Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-28
ECLI:NL:RBNNE:2025:285
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,235 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde]
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 2 januari 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 204.844,58 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18-007674-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 14 januari 2025, waarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. T.H. Pitstra, veroordeelde en zijn raadsman mr. F.H. Kappelhof.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op 204.844,58. Dit betreft het geldbedrag dat door veroordeelde is witgewassen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet van de berekening van het OM als voordeelsberekening kan worden uitgegaan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat een aantal posten, in totaal 97.076,88, herleidbaar zijn naar een legale bron en dat bovendien uitgegaan moet worden van de kortere pleegperiode 2019 tot en met 2020. Daarnaast heeft verdachte, nu het OM uitgaat van drugshandel als gronddelict, zelf ook kosten gemaakt.
Bewijsmiddelen
Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:
- de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 28 januari 2025 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 28 januari 2025 in de zaak met parketnummer 18- 007674-22 veroordeeld voor gewoontewitwassen.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van het ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde feit.
In de hoofdzaak is bewezen verklaard dat veroordeelde gedurende meerdere jaren een bedrag van 204.844,58 heeft witgewassen. Dit bedrag bestaat cumulatief uit geldbedragen die verdachte door de jaren heen op zijn rekening heeft gestort of die hij contant in bezit heeft gehad en waarvan niet is
gebleken dat deze uit legale bron afkomstig zijn.
De rechtbank ziet geen reden om, zoals door de raadsman is bepleit, het bedrag te matigen. In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank reeds overwogen dat de ten laste gelegde en bewezenverklaarde pleegperiode gerechtvaardigd is en dat de legale bronnen die door verdachte of zijn raadsman zijn opgevoerd op geen enkele wijze op juistheid te controleren zijn en dat nergens blijkt van een legale herkomst die het geldbedrag kan verklaren. Daarnaast ziet de rechtbank ook geen reden om rekening te houden met eventueel door verdachte zelf gemaakte kosten, nu er geen concrete bedragen daarvoor zijn opgevoerd.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank ziet, gelet op de jurisprudentie en op haar overweging in de hoofdzaak met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn, aanleiding om de betalingsverplichting te matigen, met dien verstande dat de vermindering in beginsel maximaal 5.000,00 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en stelt de betalingsverplichting daarom vast op 204.844,58 5.000,00 = 199.844,58.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 199.844,58.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 199.844,58 (zegge: honderdnegenennegentigduizend achthonderdvierenveertig euro en achtenvijftig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 360 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 januari 2025.