Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-07-08
ECLI:NL:RBNNE:2025:2826
Civiel recht
Bodemzaak
1,046 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11095602 CV EXPL 24-2769
Vonnis van 8 juli 2025
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 8 april 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de gedaagde partij niet gereageerd op de akte van de eisende partij van 11 maart 2025.
2.2.
Gelet op de nadere toelichting van de eisende partij en op de tekst van de eerdergenoemde artikelen in de onderhavige bedingen van de algemene voorwaarden, is het de kantonrechter voldoende gebleken dat de bedingen telkens zien op verschillende situaties, gedragingen en/of (schade)componenten. Deze bedingen acht de kantonrechter niet onredelijk of oneerlijk. Ook ziet de kantonrechter geen disbalans in de rechten en de verplichtingen van partijen ten nadele van de consument. Ook is de kantonrechter vanwege de nadere toelichting van de eisende partij voldoende gebleken dat geen sprake is van een mogelijk cumulatief effect dat tot een disbalans zou leiden. Dit betekent dat de kantonrechter geen aanleiding ziet tot vernietiging of het buiten toepassing laten van bedingen uit de door de eisende partij van toepassing verklaarde algemene voorwaarden.
2.3.
De gedaagde partij heeft weliswaar aangegeven het niet eens te zijn met de extra (proces)kosten, maar de gedaagde partij heeft ook erkend dat sprake is geweest van ‘treintje rijden’ zodat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen. Aangezien betaling van de gedaagde partij (na aanmaning daartoe) is uitgebleven, heeft de eisende partij de gedaagde partij in rechte mogen betrekken. Ditzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente, zoals hierna in de beslissing is vermeld. Daarbij komt dat de eisende partij aan de gedaagde partij een aanmaning heeft gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald. Daarom wordt het gevorderde bedrag van € 74,54 toegewezen.
2.4.
De gedaagde partij zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van de eisende partij worden begroot op een bedrag van:
dagvaardingskosten: € 113,54
griffierecht: € 328,00
salaris gemachtigde: € 135,00
nakosten: € 67,50
totaal: € 644,04
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij een bedrag van € 571,49 te betalen ter voldoening van het tarief verloren kaart, de aanvullende schadevergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, tot aan de dag van de algeheel voldoening;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, aan de zijde van de eisende partij begroot op een bedrag van € 644,04, te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst voor zover nodig het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025.
48315/GW