Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-03-07
ECLI:NL:RBNNE:2025:1848
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,420 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/224
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. L. Sijbrandij-Leyten en R. Hoogeveen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een vergoeding van immateriële schade.
1.1.
Het Instituut heeft deze aanvraag bij besluit van 14 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 december 2023 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van het Instituut deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de beoordeling van het recht op immateriële schadevergoeding van eiser door het Instituut juist is geweest. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De vergoeding van immateriële schade ten gevolge van gaswinning kent zijn oorsprong in een civiele procedure.
4.1.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van een hierover gestelde prejudiciële vraag op 19 juli 2019 onder meer het volgende overwogen:
“Als de benadeelde vergoeding van nadeel vordert dat niet in vermogensschade bestaat en hij geen geestelijk letsel heeft opgelopen, kan hij recht hebben op vergoeding van schade als de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en van de gevolgen daarvan voor hem meebrengen dat sprake is van de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze. In beginsel zal de benadeelde deze aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. (…) De omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die bestaat in een aantasting in de persoon op andere wijze, laat zich niet ‘min of meer forfaitair’ vaststellen nu dat niet verenigbaar is met het hoogst persoonlijke karakter van de vordering tot vergoeding van deze schade. Dat laat onverlet dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (…). Het voorgaande staat uiteraard niet eraan in de weg dat de Staat en NAM/EBN het initiatief nemen om met betrokken partijen (waaronder belangenorganisaties die benadeelden vertegenwoordigen) een regeling overeen te komen die op dit punt voorziet in een forfaitaire vergoeding.”
4.2.
Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen (TwG) in werking getreden. Het Instituut is op grond van artikel 2, derde lid, van de TwG bevoegd schade af te handelen die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld. In de memorie van toelichting is hierover onder meer het volgende vermeld:
“De NAM is de houder van vergunningen voor de aanleg en exploitatie van mijnbouwwerken ten behoeven van gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag Norg. Dit betekent dat de burger of het bedrijf zijn schade op NAM kan verhalen en een vordering daartoe via de burgerlijke rechter kan instellen. (…) De situatie rondom de gaswinning Groningen wordt gekenmerkt door de aard en omvang van de problematiek als gevolg van bodembeweging door de gaswinning Groningen, de maatschappelijke ontwrichting die dit tot gevolg heeft en het bij bewoners, bedrijven en maatschappelijke partijen levende wantrouwen in schadeafhandeling door de exploitant. Deze bijzondere situatie rechtvaardigt de uitzonderlijke en vergaande stap om de schadeafhandeling te beleggen bij de overheid en schade met behulp van het bestuursrecht af te handelen. (…) Dit betekent dat de Staat, op basis van de regels van het Burgerlijk Wetboek over aansprakelijkheid en schadevergoeding, het recht van de gedupeerde op vergoeding van zijn schade door de aansprakelijke partij (de vordering van de gedupeerde op de aansprakelijke partij) vaststelt.”
4.3.
Het Instituut heeft een regeling gemaakt, welke is vastgelegd in hoofdstuk 4 van de Procedure en werkwijze van het Instituut (artikelen 4.1. tot en met 4.8). De door het Instituut opengestelde regeling houdt in dat het Instituut een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in beginsel behandelt aan de hand van een gestandaardiseerde methode.
Een aanvraag voor immateriële schade wordt door het Instituut getoetst aan vier bouwstenen, namelijk (1) de locatie, (2) de veiligheidssituatie, (3) de omvang van de fysieke schade en (4) de duur van de schadeafhandeling. Deze bouwstenen worden vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan punten zijn verbonden van nul tot en met vier (bij locatie is het maximaal aantal punten twee). Hoe meer punten aan een aanvrager worden toegekend, hoe hoger de uitkering per persoon wordt. Er kan € 0,- € 1.500,- € 3.000,- of € 5.000,- per persoon worden toegekend. Naast deze bouwstenen kan een aanvrager ervoor kiezen een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) in te vullen. In sommige gevallen kan de uitkomst van deze PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding naar boven corrigeren, met dien verstande dat het maximumbedrag € 5.000,- blijft.
4.4.
Het Instituut beoordeelt in afwijking van de gestandaardiseerde methode een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden. In dat geval stelt het Instituut de aanvrager schriftelijk of mondeling in de gelegenheid, om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die onderbouwen dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
5.1.
Eiser heeft vanaf 16 augustus 2012 in twee huizen gewoond die zijn gelegen op het Groningenveld. Voor beide adressen is een vergoeding toegekend van mijnbouwschade (respectievelijk € 5.000,- en € 6.095,51).
5.2.
Eiser heeft op 4 november 2022 bij het Instituut ook een aanvraag gedaan voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten.
5.3.
Bij de beoordeling van de aanvraag van eiser heeft het Instituut de gestandaardiseerde methode gehanteerd. Daarbij heeft het Instituut voor bouwsteen 1, locatie, één punt toegekend. Voor bouwstenen 2 en 4 zijn geen punten toegekend. Voor bouwsteen 3 zijn twee punten toegekend. Een puntentotaal van 3 is in beginsel onvoldoende om een persoonsaantasting aan te nemen. Eiser heeft echter bij de aanvraag een vragenlijst ingevuld, de PIA. Omdat hieruit een profiel 4 (bijzonder ernstig ervaren leed) kwam, is door het Instituut een correctie op de beoordeling toegepast. Hierdoor is alsnog een persoonsaantasting aangenomen. Het Instituut heeft eiser met het besluit van 14 december 2022 een vergoeding toegekend van € 1.500,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5.4.
Op 22 november 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Eiser heeft tijdens de hoorzitting naar voren gebracht dat hij bij de NAM heeft gewerkt, dat het werk in de sector opdroogt en dat hij is ontslagen. Eiser stelt dat zijn situatie anders is dan de doorsnee Groninger. Hij is niet bang dat zijn huis in elkaar stort, maar zegt de vergoeding voor immateriële schade goed te kunnen gebruiken. Hij begrijpt niet waarom de NAM de schuld krijgt.
5.5.
Met het bestreden besluit van 7 december 2023 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen:
“Het verlies van uw werk en het leed dat u daardoor heeft ervaren, heeft te maken met een arbeidsrechtelijke consequentie door het afbouwen van activiteiten door de NAM. Dit houdt geen rechtstreeks verband met de gevolgen van aardbeving door gaswinning, maar vindt zijn oorsprong in het feit dat u werkzaam was bij de NAM en de keuzes die het bedrijf als werkgever heeft gemaakt. Omdat deze gevolgen geen onderdeel uitmaken van de regeling IMS, kunnen wij deze niet betrekken bij de beoordeling.”
6. Eiser noemt immateriële schade, schade die is veroorzaakt door verdriet en vindt de beslissing niet juist.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.13.5 en 2.13.6.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 35 250, nr. 3, blz. 5-8.
Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Procedure en werkwijze van het IMG 2022 (Werkwijze).
Zie ook: de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1585.
Artikel 4.1a, tweede lid, van de Werkwijze.
ECLI:NL:RBNNE:2023:1585
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/224
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. L. Sijbrandij-Leyten en R. Hoogeveen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een vergoeding van immateriële schade.
1.1.
Het Instituut heeft deze aanvraag bij besluit van 14 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 december 2023 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van het Instituut deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de beoordeling van het recht op immateriële schadevergoeding van eiser door het Instituut juist is geweest. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De vergoeding van immateriële schade ten gevolge van gaswinning kent zijn oorsprong in een civiele procedure.
4.1.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van een hierover gestelde prejudiciële vraag op 19 juli 2019 onder meer het volgende overwogen:
“Als de benadeelde vergoeding van nadeel vordert dat niet in vermogensschade bestaat en hij geen geestelijk letsel heeft opgelopen, kan hij recht hebben op vergoeding van schade als de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en van de gevolgen daarvan voor hem meebrengen dat sprake is van de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze. In beginsel zal de benadeelde deze aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. (…) De omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die bestaat in een aantasting in de persoon op andere wijze, laat zich niet ‘min of meer forfaitair’ vaststellen nu dat niet verenigbaar is met het hoogst persoonlijke karakter van de vordering tot vergoeding van deze schade. Dat laat onverlet dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (…). Het voorgaande staat uiteraard niet eraan in de weg dat de Staat en NAM/EBN het initiatief nemen om met betrokken partijen (waaronder belangenorganisaties die benadeelden vertegenwoordigen) een regeling overeen te komen die op dit punt voorziet in een forfaitaire vergoeding.”
4.2.
Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen (TwG) in werking getreden. Het Instituut is op grond van artikel 2, derde lid, van de TwG bevoegd schade af te handelen die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld. In de memorie van toelichting is hierover onder meer het volgende vermeld:
“De NAM is de houder van vergunningen voor de aanleg en exploitatie van mijnbouwwerken ten behoeven van gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag Norg. Dit betekent dat de burger of het bedrijf zijn schade op NAM kan verhalen en een vordering daartoe via de burgerlijke rechter kan instellen. (…) De situatie rondom de gaswinning Groningen wordt gekenmerkt door de aard en omvang van de problematiek als gevolg van bodembeweging door de gaswinning Groningen, de maatschappelijke ontwrichting die dit tot gevolg heeft en het bij bewoners, bedrijven en maatschappelijke partijen levende wantrouwen in schadeafhandeling door de exploitant. Deze bijzondere situatie rechtvaardigt de uitzonderlijke en vergaande stap om de schadeafhandeling te beleggen bij de overheid en schade met behulp van het bestuursrecht af te handelen. (…) Dit betekent dat de Staat, op basis van de regels van het Burgerlijk Wetboek over aansprakelijkheid en schadevergoeding, het recht van de gedupeerde op vergoeding van zijn schade door de aansprakelijke partij (de vordering van de gedupeerde op de aansprakelijke partij) vaststelt.”
4.3.
Het Instituut heeft een regeling gemaakt, welke is vastgelegd in hoofdstuk 4 van de Procedure en werkwijze van het Instituut (artikelen 4.1. tot en met 4.8). De door het Instituut opengestelde regeling houdt in dat het Instituut een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in beginsel behandelt aan de hand van een gestandaardiseerde methode.
Een aanvraag voor immateriële schade wordt door het Instituut getoetst aan vier bouwstenen, namelijk (1) de locatie, (2) de veiligheidssituatie, (3) de omvang van de fysieke schade en (4) de duur van de schadeafhandeling. Deze bouwstenen worden vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan punten zijn verbonden van nul tot en met vier (bij locatie is het maximaal aantal punten twee). Hoe meer punten aan een aanvrager worden toegekend, hoe hoger de uitkering per persoon wordt. Er kan € 0,- € 1.500,- € 3.000,- of € 5.000,- per persoon worden toegekend. Naast deze bouwstenen kan een aanvrager ervoor kiezen een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) in te vullen. In sommige gevallen kan de uitkomst van deze PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding naar boven corrigeren, met dien verstande dat het maximumbedrag € 5.000,- blijft.
4.4.
Het Instituut beoordeelt in afwijking van de gestandaardiseerde methode een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden. In dat geval stelt het Instituut de aanvrager schriftelijk of mondeling in de gelegenheid, om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die onderbouwen dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
5.1.
Eiser heeft vanaf 16 augustus 2012 in twee huizen gewoond die zijn gelegen op het Groningenveld. Voor beide adressen is een vergoeding toegekend van mijnbouwschade (respectievelijk € 5.000,- en € 6.095,51).
5.2.
Eiser heeft op 4 november 2022 bij het Instituut ook een aanvraag gedaan voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten.
5.3.
Bij de beoordeling van de aanvraag van eiser heeft het Instituut de gestandaardiseerde methode gehanteerd. Daarbij heeft het Instituut voor bouwsteen 1, locatie, één punt toegekend. Voor bouwstenen 2 en 4 zijn geen punten toegekend. Voor bouwsteen 3 zijn twee punten toegekend. Een puntentotaal van 3 is in beginsel onvoldoende om een persoonsaantasting aan te nemen. Eiser heeft echter bij de aanvraag een vragenlijst ingevuld, de PIA. Omdat hieruit een profiel 4 (bijzonder ernstig ervaren leed) kwam, is door het Instituut een correctie op de beoordeling toegepast. Hierdoor is alsnog een persoonsaantasting aangenomen. Het Instituut heeft eiser met het besluit van 14 december 2022 een vergoeding toegekend van € 1.500,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5.4.
Op 22 november 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Eiser heeft tijdens de hoorzitting naar voren gebracht dat hij bij de NAM heeft gewerkt, dat het werk in de sector opdroogt en dat hij is ontslagen. Eiser stelt dat zijn situatie anders is dan de doorsnee Groninger. Hij is niet bang dat zijn huis in elkaar stort, maar zegt de vergoeding voor immateriële schade goed te kunnen gebruiken. Hij begrijpt niet waarom de NAM de schuld krijgt.
5.5.
Met het bestreden besluit van 7 december 2023 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen:
“Het verlies van uw werk en het leed dat u daardoor heeft ervaren, heeft te maken met een arbeidsrechtelijke consequentie door het afbouwen van activiteiten door de NAM. Dit houdt geen rechtstreeks verband met de gevolgen van aardbeving door gaswinning, maar vindt zijn oorsprong in het feit dat u werkzaam was bij de NAM en de keuzes die het bedrijf als werkgever heeft gemaakt. Omdat deze gevolgen geen onderdeel uitmaken van de regeling IMS, kunnen wij deze niet betrekken bij de beoordeling.”
6. Eiser noemt immateriële schade, schade die is veroorzaakt door verdriet en vindt de beslissing niet juist.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.13.5 en 2.13.6.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 35 250, nr. 3, blz. 5-8.
Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Procedure en werkwijze van het IMG 2022 (Werkwijze).
Zie ook: de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1585.
Artikel 4.1a, tweede lid, van de Werkwijze.
ECLI:NL:RBNNE:2023:1585