Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-06-13
ECLI:NL:RBNNE:2025:2582
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,982 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:2582 text/xml public 2026-05-04T08:05:14 2025-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-06-13 LEE 23/3992 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:2582 text/html public 2025-06-30T15:36:12 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:2582 Rechtbank Noord-Nederland , 13-06-2025 / LEE 23/3992 Het dagelijks bestuur van het waterschap was niet bevoegd handhavend op te treden. De rechtbank stelt vast dat de onderhoudsplicht in strijd met artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet niet is vastgelegd in een legger die is vastgesteld door het algemeen bestuur. Door het dagelijks bestuur is niet onderbouwd waarom de aanwijzing van onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichting ook kan worden vastgelegd in de Keur, in samenhang met de schouwkaart. Bovendien stelt het dagelijks bestuur zonder nadere toelichting dat de schouwkaart in mandaat door haar kon worden vastgesteld. Het wettelijk voorschrift in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder d, van de Keur is gelet op het voorgaande onverbindend. Er was om die reden geen sprake van een overtreding van de onderhoudsplicht en daarom was het dagelijks bestuur niet bevoegd om handhavend op te treden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/3992 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling), en het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's, het dagelijks bestuur (gemachtigden: J. Copinga en H.G. Sprang). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een last onder bestuursdwang die aan eiser is opgelegd in verband met het niet voldoen aan de onderhoudsverplichting voor de schouwsloot die is gelegen naast de woning van eiser. Eiser is het niet eens met de opgelegde last. De rechtbank beoordeelt de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last niet kon worden opgelegd omdat er geen onderhoudsplicht gold. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 8 februari 2023 is aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd in verband met overtreding van de onderhoudsplicht voor de schouwsloot. Met het bestreden besluit van 7 september 2023 op het bezwaar van eiser is het waterschap bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, diens gemachtigde en de gemachtigden van het dagelijks bestuur. 2.3. De zaak is ter zitting geschorst. Door het dagelijks bestuur is een nader stuk overgelegd waarop door eiser is gereageerd. Daarna is het onderzoek met instemming van partijen gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toepasselijke regelgeving 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De onderhoudsplicht 4. Eiser stelt dat hij niet als onderhoudsplichtige kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser zich op het standpunt stelt dat geen sprake was van een overtreding. De rechtbank vult deze rechtsgrond aan en onderzoekt of het dagelijks bestuur bevoegd was tot het opleggen van de last onder bestuursdwang. 4.1. Deze grond slaagt. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. 4.1.1. Een overtreding is een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op een overtreding kan een bestuurlijke sanctie volgen (artikel 5:2, aanhef en onder a en b, van de Awb). Het legaliteitsbeginsel vereist een wettelijke grondslag voor handhavend optreden (artikel 5.4, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 61 van de Waterschapswet is het dagelijks bestuur van het waterschap bevoegd tot handhaving van voorschriften die het waterschapsbestuur uitvoert. 4.1.2. In artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet staat dat het algemeen bestuur van het waterschap een legger vaststelt, waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Deze ‘onderhoudslegger’ moet worden onderscheiden van de ‘technische legger’ op grond van artikel 5.1, eerste lid van de Waterwet, waarin de technische eisen staan waaraan waterstaatswerken moeten voldoen. De technische legger heeft geen betekenis voor de onderhoudsplicht. Anders dan eiser stelt is artikel 5.2 van de Keur - waarin wordt verwezen naar artikel 5.1 van de Waterwet – daarom voor de beoordeling van deze zaak niet relevant. 4.1.3. In het bestreden besluit staat dat de onderhoudsplicht voor schouwsloten op grond van artikel 2.4, derde lid, onder d, van de Keur waterschap Hunze en Aa's 2010 (Keur) ligt bij eigenaren van de daaraan grenzende gronden. De last is opgelegd omdat niet is voldaan aan artikel 2.8, aanhef en onder b, van de Keur. Daarin staat kort gezegd wat feitelijk moet worden gedaan om aan de onderhoudsplicht te voldoen. De sloot naast de woning van eiser is als schouwsloot aangewezen door het dagelijks bestuur bij het besluit van 12 september 2022 tot vaststelling van de schouwkaarten. 4.1.4. De rechtbank stelt vast dat de onderhoudsplicht in strijd met artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet niet is vastgelegd in een legger die is vastgesteld door het algemeen bestuur. Door het dagelijks bestuur is niet onderbouwd waarom de aanwijzing van onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichting ook kan worden vastgelegd in de Keur, in samenhang met de schouwkaart. Bovendien stelt het dagelijks bestuur zonder nadere toelichting dat de schouwkaart in mandaat door haar kon worden vastgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het besluit tot vaststelling van de schouwkaart weliswaar bekend is gemaakt in het waterschapsblad , maar dat de vastgestelde schouwkaart zelf niet meer kan worden overgelegd, zodat de rechtbank niet kan verifiëren of de betreffend sloot op de schouwkaart is aangegeven. 4.1.5. Het wettelijk voorschrift in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder d, van de Keur is gelet op het voorgaande onverbindend. Er was om die reden geen sprake van een overtreding van de onderhoudsplicht en daarom was het dagelijks bestuur niet bevoegd om handhavend op te treden. Overwegingen ten overvloede 5. Gelet op rechtsoverweging 4 behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Ten overvloede gaat de rechtbank in op enkele andere gronden. 5.1. Eiser voert aan dat de mate en de aard van verontreiniging in de waterweg in de last niet nader zijn omschreven. De rechtbank merkt daarover het volgende op. 5.1.1. De bewijslast voor de overtreding ligt bij het dagelijks bestuur. Vaste rechtspraak is dat het op de weg ligt van het bestuursorgaan om feiten en omstandigheden te verzamelen om vast te stellen of sprake is van een overtreding. Bij herstelsancties dient het bestuursorgaan de overtreding aannemelijk te maken. 5.1.2. Vaste rechtspraak is ook dat aan een handhavingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat sprake is van een overtreding. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. 5.1.3. Aan dit vereiste is niet voldaan. Bij de last is een toezichtrapport gevoegd gedateerd op 7 februari 2023. Daarin staat als constatering: “bodem niet schoon”. Er is geen nadere beschrijving van de geconstateerde feiten en er zijn geen foto’s in het dossier aanwezig. Ook blijkt niet uit het toezichtrapport wie de feiten en omstandigheden heeft vastgesteld en welke werkwijze werd gehanteerd. 5.2.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:2582 text/xml public 2026-05-04T08:05:14 2025-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-06-13 LEE 23/3992 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:2582 text/html public 2025-06-30T15:36:12 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:2582 Rechtbank Noord-Nederland , 13-06-2025 / LEE 23/3992 Het dagelijks bestuur van het waterschap was niet bevoegd handhavend op te treden. De rechtbank stelt vast dat de onderhoudsplicht in strijd met artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet niet is vastgelegd in een legger die is vastgesteld door het algemeen bestuur. Door het dagelijks bestuur is niet onderbouwd waarom de aanwijzing van onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichting ook kan worden vastgelegd in de Keur, in samenhang met de schouwkaart. Bovendien stelt het dagelijks bestuur zonder nadere toelichting dat de schouwkaart in mandaat door haar kon worden vastgesteld. Het wettelijk voorschrift in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder d, van de Keur is gelet op het voorgaande onverbindend. Er was om die reden geen sprake van een overtreding van de onderhoudsplicht en daarom was het dagelijks bestuur niet bevoegd om handhavend op te treden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 23/3992 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling), en het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's, het dagelijks bestuur (gemachtigden: J. Copinga en H.G. Sprang). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een last onder bestuursdwang die aan eiser is opgelegd in verband met het niet voldoen aan de onderhoudsverplichting voor de schouwsloot die is gelegen naast de woning van eiser. Eiser is het niet eens met de opgelegde last. De rechtbank beoordeelt de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last niet kon worden opgelegd omdat er geen onderhoudsplicht gold. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 8 februari 2023 is aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd in verband met overtreding van de onderhoudsplicht voor de schouwsloot. Met het bestreden besluit van 7 september 2023 op het bezwaar van eiser is het waterschap bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, diens gemachtigde en de gemachtigden van het dagelijks bestuur. 2.3. De zaak is ter zitting geschorst. Door het dagelijks bestuur is een nader stuk overgelegd waarop door eiser is gereageerd. Daarna is het onderzoek met instemming van partijen gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toepasselijke regelgeving 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De onderhoudsplicht 4. Eiser stelt dat hij niet als onderhoudsplichtige kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser zich op het standpunt stelt dat geen sprake was van een overtreding. De rechtbank vult deze rechtsgrond aan en onderzoekt of het dagelijks bestuur bevoegd was tot het opleggen van de last onder bestuursdwang. 4.1. Deze grond slaagt. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. 4.1.1. Een overtreding is een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op een overtreding kan een bestuurlijke sanctie volgen (artikel 5:2, aanhef en onder a en b, van de Awb). Het legaliteitsbeginsel vereist een wettelijke grondslag voor handhavend optreden (artikel 5.4, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 61 van de Waterschapswet is het dagelijks bestuur van het waterschap bevoegd tot handhaving van voorschriften die het waterschapsbestuur uitvoert. 4.1.2. In artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet staat dat het algemeen bestuur van het waterschap een legger vaststelt, waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Deze ‘onderhoudslegger’ moet worden onderscheiden van de ‘technische legger’ op grond van artikel 5.1, eerste lid van de Waterwet, waarin de technische eisen staan waaraan waterstaatswerken moeten voldoen. De technische legger heeft geen betekenis voor de onderhoudsplicht. Anders dan eiser stelt is artikel 5.2 van de Keur - waarin wordt verwezen naar artikel 5.1 van de Waterwet – daarom voor de beoordeling van deze zaak niet relevant. 4.1.3. In het bestreden besluit staat dat de onderhoudsplicht voor schouwsloten op grond van artikel 2.4, derde lid, onder d, van de Keur waterschap Hunze en Aa's 2010 (Keur) ligt bij eigenaren van de daaraan grenzende gronden. De last is opgelegd omdat niet is voldaan aan artikel 2.8, aanhef en onder b, van de Keur. Daarin staat kort gezegd wat feitelijk moet worden gedaan om aan de onderhoudsplicht te voldoen. De sloot naast de woning van eiser is als schouwsloot aangewezen door het dagelijks bestuur bij het besluit van 12 september 2022 tot vaststelling van de schouwkaarten. 4.1.4. De rechtbank stelt vast dat de onderhoudsplicht in strijd met artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet niet is vastgelegd in een legger die is vastgesteld door het algemeen bestuur. Door het dagelijks bestuur is niet onderbouwd waarom de aanwijzing van onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichting ook kan worden vastgelegd in de Keur, in samenhang met de schouwkaart. Bovendien stelt het dagelijks bestuur zonder nadere toelichting dat de schouwkaart in mandaat door haar kon worden vastgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het besluit tot vaststelling van de schouwkaart weliswaar bekend is gemaakt in het waterschapsblad , maar dat de vastgestelde schouwkaart zelf niet meer kan worden overgelegd, zodat de rechtbank niet kan verifiëren of de betreffend sloot op de schouwkaart is aangegeven. 4.1.5. Het wettelijk voorschrift in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder d, van de Keur is gelet op het voorgaande onverbindend. Er was om die reden geen sprake van een overtreding van de onderhoudsplicht en daarom was het dagelijks bestuur niet bevoegd om handhavend op te treden. Overwegingen ten overvloede 5. Gelet op rechtsoverweging 4 behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Ten overvloede gaat de rechtbank in op enkele andere gronden. 5.1. Eiser voert aan dat de mate en de aard van verontreiniging in de waterweg in de last niet nader zijn omschreven. De rechtbank merkt daarover het volgende op. 5.1.1. De bewijslast voor de overtreding ligt bij het dagelijks bestuur. Vaste rechtspraak is dat het op de weg ligt van het bestuursorgaan om feiten en omstandigheden te verzamelen om vast te stellen of sprake is van een overtreding. Bij herstelsancties dient het bestuursorgaan de overtreding aannemelijk te maken. 5.1.2. Vaste rechtspraak is ook dat aan een handhavingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat sprake is van een overtreding. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. 5.1.3. Aan dit vereiste is niet voldaan. Bij de last is een toezichtrapport gevoegd gedateerd op 7 februari 2023. Daarin staat als constatering: “bodem niet schoon”. Er is geen nadere beschrijving van de geconstateerde feiten en er zijn geen foto’s in het dossier aanwezig. Ook blijkt niet uit het toezichtrapport wie de feiten en omstandigheden heeft vastgesteld en welke werkwijze werd gehanteerd. 5.2.
Volledig
Eiser stelt verder dat hij gelet op artikel 5.1, tweede lid, van de Awb niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat hij het niet in zijn macht had om de overtreding te beëindigen. 5.2.1. Deze beroepsgrond had niet kunnen leiden tot een gegrond beroep. Uit rechtspraak volgt dat bij een last onder bestuursdwang niet van belang is of de overtreder het in zijn macht had om in te grijpen. 5.3. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat het dagelijks bestuur in strijd met artikel 5:31b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft nagelaten om in het bestreden besluit de last in te trekken toen bleek dat aan de last was voldaan. Ook bevatte de last ten onrechte geen bepaling dat de last van rechtswege zou vervallen indien aan de last werd voldaan. Omdat geen sprake was van een overtreding laat de rechtbank bespreking van deze grond achterwege. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat er geen sprake is van een overtreding, waardoor het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 6.1. Omdat gelet op artikel 5.4, tweede lid, van de Awb niet met terugwerkende kracht een wettelijke voorschrift aan de overtreding ten grondslag kan worden gelegd, herroept de rechtbank het primaire besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. 6.2. Omdat het beroep gegrond is moet het dagelijks bestuur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het dagelijks bestuur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit van 8 februari 2023; - bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:42 De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op de in de artikelen 5 onderscheidenlijk 6 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze. Artikel 5:1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. […] Artikel 5.2 1. In deze wet wordt verstaan onder: bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak; herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding; […] Artikel 5.4 De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Artikel 5:21 Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Waterschapswet Artikel 61 Het waterschapsbestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het dagelijks bestuur, indien oplegging van een last onder bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het waterschapsbestuur uitvoert. Artikel 78 Het algemeen bestuur maakt de verordeningen die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. Tevens stelt het algemeen bestuur vast de legger waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Waterwet Artikel 5.1 De beheerder draagt zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven. De legger gaat vergezeld van een technisch beheersregister met betrekking tot primaire waterkeringen dan wel waterkeringen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 2.4, waarin de voor het behoud van het waterkerend vermogen kenmerkende gegevens van de constructie en de feitelijke toestand nader zijn omschreven. […] Keur waterschap Hunze en Aa's 2010 Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze Keur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] r. schouwsloot : oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken, dat op de schouwkaart staat aangegeven; […] u. waterstaatswerk : oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering, ondersteunend kunstwerk en bijbehorende onderhoudsstroken, dat als zodanig in de legger is aangegeven, tenzij het werk is vrijgesteld van opname in de legger of op de schouwkaart is aangegeven; Artikel 2.4 Onderhoudsplicht Onderhoudsplichtig van waterstaatswerken zijn diegenen, die in de legger tot het plegen van gewoon en buitengewoon onderhoud zijn aangewezen. Indien geen onderhoudsplichtige in de legger is aangewezen gelden de van toepassing zijnde onderhoudsvoorschriften, die zijn opgenomen in ontheffingen of vergunningen dan wel in andere vastgestelde onderhoudsregelingen. Bij gebreke aan aanwijzing in de legger en aan onderhoudsvoorschriften en –regelingen berust […] het onderhoud van schouwsloten en overige oppervlaktewaterlichamen met de ondersteunende kunstwerken, telkens voor de halve breedte, bij de eigenaren van de daaraan grenzende gronden. Artikel 2.8 Gewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot: het daaruit en uit de ondersteunende kunstwerken verwijderen van begroeiingen en afval, het in stand houden van die oppervlaktewaterlichamen en ondersteunende kunstwerken, het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies die aan de oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend en het bestrijden van schadelijk wild; het vóór de door het dagelijks bestuur vooraf aangekondigde schouwdatum maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan dienende tot verdediging van de taluds alsmede het tot op de bodem verwijderen van specie en verondiepingen, taludinzakkingen en andere obstakels, die de wateraf- en aanvoer belemmeren alsmede het schonen van duikers.
Volledig
Eiser stelt verder dat hij gelet op artikel 5.1, tweede lid, van de Awb niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat hij het niet in zijn macht had om de overtreding te beëindigen. 5.2.1. Deze beroepsgrond had niet kunnen leiden tot een gegrond beroep. Uit rechtspraak volgt dat bij een last onder bestuursdwang niet van belang is of de overtreder het in zijn macht had om in te grijpen. 5.3. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat het dagelijks bestuur in strijd met artikel 5:31b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft nagelaten om in het bestreden besluit de last in te trekken toen bleek dat aan de last was voldaan. Ook bevatte de last ten onrechte geen bepaling dat de last van rechtswege zou vervallen indien aan de last werd voldaan. Omdat geen sprake was van een overtreding laat de rechtbank bespreking van deze grond achterwege. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat er geen sprake is van een overtreding, waardoor het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 6.1. Omdat gelet op artikel 5.4, tweede lid, van de Awb niet met terugwerkende kracht een wettelijke voorschrift aan de overtreding ten grondslag kan worden gelegd, herroept de rechtbank het primaire besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. 6.2. Omdat het beroep gegrond is moet het dagelijks bestuur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het dagelijks bestuur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit van 8 februari 2023; - bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:42 De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op de in de artikelen 5 onderscheidenlijk 6 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze. Artikel 5:1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. […] Artikel 5.2 1. In deze wet wordt verstaan onder: bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak; herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding; […] Artikel 5.4 De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Artikel 5:21 Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Waterschapswet Artikel 61 Het waterschapsbestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het dagelijks bestuur, indien oplegging van een last onder bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het waterschapsbestuur uitvoert. Artikel 78 Het algemeen bestuur maakt de verordeningen die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. Tevens stelt het algemeen bestuur vast de legger waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Waterwet Artikel 5.1 De beheerder draagt zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven. De legger gaat vergezeld van een technisch beheersregister met betrekking tot primaire waterkeringen dan wel waterkeringen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 2.4, waarin de voor het behoud van het waterkerend vermogen kenmerkende gegevens van de constructie en de feitelijke toestand nader zijn omschreven. […] Keur waterschap Hunze en Aa's 2010 Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze Keur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] r. schouwsloot : oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken, dat op de schouwkaart staat aangegeven; […] u. waterstaatswerk : oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering, ondersteunend kunstwerk en bijbehorende onderhoudsstroken, dat als zodanig in de legger is aangegeven, tenzij het werk is vrijgesteld van opname in de legger of op de schouwkaart is aangegeven; Artikel 2.4 Onderhoudsplicht Onderhoudsplichtig van waterstaatswerken zijn diegenen, die in de legger tot het plegen van gewoon en buitengewoon onderhoud zijn aangewezen. Indien geen onderhoudsplichtige in de legger is aangewezen gelden de van toepassing zijnde onderhoudsvoorschriften, die zijn opgenomen in ontheffingen of vergunningen dan wel in andere vastgestelde onderhoudsregelingen. Bij gebreke aan aanwijzing in de legger en aan onderhoudsvoorschriften en –regelingen berust […] het onderhoud van schouwsloten en overige oppervlaktewaterlichamen met de ondersteunende kunstwerken, telkens voor de halve breedte, bij de eigenaren van de daaraan grenzende gronden. Artikel 2.8 Gewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot: het daaruit en uit de ondersteunende kunstwerken verwijderen van begroeiingen en afval, het in stand houden van die oppervlaktewaterlichamen en ondersteunende kunstwerken, het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies die aan de oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend en het bestrijden van schadelijk wild; het vóór de door het dagelijks bestuur vooraf aangekondigde schouwdatum maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan dienende tot verdediging van de taluds alsmede het tot op de bodem verwijderen van specie en verondiepingen, taludinzakkingen en andere obstakels, die de wateraf- en aanvoer belemmeren alsmede het schonen van duikers.