenemende mate. Er is grote zorg over bij de overheid en betrokken instanties. Die hebben besloten intensiever te gaan samenwerken bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit, zoals grootschalige wiethandel of hangjongeren die dermate veel overlast veroorzaken dat buurtbewoners geen aangifte meer durven te doen. Kortom: criminaliteit die invloed heeft op het dagelijks leven. Betrokken gemeenten, politie, justitie en de belastingdienst werken samen om deze activiteiten te bestrijden. In een latere fase worden daar meer instanties bij betrokken. Broers K. Bij twee grote zaken is de laatste tijd al intensief samengewerkt: het onderzoek naar de broers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in Groningen en de ontruiming van het clubhuis van motorclub [motorclub] . De broers [eisers] , eigenaren van een vastgoedbedrijf, werden recent aangehouden op verdenking van witwaspraktijken en oplichting. Onlangs bleek dat in Noord-Brabant de boven- en onderwereld steeds meer in elkaar schuiven. 'Dat is zeker in Noord-Nederland ook het geval. Niet zo erg als in het zuiden. Maar ook hier is het zo dat als we een paar tegels optillen, er nog een hoop ellende onderligt. Ook hier zijn criminele organisaties bezig zich een machtspositie te verwerven', licht plaatsvervangend hoofdofficier Noord-Nederland [hoofdofficier] toe. Zo'n vijftien groepen De politie schat in dat er in het Noorden zo'n grotere vijftien zaken zijn, waarbij sprake is van ondermijnende criminaliteit. Vaak wordt een deel van de opbrengst in de bovenwereld gestoken, zoals in onroerend goed. Zo worden de broers [eisers] ervan verdacht dat ze een deel van hun criminele winst in horecazaken in de stad Groningen hebben geïnvesteerd. Maatregelen overheid De gezamenlijke aanpak moet er toe leiden dat de criminele groepen niet alleen door justitie worden vervolgd, maar dat ook de lokale overheid maatregelen neemt. Zo heeft de gemeente Groningen inmiddels de bouwvergunningen voor twee panden van de broers [eisers] ingetrokken. Dat zou in een latere instantie oo Dat maakt het des te opmerkelijker dat de instanties nu al zo specifiek naar de broers [eisers] durven te wijzen. Maar volgens [burgemeester] zijn er genoeg aanwijzingen om dat te kunnen doen. „Op basis van onze info hebben we inmiddels twee bouwvergunningen die de broers hadden gekregen ingetrokken. En we starten een integriteitsonderzoek om de broers [eisers] volledig door te lichten.” Vergunningen misbruiken De bouwvergunningen waren afgegeven voor panden aan [adres] en [adres] in Groningen. Het bureau BIBOB voert zo’n integriteitsonderzoek -het valt onder het ministerie van justitie- uit. BIBOB kijkt nu, op verzoek van [burgemeester] , of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vergunningen die ze hebben gekregen misbruiken voor criminele activiteiten. Het kan volgens de burgemeester van Groningen ertoe leiden dat hij besluit om bijvoorbeeld ook horecavergunningen van de broers [eisers] in te trekken. [bedrijf eisers] van de broers [eisers] is een grote speler in Groningen. De broers geven leiding aan diverse bedrijven en bezitten meerdere (horeca-)panden. Het vermoeden is dat in ieder geval een deel met crimineel geld is verworven. Maar tot echte veroordelingen leidde dat nog niet. [eiser sub 2] is enkele maanden geleden wel veroordeeld voor vuurwapenbezit. Het geld volgen Ook de Belastingdienst doet mee met het onderzoek. „Zo kijken wij naar de geldstromen binnen hun bedrijven. Daarbij vragen we ons af wat de herkomst is en of dat wel klopt", legt directeur [directeur Belastingdienst Noord] van de Belastingdienst uit. Volgens burgemeester [burgemeester] is ondermijnende criminaliteit een groot probleem. ,,Er gaat veel geld in om. We kennen allemaal de winkeltjes waar nooit iemand komt, maar waar wel veel geld wordt verdiend. Criminelen proberen een imago te krijgen dat ze goed zijn voor de samenleving. Maar die beelden zijn vals. Zo worden panden gekocht met crimineel geld om een bepaalde positie in de normale maatschappij te verwerven. Dat moeten we niet willen." 2.31. Op 25 januari 2017 is de burgemeester geïnterviewd door OOG TV. In dat interview is onder meer door de verslaggever van OOG TV en de burgemeester het volgende gezegd: ‘ de verslaggever: Burgemeester [burgemeester] maakt zich grote zorgen over de onderwereld in de stad. De onderwereld wordt steeds meer verweven met de reguliere zakenwereld. Ogenschijnlijk nette bedrijven blijken soms iets anders te zijn. Als voorbeeld wordt genoemd [bedrijf 15] . De gebroeders [eisers] zijn onlangs gearresteerd. Ze worden verdacht van het witwassen van geld verdiend met de handel van wiet en van oplichting en het bezit van vuurwapens. De broers bezitten veel vastgoed in de stad, ze verhuren horeca gelegenheden, maar ook appartementen en exploiteren een uitzendbureau. […] de burgemeester: Ik vind het sowieso gevaarlijk als men investeert met crimineel geld in bijvoorbeeld het onroerend goed dan weet je dat dat onroerend goed straks in de positie dreigt te komen waarbij vandaaruit weer verkeerde dingen gebeuren. Het is een soort rollercoaster wat als het ware in de samenleving wordt uitgerold. Er worden mensen die in niet kansrijke posities verkeren in wijken worden meegesleept in het gemakkelijk verdienen van crimineel geld. Kijk maar eens naar de drugshandel, dan zie je wat er nu met de jeugd gebeurt. Ik vind dat eerlijk gezegd heel verontrustend als we hier niet proberen hier naar vermogen iets aan te doen. […] Soms dan blijft het helemaal in het verborgene en soms dan merken we dat daar echts iets naar boven komt, bijvoorbeeld als het gaat om motorclubs. Dan zien we toch ook dat daar een hele wereld achter zit, die he voor ons eigenlijk een soort black box is. Nou zo zijn er meer van dat soort werelden. Wij zien dat dat relatief groot is, het is gemakkelijk voor mensen om zich daardoor te laten beïnvloeden en dat werk dan als zodanig ontwrichtend op de samenleving.’ 2.32. Op 26 januari 2017 heeft [toenmalige advocaat 2] , de toenmalige advocaat van [eiser sub 1] een persverklarin de burgemeester: Ik zou zeggen, zij ondervinden vooral de nadelige gevolgen van de manier waarop zij zelf bezig zijn en ik ben ervan overtuigd dat al die mensen die nu hun zakelijke relatie met de betrokken mensen veranderen, dat niet doen op basis van mijn uitspraken, maar op basis van wat zij zelf daarvan vinden.’ 2.34. Diezelfde dag is een artikel op de website van RTV Noord gepubliceerd met de titel: ‘ [burgemeester] vreest juridische stappen vastgoedondernemer [eiser sub 1] niet’ . In dat artikel is geschreven: ‘ [burgemeester] : 'Bewuste keuze geweest om opening van zaken te geven' Burgemeester [burgemeester] van Groningen ziet eventuele juridische stappen van vastgoedondernemer [eiser sub 1] tegen hem met vertrouwen tegemoet. [eiser sub 1] en zijn broertje [eiser sub 2] werden vorige week opgepakt voor witwaspraktijken en oplichting. [burgemeester] zei later dat de broers hun geld verdienen op een manier waar je grote vraagtekens bij kunt zetten. [eiser sub 1] is het daar niet mee eens en vindt dat hij wordt gecriminaliseerd. Zijn advocaat stelt dat [burgemeester] vooruitloopt op een uitspraak van de rechter. Verkeerde manier [burgemeester] blijft bij zijn uitspraken: 'Het gaat om invloeden op onze samenleving die wij als apert slecht ervaren. Wij vinden dat we daar relatief open over moeten zijn. Zij verdienen in verkeerde circuits en op een verkeerde manier hun geld.' De burgemeester beaamt dat de rechter hierover uiteindelijk moeten oordelen, maar vindt niet dat hij zijn uitspraken te vroeg heeft gedaan. 'De informatie was al grotendeels bekend en ik ben er zeker van dat de media er sowieso over geschreven hadden.' 'Kans op bakzeil niet groot' [burgemeester] 'acht het risico niet zo groot' dat hij bakzeil moet halen, mochten de verdachten uiteindelijk niet worden veroordeeld. De advocaat van een van de broers zegt in dat geval een juridische procedure aan te spannen. 'Ik begrijp dat de advocaat dat zegt en respecteer het feit dat hij zijn cliënt verdedigt', reageert [burgemeester] . Bewuste keuze Volgens de burgemeester is het een bewuste keuze geweest om openheid van zaken te geven over de zaak. De gebroeders [eisers] zeggen daarvan inmiddels de nadelen te ondervinden, in de vorm van imagoschade en klanten die afhaken. ‘Zij ondervinden vooral de nadelige gevolgen van de manier waarop zijzelf bezig zijn', schampert [burgemeester] . 'Ik ben ervan overtuigd dat alle mensen die nu hun zakelijke relatie met de verdachten veranderen dat niet doen op basis van mijn uitspraken, maar op basis van wat zijzelf ervan vinden.' 2.35. In het Dagblad van het Noorden van 28 januari 2017 is een artikel geplaatst met de titel: ‘Burgemeester [burgemeester] niet onder de indruk van vastgoedbroers ’, waarin is te lezen: ‘Burgemeester [burgemeester] van de gemeente Groningen is niet onder de indruk van de verwijten van [eiser sub 1] en zijn advocaat. De 48-jarige [eiser sub 1] en zijn broer [eiser sub 2] werden twee weken geleden gearresteerd voor witwassen, fraude en oplichting. De burgemeester plaatste vervolgens vraagtekens bij de manier waarop de vastgoedbroers [eisers] hun geld verdienen en gaf aan dat het vermoeden bestaat dat een deel van dat mogelijk criminele geld in vastgoed werd geïnvesteerd. [eiser sub 1] , inmiddels op vrije voeten, reageerde woest. Hij vindt dat hij en zijn broer worden gecriminaliseerd. [burgemeester] zegt niet te willen treden in een uitspraak van de strafrechter. “Als burgemeester kan ik wel een aantal maatregelen nemen, waaronder het intrekken van vergunningen. Dat gebeurt op basis van onderzoek. Dat is nu ook gebeurd.” [toenmalige advocaat 2] , advocaat van [eiser sub 1] vindt dat [burgemeester] vooruitloopt op de strafzaak. Hij wijst daarbij op een verslag van de Politie Academie waarbij de zaak van de broers [eisers] wordt besproken. Zwart-op-wit staat dat het doel van de gemeente Groningen, politie en Belastingdienst is om het imago van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kapot te maken en hen te criminal Het geld moet verder gaan naar het Regionaal Informatie Expertisecentrum waarin gemeente, politie, Openbaar Ministerie en Belastingdienst samenwerken. Het derde deel is voor nieuwe projecten op dit gebied. Informatie interpreteren Volgens [burgemeester] is het belangrijk dat er geld komt, omdat gemeenten niet goed zijn toegerust om het probleem aan te pakken. 'Zorgen dat je de informatie kan interpreteren, analyses kan maken. Dan wordt er heel wat meer blootgelegd dan nu.' Het stuit hem vooral tegen de borst dat het vaak 'mensen met zwakke posities in onze samenleving' zijn die in dit soort criminaliteit 'worden meegezogen'. 'Wietkweken gebeurt relatief veel in huizen waar mensen wonen die weinig geld hebben en ook geld kunnen gebruiken. Die doen dat vaak in opdracht van georganiseerde misdaad. Dat type dingen is de pest van onze samenleving.' Vastgoedbroers Onlangs werden in de stad Groningen de vastgoedbroers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gearresteerd op verdenking van witwassen en oplichting. Daarover zei [burgemeester] toen al dat ze 'geld verdienen op een manier waar je grote vraagtekens bij kunt zetten’. De broers zijn inmiddels op vrije voeten in afwachting van hun rechtszaak. Om dit soort voorbeelden gaat het volgens [burgemeester] , net als om 'de verbanden waarin sommige motorclubs zich begeven.' 2.38. Op 8 maart 2017 heeft SNS Bank een brief naar [uitzendbureau] gestuurd met betrekking tot de afwijzing op het verzoek van [uitzendbureau] om een krediet aan haar te verlenen. In die brief is onder meer geschreven: ‘In uw brief d.d. 23 februari 2017 vraagt u op welke grond wij tot het besluit gekomen zijn geen klantrelatie met u aan te gaan. Onderstaand volgt een nadere uiteenzetting hieromtrent. In onze brief d.d. 22 februari 2017 hebben wij aangegeven dat wij op basis van de door ons uitgevoerde wettelijk voorgeschreven risicoanalyse geen klantrelatie met u aan willen gaan. Bij het uitvoeren van de risicoanalyse hebben wij de negatieve berichtgeving in de media meegenomen. Wij zien geen aanleiding om onze beweegredenen nog verder toe te lichten. Op grond van de contractsvrijheid kan een klantrelatie wel of niet worden aangegaan.’ 2.39. Bij brief van 9 maart 2017 heeft ING het verzoek van [uitzendbureau] om een krediet aan haar te verlenen, afgewezen. In die brief is onder meer geschreven: ‘Onlangs heeft u ons gevraagd een Zakelijke Rekening te openen op naam [uitzendbureau] B.V. Helaas kunnen wij niet aan uw verzoek voldoen. In deze brief leest u meer over de afwijzing. Wij hebben uw aanvraag beoordeeld vanuit economisch, strategisch en vanuit risicoperspectief. Op basis daarvan hebben wij besloten geen relatie met [uitzendbureau] B.V. aan te gaan. Wij beroepen ons hierbij op onze contractsvrijheid.’ 2.40. Bij vonnis van 25 april 2017 van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is [bedrijf 16] B.V. – van wie [eiser sub 1] indirect bestuurder was – in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [curator] als curator. 2.41. Bij arrest van 20 november 2017 van het Hof Arnhem-Leeuwarden is [eiser sub 2] in hoger beroep veroordeeld voor verboden wapenbezit (r.o. 2.10). 2.42. Bij brief van 15 december 2017 heeft Delta Lloyd de verzekeringsovereenkomsten opgezegd die bestonden tussen Delta Lloyd enerzijds en [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 10] B.V. en [eiser sub 1] en [eiser sub 2] anderzijds. 2.43. In 2019 zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als feitelijk leidinggevenden van [bedrijf 7] B.V. vervolgd voor belastingfraude in het fiscale onderzoek. Volgens het Openbaar Ministerie hadden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] namens [bedrijf 7] B.V. opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte gedaan van Omzetbelasting. Bij vonnis van 3 oktober 2019 heeft de Noordelijke Fraudekamer van Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vrijgesproken. Het vonnis is onherroepelijk geworden. 2.44. In 2021 zijn [eiser sub 1] (als (indirect) bestuurder van [bedrijf 4] B.V. en [b nogmaals verzocht om aansprakelijkheid te erkennen. Ook aan dat verzoek heeft de Staat c.s. geen gehoor gegeven. 2.53. De Afdeling heeft bij uitspraak van 19 februari 2025 het door het college ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank (r.o. 2.49.) ongegrond verklaard en het door [bedrijf 5] B.V. en [eiser sub 2] ingestelde incidentele hoger beroep gegrond verklaard. Verder heeft zij de besluiten van 23 december 2021 herroepen en bepaald dat de uitspraak van de Afdeling in de plaats treedt van de door de Rechtbank Noord-Nederland vernietigde besluiten van 14 oktober 2022. In de uitspraak is verder onder meer te lezen: ‘7.3. De Afdeling is van oordeel dat [bedrijf 3] en [appellant sub 3] dit terecht betogen. De feiten zijn namelijk niet zodanig ernstig, ook niet in samenhang bezien, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De overtreding van [appellant sub 3] van de Wet milieubeheer betreft een feit uit januari 2012, waarbij restanten hout werden verbrand en is naar het oordeel van de Afdeling te lang geleden om nog te kunnen tegenwerpen. De overtreding op 5 november 2021 van de Wabo door [bedrijf 3] betreft het zonder vergunning realiseren van twee zelfstandige appartementen. Het betreft een overtreding in de zakelijke sfeer en voor de activiteit is later alsnog een vergunning verleend. Voor de overtredingen van [appellant sub 3] van de Wabo voor het zonder vergunning plaatsen van een dakopbouw zijn lasten onder dwangsom opgelegd, maar het college heeft geconstateerd dat de lasten niet zijn overtreden. Ter zitting heeft [appellant sub 3] bovendien onweersproken verklaard dat, nadat de lasten waren opgelegd, de bouwwerkzaamheden zijn gestopt. Ook voor de overtreding op 9 januari 2018 van de Wabo door [appellant sub 3) voor het zonder vergunning plaatsen van een tuinhuisje is een last onder dwangsom opgelegd, waarna de werkzaamheden direct zijn stopgezet. Nadat daarvoor vergunning is verkregen, is het tuinhuisje alsnog geplaatst. Het college heeft bovendien ter zitting verklaard dat de overtredingen op zichzelf bezien niet ernstig zijn. Ten aanzien van de uitbouw van het magazijn, voegt de Afdeling aan dit oordeel toe dat de Awr-feiten te lang geleden zijn gepleegd om nog te kunnen tegenwerpen. Niet is gebleken dat deze of vergelijkbare feiten opnieuw zijn gepleegd en dat nog sprake zou zijn van een structureel karakter, dat maakt dat deze feiten daarom ten grondslag konden worden gelegd aan de weigering om de omgevingsvergunning te verlenen. Mede gelet op het feit dat er sprake is van grotendeels oude feiten, die met uitzondering van de Awr feiten gering van ernst zijn, is de Afdeling van oordeel dat, ook als deze feiten worden bezien in samenhang, die feiten niet de conclusie kunnen dragen dat sprake is van ernstig gevaar dat de omgevingsvergunningen zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dat [bedrijf 3] en [appellant sub 3] in het verleden vaker overtredingen hebben gepleegd, laat onverlet dat deze overtredingen onvoldoende ernstig zijn om, ook in samenhang, die conclusie te kunnen rechtvaardigen. 7.4. Het betoog van het college slaagt niet. Het betoog van [bedrijf 3] en [appellant sub 3] slaagt. 7.5. Het voorgaande betekent dat het college de aanvragen voor een omgevingsvergunning niet mocht weigeren op grond van de Wet Bibob. Het college moet de aanvragen dan ook in behandeling nemen en, als er geen andere wettelijke beletselen zijn, de vergunning verlenen.’ 3 Het geschil 3.1. [eisers] c.s. vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: i. voor recht te verklaren dat de Staat c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor schade dan wel dat zij afzonderlijk aansprakelijk zijn en onrechtmatig heeft/hebben gehandeld jegens [eisers] c.s. en uit dien hoofde de door [eisers] c.s. geleden en nog te lijden schade moet(en) vergoeden; de Staat c.s. (hoofdelijk) te veroordelen tot vergoeding van de door heeft gehandeld door het doen van een aantal onrechtmatige uitlatingen door de burgemeester in de media en het nemen van een tweetal onrechtmatige besluiten. Daarvoor kan alleen de Gemeente worden aangesproken, nu [eisers] c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat wordt voldaan aan de vereisten van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 lid 1 BW. [eisers] c.s. heeft verder onvoldoende onderbouwd dat er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige uitlatingen en de onrechtmatige besluiten enerzijds en de schade anderzijds. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de Staat c.s. niet onrechtmatig heeft gehandeld. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de Gemeente te veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie. De rechtbank zal hierna motiveren hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Onrechtmatig handelen de Staat c.s. als groep 4.4. [eisers] c.s. stelt dat de Staat c.s. een ‘plan’ had om samen als Team A39 – kort gezegd –schade toe te brengen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en om de aan hen gelieerde ondernemingen ten gronde te richten. Ter onderbouwing van die stelling wijst [eisers] c.s. op het stuk ‘ Half werk van de politie is soms genoeg ’ (r.o. 2.6.). Partijen verschillen van mening over de aanleiding en de herkomst van dit stuk. [eisers] c.s. stelt dat het stuk is opgesteld door een medewerker van de Gemeente ( [medewerker gemeente] ) naar aanleiding van een overleg tussen de convenantpartners van het RIEC (de Staat c.s.) over [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Dat betwist de Staat c.s. Zij voert aan dat het stuk is opgesteld door een externe partij naar aanleiding van een bijeenkomst van de Politieacademie over projecten van het RIEC. Deze externe partij zou na de bijeenkomst een aantal vragen aan (vertegenwoordigers van) de Gemeente, het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de Politie hebben voorgelegd en het stuk hebben opgesteld. Onder het stuk staat weliswaar de naam van [medewerker gemeente] (destijds werkzaam bij de Gemeente), maar dat is volgens de Staat c.s. onjuist. Volgens de Staat c.s. is zij op geen enkele manier betrokken geweest bij de redactie van het stuk. De Staat c.s. zou het stuk voor publicatie op de website van de Politieacademie ook niet hebben gezien en gecontroleerd. 4.5. Tussen partijen staat in ieder geval (wel) vast dat het stuk onder meer gaat over ‘dossier A39’ van het RIEC. Dat dossier was – zo heeft de Gemeente toegelicht – op verzoek van de burgemeester aangemaakt in verband met de snelle opkomst van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in het vastgoed, de bouw en horecabranche, alsmede hun (vermeende) intimiderende gedrag bij vergunningaanvragen en bemoeienis van vergunningaanvragen van horecaondernemers aan wie zij panden verhuurden. In het stuk is geschreven dat voornoemd dossier betrekking heeft op een ‘criminele familie’ en dat ‘de projectleiders hun gezamenlijke doelen helder hebben’, namelijk ‘criminaliseren van de subjecten, zoveel mogelijk geld afpakken, waar mogelijk vergunningen intrekken, imago schade toebrengen, bestaande illegale structuur verstoren en doorbreken hypotheek - en bouwfraude’. Niet ter discussie staat dat de schrijver van het stuk met ‘criminele familie’ [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft bedoeld en de ‘gezamenlijke doelen’ volgens de schrijver zien op dossier A39 en daarmee [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . 4.6. De rechtbank acht de hiervoor omschreven doelstelling verwerpelijk. Blijkens het stuk is het doel om – zoals [eisers] c.s. ook bepleit – schade aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] toe te brengen en de aan hen gelieerde ondernemingen ten gronde te richten. Dit past niet in een democratische rechtsstaat waar burgers rechten toekomen die door de overheid gerespecteerd moeten worden en waarbij het overheidshandelen door de rechter getoetst moet kunnen worden. Met name de woorden “criminaliseren van de subjecten” keurt de rechtbank af nu dit verwijst naar een proces waarbij een gedraging of een dader Daaruit kan slechts worden geconcludeerd dat de burgemeester desgevraagd in interviews bewust het publiek heeft willen informeren over de aanhouding van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in het Kangoo -onderzoek. 4.10. [eisers] c.s. stelt verder dat de Staat c.s. binnen het RIEC ten onrechte vergunningen heeft geweigerd of ingetrokken dan wel is overgegaan tot ongegronde vervolgingen. Hiermee is volgens [eisers] c.s. uitvoering gegeven aan het plan. Ook dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De Staat c.s. heeft toegelicht dat binnen het RIEC niet ‘gezamenlijk’ als groep besluiten worden genomen. Volgens de Staat c.s. heeft het RIEC slechts uitvoering aan haar doelstelling van het convenant gegeven (kort gezegd: samenwerking in de strijd tegen criminele ondermijning van de samenleving) door overleg tussen gezaghebbende vertegenwoordigers van partners te faciliteren en door – onder voorwaarden omtrent geheimhouding en gegevensbescherming – gegevens te wisselen tussen de convenantpartners. De Staat c.s. voert aan dat iedere convenantpartner (vervolgens) ‘binnen haar eigen kolom’ opereert en besluiten neemt. [eisers] c.s. heeft niet onderbouwd dat de convenantpartners van het RIEC op een andere wijze te werk zijn gegaan, dan wel dat zij in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur hebben gehandeld. 4.11. Dit alles betekent dat [eisers] c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat de Staat c.s. uitvoering heeft gegeven aan een gezamenlijk plan om [eisers] c.s. – kort gezegd – schade toe te brengen en de aan hen gelieerde ondernemingen ten gronde te richten. Om die reden is (in zoverre) geen sprake van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. Onrechtmatig handelen de Gemeente, de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en de Politie ieder afzonderlijk 4.12. [eisers] c.s. stelt dat de Gemeente, de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en de Politie om verschillende redenen ieder afzonderlijk onrechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank zal hierna per gedaagde motiveren waarom zij van oordeel is dat wel of geen sprake is van onrechtmatig handelen. De Gemeente 4.13. [eisers] c.s. stelt dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld omdat (a) de burgemeester in de media uitlatingen heeft gedaan die in strijd zijn met het recht op eer en goede naam en die in strijd zijn met de onschuldpresumptie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en (b) de Gemeente onrechtmatige besluiten heeft genomen ter zake van de aanvraag van vergunningen voor [adres] en [adres] te Groningen (r.o. 2.46.) a. Onrechtmatige uitlatingen 4.14. Een uitlating (in de media) is allereerst onrechtmatig indien het recht op eerbiediging van de eer en goede naam van degene over wie de uitlating gaat (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM) in het concrete geval zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting van degene die de uitlating doet (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). 4.15. Welke van deze rechten zwaarder weegt, hangt af van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft als in aanmerking te nemen omstandigheden genoemd: de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben, de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, e inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c genoemde factoren, de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie, het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden, en een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling Er zijn veel mensen de dupe van hen geworden’, aldus [burgemeester] .’ (RTV Noord, 18 januari 2017, r.o. 2.22.); - ‘ ‘ Op een verkeerde manier verdiend geld vloeit weer terug in de maatschappij door allerlei schimmige constructies. We dulden dat niet en treden hard op tegen deze vorm van criminaliteit. Dit moet een duidelijk signaal zijn.’ (De Telegraaf ,18 januari 2017, r.o. 2.25.); - ‘ ‘ Burgemeester [burgemeester] : Nou, ik zeg dat zij in verkeerde circuits en op een verkeerde manier hun geld verdienen. Uiteindelijk moet een rechter erover uitspreken hoe crimineel dat is, dat doe ik niet. de verslaggever: Maar u loopt het risico dat u straks bakzeil moet halen, omdat de heren niet veroordeeld worden. de burgemeester [burgemeester] : Ik acht dat risico niet zo heel groot.’ (interview RTV Noord, 27 januari 2017, r.o. 2.33.); - ‘ ‘Ik respecteer dat de advocaat opkomt voor zijn cliënt, maar wij vinden dat deze heren zich mengen in onze samenleving op een manier die wij niet willen. Zij verdienen onder andere op criminele wijze hun geld. Zij ondervinden nu nadelige gevolgen van de manier waarop zij nu bezig zijn.’ ( Dagblad van het Noorden, 28 januari 2017, r.o. 2.35.). 4.20. De burgemeester heeft voornoemde uitlatingen in de media gedaan naar aanleiding van (vragen omtrent) de arrestatie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in het Kangoo -onderzoek. Daarbij heeft hij naar het oordeel van de rechtbank als feit gepresenteerd dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schuldig waren aan de strafbare feiten waarvoor zij waren aangehouden, terwijl een rechter zich daarover nog niet had uitgesproken. De opmerkingen dat ‘het goed zou zijn als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een keer veroordeeld zouden worden ’, dat ze ‘in verkeerde circuits en op een verkeerde manier geld verdienen’ (of woorden van gelijke strekking) en dat de burgemeester ‘het risico niet zo heel groot acht’ dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet veroordeeld zouden worden , schenden zo evident de onschuldpresumptie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , dat dit verder geen toelichting behoeft. De toevoeging van de burgemeester dat de rechter uiteindelijk moet beslissen ‘hoe crimineel dat is’ (rechtbank: het in criminele circuits op verkeerde manier geld verdienen), doet daaraan niet af. Met de opmerking ‘hoe’ crimineel impliceert de burgemeester zelfs dat het criminele handelen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] al vast staat, en dat slechts de ernst daarvan nog door de rechter moest worden vastgesteld. 4.21. Ook de uitlating van de burgemeester dat hij ‘veronderstelt’ , oftewel voor waar aanneemt, dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betrokken zijn bij criminele activiteiten en dat ‘ voorkomen moet worden dat crimineel verkregen geld geïnvesteerd wordt in de maatschappij’ schendt de onschuldpresumptie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Die laatste zin is geen algemene opmerking, zoals de Gemeente lijkt te bepleiten, maar slaat op de ‘criminele activiteiten’ waar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] volgens de burgemeester bij betrokken waren. Verder is de opmerking dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich ‘ mengen in onze samenleving op een manier die wij niet willen’ in strijd met de onschuldpresumptie, omdat de burgemeester ‘die manier’ verduidelijkt door daaraan toe te voegen dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ‘ onder andere op criminele wijze hun geld verdienen’. Tot slot geldt dit ook voor de opmerking ‘dat veel mensen de dupe van hen zijn geworden’ . Volgens de Gemeente was die opmerking juist en gerechtvaardigd, gelet op de aangiftes van oplichting door de onderaannemers in het Kangoo -onderzoek (r.o. 2.5.). Die rechtvaardiging bestond er naar het oordeel van de rechtbank (juist) niet, aangezien er slechts aangiftes waren gedaan en een rechter zich nog niet had uitgelaten over de vraag of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schuldig waren aan oplichting en daardoor ‘ mensen de dupe van hen zijn geworden ’. 4.22. De Gemeente betoogt verder dat de uitlatingen moeten worden bezien in h In het onderhavige geval, waarin de besluiten op bezwaar zijn vernietigd omdat de primaire besluiten waren genomen in strijd met de Wet Bibob, (die bood volgens de Afdeling geen grondslag voor de weigering van de omgevingsvergunningen), zijn naar het oordeel van de rechtbank ook de primaire besluiten onrechtmatig en kan dat aan de Gemeente worden toegerekend. De rechtbank zal onder r.o. 4.59 oordelen over het causale verband tussen de onrechtmatige besluiten en de schade. De Belastingdienst 4.26. [eisers] c.s. stelt dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld omdat (a) de Belastingdienst (althans de destijds bij de Belastingdienst werkzame personen [medewerker belastingdienst] en [directeur Belastingdienst Noord] ) uitlatingen heeft gedaan in de media en in het stuk ‘Half werk van de politie is soms al genoeg’ die in strijd zijn met het recht op eer en goede naam en in strijd zijn met de onschuldpresumptie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en (b) de Belastingdienst de vervolging ter zake van het fiscale onderzoek (r.o. 2.7.) heeft gestimuleerd. a. Onrechtmatige uitlatingen 4.27. Bij de beoordeling van de vraag of [medewerker belastingdienst] en [directeur Belastingdienst Noord] onrechtmatige uitlatingen hebben gedaan, geldt het hiervoor onder r.o. 4.14. tot en met 4.16. genoemde toetsingskader. 4.28. De rechtbank acht de door [eisers] c.s. aangehaalde uitlatingen niet onrechtmatig. De opmerking van [medewerker belastingdienst] in het stuk ‘ Half werk van de politie is soms al genoeg’ dat ze ‘de subjecten binnenkort pijn gaan doen’ acht de rechtbank niet onrechtmatig. Het spreekt over toekomstig handelen, tast niet de eer en goede naam van [eisers] c.s. aan en is ook niet in strijd met de onschuldpresumptie. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben door de uitgebrachte persverklaring zelf de aandacht gevestigd op het stuk en zichzelf aan dat stuk gelinkt (r.o. 2.32.). Ook valt zonder nadere onderbouwing niet in te zien dat de opmerking van [directeur Belastingdienst Noord] – ‘Zo kijken we naar de geldstromen binnen hun bedrijven. Daarbij vragen we ons af wat de herkomst is en of dat wel klopt’ (r.o. 2.30.) – onrechtmatig is. [directeur Belastingdienst Noord] heeft slechts toegelicht dat de Belastingdienst onderzoek deed naar geldstromen en hij heeft in dat verband geen veroordelende uitspraken over [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gedaan. Ook het citaat ‘dat de Belastingdienst in stelling wordt gebracht’ (r.o. 2.29.) is niet onrechtmatig, omdat dit geen uitlating van [directeur Belastingdienst Noord] betreft en bovendien deze uitlating niet in strijd is met het recht op eer en goede naam en niet in strijd is met de onschuldpresumptie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . De Belastingdienst heeft met voornoemde uitlatingen ook niet in strijd met artikel 10 AVG gehandeld en/of in strijd met het convenant (vertrouwelijke) informatie over [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gedeeld. b. Stimuleren vervolging fiscaal onderzoek 4.29. De rechtbank is met de Belastingdienst van oordeel dat [eisers] c.s. op geen enkele manier heeft onderbouwd dat de Belastingdienst de vervolging voor het fiscale onderzoek ‘heeft gestimuleerd’ én waarom dit onrechtmatig is. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze stelling van [eisers] c.s. Het Openbaar Ministerie 4.30. [eisers] c.s. stelt dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld omdat (a) de (destijds) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het Openbaar Ministerie [hoofdofficier] (hierna: [hoofdofficier] ) in de media uitlatingen heeft gedaan die in strijd zijn met het recht op eer en goede naam en die in strijd zijn met de onschuldpresumptie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en (b) het Openbaar Ministerie [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft vervolgd in het Kangoo -onderzoek en het fiscale onderzoek terwijl daarvoor geen rechtvaardiging bestond en zij daarvoor zijn vrijgesproken. a. Onrechtmatige uitlatingen 4.31. De rechtbank acht – met inachtneming van voornoemd toetsingskade Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door een tekortschietende of foutieve handeling van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde niet alleen bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. De exacte omvang van de schade hoeft ook nog niet vast te staan. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle relevante omstandigheden. 4.37. Voor schade als gevolg van de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen begint de verjaringstermijn volgens vaste rechtspraak te lopen op de dag na de eerste toepassing van die dwangmiddelen. Aan die rechtspraak ligt ten grondslag dat een (voormalige) verdachte vanaf het moment dat hij wordt aangehouden of dat op hem andere dwangmiddelen worden toegepast kan beoordelen of hij onschuldig is. Vanaf dat moment wordt hij dus ook geacht bekend te zijn met zijn schade en met de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon, namelijk de Staat. 4.38. Op 30 september 2015 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in woningen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] (althans de woningen waar zij verbleven) en in bedrijfspanden van de aan hen gelieerde vennootschappen. Deze doorzoekingen hadden - zo heeft het Openbaar Ministerie onweersproken aangevoerd - betrekking op het Kangoo -onderzoek én het fiscale onderzoek. Het betrof de eerste toepassing van een dwangmiddel. Verder is onweersproken aangevoerd dat bij de doorzoeking de reden van de doorzoeking en de verdenkingen die jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bestonden, zijn vermeld. Vanaf dat moment konden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dan ook beoordelen of zij onschuldig waren ten aanzien van die verdenkingen. Voor zover [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bepleiten dat met ‘eerste dwangmiddel’ wordt bedoeld ‘de aanhouding’ (die in dit geval plaatsvond op 13 januari 2017), gaat de rechtbank daar aan voorbij. Het eerste dwangmiddel kan, zoals uit het voorgaande blijkt, de aanhouding zijn of een ander dwangmiddel. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] waren al voor hun aanhouding in het Kangoo -onderzoek, namelijk ten tijde van de doorzoeking, met de verdenkingen ten aanzien van oplichting én belastingfraude bekend. 4.39. Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn is aangevangen op 1 oktober 2015. [eisers] c.s. stelt niet dat hij de verjaringstermijn (voor 1 oktober 2020) heeft gestuit. Tussen partijen staat vast dat [eisers] c.s. het Openbaar Ministerie voor het eerst op 22 december 2021 aansprakelijk heeft gesteld. Op dat moment was een (eventuele) vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] al verjaard. Dit betekent dat het verjaringsverweer slaagt en de vordering op deze grond wordt afgewezen. De Politie 4.40. Tot slot stelt [eisers] c.s. dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld, omdat (a) de politie verantwoordelijk is voor het stuk ‘Half werk van de politie is soms al genoeg’ en (b) de heer [teamleider politie] (destijds teamleider bij de Politie) zich in dat stuk op onrechtmatige wijze heeft uitgelaten . a. Verantwoordelijkheid stuk ‘Half werk van de politie is soms al genoeg’ 4.41. Zoals hiervoor is overwogen, is de aanleiding en de herkomst van het stuk ‘ Half werk van de politie is soms al genoeg’ niet duidelijk geworden. Tussen partijen staat evenwel vast dat het stuk is geplaatst op de website van de Politieacademie. [eisers] c.s. stelt dat de Politie verantwoordelijk kan worden gehouden voor het stuk, omdat het stuk ‘op haar website staat’. De Politie heeft echter aangevoerd dat de Politieacademie een andere rechtspersoon is dan de Politie, hetgeen [eisers] c.s. niet heeft weersproken. Gelet daarop, is onvoldoende onderbouwd dat de Politie verantwoordelijk moet worden gehouden stelt allereerst dat door de onrechtmatige uitlatingen van de burgemeester ABN Amro de leningsovereenkomsten met hem heeft beëindigd, andere banken geen leningsovereenkomsten met [eisers] c.s. wilden aangaan, Delta Lloyd de verzekeringsovereenkomsten heeft opgezegd en overige derden geen zaken meer met [eisers] c.s. wilden doen. [eisers] c.s. stelt dat hij schade heeft geleden omdat hij door de opzegging van de leningsovereenkomsten door ABN Amro en het feit dat overige banken geen leningsovereenkomst met hem wilden aangaan, een groot deel van zijn vastgoed moest verkopen. De verkoop vond volgens hem plaats onder ongunstige voorwaarden, waardoor schade is geleden. Daarnaast zou schade zijn geleden in de vorm van advocaatkosten die [eisers] c.s. heeft gemaakt in verschillende procedures. Tot slot stelt [eisers] c.s. immateriële schade te hebben geleden in de vorm van reputatieschade. De totale schade begroot [eisers] c.s. voorlopig op een bedrag van € 20.000.000,00. De Gemeente betwist zowel het causale verband als de omvang van de schade. 4.50. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige uitlatingen van de burgemeester en de schade die [eisers] c.s. stelt te hebben geleden, moet worden beantwoord door een vergelijking te maken tussen enerzijds de feitelijke situatie zoals die zich heeft voorgedaan mét de onrechtmatige daad en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als die onrechtmatige daad wordt weggedacht. Als de schade niet zou zijn ingetreden indien de onrechtmatige daad wordt weggedacht, dan is sprake van het vereiste conditio sine qua non-verband. [eisers] c.s. dient dus te onderbouwen dat hij de schade niet had geleden als de onrechtmatige gedraging, de uitlatingen van de burgemeester, achterwege was/waren gebleven. Het uitgangspunt van artikel 6:98 BW is verder dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Opzegging kredietovereenkomst ABN Amro 4.51. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige uitlatingen van de burgemeester en de volgens hem geleden schade door de beëindiging van de leningsovereenkomsten door ABN Amro. In de e-mail van ABN Amro van 20 januari 2017 (r.o. 2.27.) is te lezen dat ABN Amro geen limiet meer wilde afgeven voor de ABN Amro Business Card(s) vanwege ‘de recente publicaties in de media (Telegraaf 18 januari jl.). In genoemd artikel in de Telegraaf heeft de burgemeester zich weliswaar op onrechtmatige wijze geuit, maar aannemelijk is dat dit artikel ook zou zijn verschenen indien de burgemeester de uitlating niet zou hebben gedaan. In het artikel wordt op uitgebreide wijze verslag gedaan van de aanhouding van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vanwege de verdenking van witwassen en oplichting en de gedane aangiften door onderaannemers. De uitlating van de burgemeester is één citaat die – gelet op de omvang van het artikel – niet veel ruimte inneemt. [eisers] c.s. heeft niet nader onderbouwd dat – in de hypothetische situatie waarin de burgemeester zich niet op onrechtmatige wijze in dit artikel zou hebben geuit – ABN Amro de kredietovereenkomst niet had beëindigd. De uitlating(en) van de burgemeester worden door ABN Amro ook niet als reden voor het beëindigen van de leningsovereenkomst genoemd. Bovendien is in de e-mail te lezen dat de recente ‘publicaties’ reden zijn voor de opzegging. Nu ABN Amro wijst op ‘recente’ publicaties, lijkt ABN Amro niet te doelen op de door de Staat c.s. aangehaalde publicaties uit 2015 en de maanden juli/augustus 2016, maar op de publicaties die na de aanhouding op 13 januari 2017 en voor de e-mail van 20 januari 2017 zijn verschenen (waaronder de publicat Ook hiervoor geldt dat – gelet op de hoeveelheid aan negatieve berichtgeving – onvoldoende is onderbouwd dat SNS Bank in de hypothetische situatie waarin de burgemeester de uitlatingen niet zou hebben gedaan, wel een leningsovereenkomst met [eisers] c.s. wilde aangaan (zie hiervoor). Uit de overige e-mails van ING van 9 maart 2017 (r.o. 2.39.), ABN Amro van 8 december 2022 (r.o. 2.47.), SNS Bank van 30 juni 2023 (r.o. 2.48.) en Bux van 2 april 2024 (r.o. 2.51.) valt niet op te maken waarom deze partijen geen overeenkomsten met [uitzendbureau] , [bedrijf 17] en [eiser sub 1] wilden sluiten. Bovendien zijn [uitzendbureau] en [bedrijf 17] , zoals de Politie ook aanvoert, geen partij bij deze procedure. De schade die zij eventueel hierdoor hebben geleden, betreft geen schade die [eisers] c.s. (eventueel) heeft geleden. Derden willen geen zaken doen met [eisers] c.s. 4.56. [eisers] c.s. stelt daarnaast dat derden sinds de uitlatingen (van de burgemeester) in de media geen zaken meer met [eisers] c.s. willen doen. Ook dat heeft [eisers] c.s. naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [eisers] c.s. wijst ter onderbouwing daarvan op een e-mail van 19 maart 2024 van het bedrijf ‘ [bedrijf 18] ’ (r.o. 2.50.). De rechtbank is met de Staat c.s. van oordeel dat uit die e-mail niet valt op te maken dat dit bedrijf niet met [eisers] c.s. een zakelijke overeenkomst wilde aangaan vanwege de uitlatingen van de burgmeester in 2017. In de brief is enkel geschreven dat het dit bedrijf ‘is afgeraden zaken met [eisers] c.s. te doen ’. Waarom dit is afgeraden, heeft [eisers] c.s. op geen enkele manier nader toegelicht. Hij heeft evenmin onderbouwd dat andere bedrijven door de uitlatingen van de burgemeester geen zakelijke overeenkomsten met [eisers] c.s. willen sluiten. [eisers] c.s. noemt enkel als voorbeeld een klant van [bedrijf 16] B.V., die de samenwerking met [bedrijf 16] B.V. zou hebben beëindigd waardoor het faillissement van [bedrijf 16] B.V. zou zijn uitgesproken, maar dit was volgens [eisers] c.s. ook vanwege ‘de negatieve berichtgeving’ . Niet is onderbouwd dat de onrechtmatige uitlatingen van de burgemeester daarvoor aanleiding waren en die partij zonder de uitlatingen van de burgemeester de samenwerking niet zou hebben beëindigd. De vraag of [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [bedrijf 10] B.V. als aandeelhouder schade (kunnen) hebben geleden door het faillissement van [bedrijf 16] B.V., kan daarom verder in het midden blijven. De advocaatkosten 4.57. Tot slot heeft [eisers] c.s. niet onderbouwd dat hij door de onrechtmatige uitlatingen van de burgemeester advocaatkosten heeft moeten maken. Volgens [eisers] c.s. heeft hij ‘ door het optreden van de Staat c.s.’ , vele procedures moeten voeren of in procedures zich moeten verweren, waaronder dwangmaatregelen van het OM, de strafzaken, het faillissement van [bedrijf 16] B.V., beslagmaatregelen en het opvragen van informatie in verband met de verwerking van persoonsgegevens. [eisers] c.s. heeft echter niet onderbouwd dat die procedures verband houden met de onrechtmatige uitlatingen van de burgemeester. Voor de onderhavige procedure komt een vordering tot schade in de vorm van de werkelijk gemaakte (advocaat)kosten slechts voor toewijzing in aanmerking indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. [eisers] c.s. heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat daarvan sprake is. Opzegging verzekering 4.58. [eisers] c.s. stelt daarnaast dat Delta Lloyd de verzekeringsovereenkomsten met haar heeft opgezegd (r.o. 2.42.) vanwege ‘ negatieve berichtgeving’, maar hij stelt niet dat hij daardoor schade heeft geleden, zodat dit verder onbesproken kan blijven. Overigens geldt hiervoor ook dat zonder de uitlatingen van de burgemeester, nog steeds veel negatieve berichtgeving zou hebben plaatsgevonden, zodat zonder nadere onderbouwing niet kan worden aangenomen dat Delta Lloyd in dat geval de verzekerings Dat plan is niet vast komen te staan. Bovendien zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] c.s. inmiddels bij vonnis vrijgesproken van de strafbare feiten waar de uitlatingen betrekking op hebben. Die vonnissen zijn gepubliceerd en daarvoor is aandacht geweest in de media. Gelet daarop heeft [eisers] c.s. naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende belang bij rectificatie. 4.65. Nu de Gemeente onrechtmatig jegens [eisers] c.s. heeft gehandeld en de vordering onder I in zoverre wordt toegewezen, moet de Gemeente worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. De Gemeente moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisers] c.s. betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,37 - griffierecht € 6.617,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2,0 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 8.135,37 4.66. De vorderingen die [eisers] c.s. jegens de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en de Politie heeft ingesteld, worden afgewezen. [eisers] c.s. is in zoverre in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van deze partijen betalen. De proceskosten van deze partijen worden afzonderlijk (de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie als één partij) begroot op: - griffierecht € 6.617,00 - salaris advocaat € 7.004,00 (2,0 punten × € 3.502,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 13.799,00 4.67. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. [eisers] c.s. wordt, zoals verzocht, hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eisers] c.s. heeft gehandeld, 5.2. veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van [eisers] c.s. van € 8.135,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Gemeente niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt de Gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (5.2.) als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, 5.4. veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie van € 13.799,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten van de Politie van € 13.799,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.6. veroordeelt [eisers] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (5.4. en 5.5.) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.7. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. tot en met 5.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen, mr. R. Bootsma en mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken door mr. R. Bootsma op 2 juli 2025. 710/mh Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Hoge Raad 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, Hoge Raad 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230 en Hoge Raad 6 januari 1995, ECLI:HR:1995:ZC1602. Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3161 en aldaar genoemde verwijzing naar EHRM 10 mei 2005, nr. 6569/04 EHRM 27 februari 2014, nr. 17103/10. HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:115, HR 20 februari