Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-22
ECLI:NL:RBNNE:2025:1833
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,823 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/4371
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. H. de Groot),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het IMG
(gemachtigden: mrs. B.C. Rots en A.G. Sol).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het in stand laten van het in het primaire besluit toegekende bedrag, voor vergoeding voor schade aan de woning van eiseres, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.
1.2.
Het IMG heeft met het besluit van 3 mei 2022 een bedrag van in totaal € 14.138,56 toegekend aan eiseres. Met het bestreden besluit van 19 september 2023 op het bezwaar van eiseres is het IMG bij deze toekenning gebleven.
1.3.
Het pro forma beroepschrift dateert van 30 oktober 2023. Hierna heeft eiseres op 15 december 2023 de gronden van beroep ingediend.
1.4.
Op 8 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep op een regiezitting behandeld.
1.5.
Het IMG heeft op 10 juli 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een deskundigenbericht van deskundige P. Kroes van CED (Kroes). Eiseres heeft op 16 augustus 2024 op het verweerschrift gereageerd. Op 22 augustus 2024 heeft verweerder hier weer op gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiseres, haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres en de deskundige van eiseres, P.J. Vrieling (Vrieling) van Vergnes Expertise bv (Vergnes), waren bij de zitting aanwezig. Namens het IMG hebben zijn gemachtigden en deskundige J.J. Timmer van CED (Timmer) aan de zitting deelgenomen.
Totstandkoming van het besluit
2.1
Eiseres is sinds 6 mei 2020 eigenaresse van de in 1984 gebouwde woning aan de [adres] te [woonplaats].
2.2.
Eiseres heeft op 8 mei 2020 een melding gedaan van schade bij het IMG. Omdat eiseres de woning wilde verbouwen en het IMG de schade niet op korte termijn kon opnemen, heeft eiseres Vergnes gevraagd om de schade alvast op te nemen. Op 4 juni 2020 is de schade opgenomen door Vergnes, waarna Vrieling op 23 juni 2020 een rapport heeft opgeleverd.
2.3.
Op 16 september 2020 heeft CED een schadeopname uitgevoerd. Een deel van de schades was op dat moment niet meer zichtbaar door de verbouwing, deskundige Van der Sluis van CED (Van der Sluis) heeft daarom een aantal schades beoordeeld aan de hand van het beeldmateriaal van Vergnes. In het adviesrapport van 13 december 2020 (V1), met daarin 52 schades, heeft Van der Sluis geadviseerd tot een schadevergoeding van € 12.533,38.
2.4.
Op 3 februari 2021 heeft eiseres een zienswijze ingediend op het adviesrapport. De zienswijze bevat een contra-expertise, opgesteld door Vrieling. Vrieling heeft geadviseerd om eiseres een bedrag van € 29.757,70 toe te kennen.
2.5.
Naar aanleiding van de zienswijze is op 23 september 2022 een herzien adviesrapport (V2), met daarin 60 schades, uitgebracht door Van der Sluis. In dit rapport is een schadevergoeding van € 2.671,48 geadviseerd. Eiseres heeft hier op 1 november 2021 door middel van een aanvullende zienswijze op gereageerd. Vervolgens heeft Van der Sluis wederom een herzien adviesrapport (V3) uitgebracht. Hierin heeft Van der Sluis geadviseerd om eiseres een schadevergoeding van € 5.969,53 toe te kennen.
2.6.
Omdat het IMG het niet passend vond om eiseres een lagere schadevergoeding toe te kennen dan in de V1 is geadviseerd, is met het besluit van 3 mei 2022 het bedrag uit de V1, van in totaal € 14.138,56, aan eiseres toegekend. Dit bedrag is inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente. Voor de inhoudelijke beoordeling van de schades gaat het IMG echter uit van de V3.
2.7.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 mei 2022.
2.8.
Het IMG heeft de Bezwaaradviescommissie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (de bezwaaradviescommissie) om advies gevraagd. De bezwaaradviescommissie heeft op 13 december 2022 een hoorzitting gehouden. Aan deskundige S. Ledina van CED is gevraagd om een calculatie op te leveren voor het stucwerk ten aanzien van schades 2, 7, 16 t/m 33, 35 t/m 45 en 47 t/m 51. Het IMG en eiseres hebben op deze calculatie gereageerd.
2.9.
Op 19 september 2023 heeft het IMG het bezwaar, in overeenstemming met het advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het IMG terecht geen aanvullende schadevergoeding heeft toegekend aan eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
5. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het
Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Op grond van deze bepaling wordt bij fysieke schade aan gebouwen en werken, vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, als die schade naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk zou kunnen zijn.
6. Het IMG weerlegt het bewijsvermoeden als aan de hand van een adviesrapport wordt aangetoond dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2022).
Toepassing SBR Trillingsrichtlijn
7.1.
Eiseres stelt dat de beoordeling van de schades in de V3 onterecht is gebaseerd op de ‘SBR Trillingsrichtlijn A, schade aan gebouwen: 2017’ (SBR Trillingsrichtlijn), omdat het Panel van deskundigen onder voorzitterschap van prof. mr. A.I.M. van Mierlo (het Panel) bepaald zou hebben dat de SBR Trillingsrichtlijn bij de beoordeling van de schade geen rol speelt. Eiseres baseert zich hiertoe op een passage uit Bijlage 1 bij het Paneladvies. De wijziging van het beleid, in de vorm van het geactualiseerde beoordelingskader na 1 juli 2021, had volgens eiseres na het Paneladvies buiten beschouwing moeten blijven. Er zijn bij de wijziging van het beleid niet dezelfde experts geconsulteerd als bij de totstandkoming van het oorspronkelijke beleid. Daarom voldoet het beleid niet aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Hierom kan ook de op de SBR Trillingsrichtlijn gebaseerde beoordeling van de schade, niet gelden als grondslag voor het bestreden besluit.
7.2.
Het IMG stelt zich op het standpunt dat de deskundige met de verwijzing naar de SBR Trillingsrichtlijn een aanvullende onderbouwing heeft gegeven voor de weerlegging van het bewijsvermoeden. Het IMG verwijst naar twee uitspraken van de Afdeling, waarbij is geoordeeld dat het IMG met het bewijsbeleid zoals dat geldt per 1 juli 2021, waarvan de SBR Trillingsrichtlijn onderdeel uitmaakt, een aanvaardbare bestuursrechtelijke invulling heeft gegeven aan het wettelijk bewijsvermoeden. Het IMG ziet niet in waarom in de situatie van eiseres hier anders over geoordeeld zou moeten worden. Het IMG wijst op de maximaal opgetreden trillingssnelheid, namelijk 5,60 mm/s met een overschrijdingskans van 1%, die ruimschoots onder de geldende grenswaarde van 8,5 mm/s met een overschrijdingskans van 1% is gebleven. Mede gelet hierop, is het IMG van mening dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Desondanks zijn de betwiste schades grotendeels vergoed.
7.3.
De rechtbank overweegt dat het IMG bij de beoordeling van schade in alle gevallen een andere uitsluitende oorzaak voor het ontstaan van de schade dient aan te tonen. Dit geldt ook in het geval dat de trillingssnelheid geringer is dan de geformuleerde grenzen.
7.4.
Dit betekent dat de door het IMG ingeschakelde deskundigen eerst toetsen of zij met een voldoende mate van zekerheid kunnen uitsluiten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan en dienen aan te geven waardoor de schade dan wel is ontstaan. De rechtbank is, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, van oordeel dat er geen grond ligt voor het oordeel dat het IMG het geactualiseerde beoordelingskader niet mag hanteren voor de toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden. Er dient immers altijd bezien te worden of er evident en uitsluitend andere oorzaak van de schade is dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.
Bewijsvermoeden weerlegd?
8.1.
De vraag die voorligt is of er een andere uitsluitende oorzaak is aangewezen voor het ontstaan van deze schades. Omdat het IMG het overgrote deel van de schades alsnog vergoedt, speelt voor deze schades niet meer de vraag of sprake is van een andere uitsluitende oorzaak. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting heeft genoemd dat het voor wat betreft deze beroepsgrond gaat om schades 54 t/m 60. Deze schades zijn voor het eerst beoordeeld in de V2 en daarom niet meegenomen in de schadevergoeding uit de V1. Van der Sluis is in de V2 tot de conclusie gekomen dat de schades veroorzaakt zijn door thermische werking. In de V3 is Van der Sluis bij dit oordeel gebleven. Ter zitting heeft het IMG zich bereid verklaard schades 54 t/m 60 alsnog te vergoeden, dit gelet op de algehele gang van zaken. Het IMG stelt daarbij voor om schades 54 t/m 60 te vergoeden conform de calculaties uit de V3. Bij schade 58 moet aanvullend nog spackwerk worden vergoed op basis van de calculatie van Vrieling. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 3.169,04 inclusief BTW.
8.2.
Eiseres heeft tijdens de zitting laten weten zich te kunnen vinden in de voorgestelde calculaties, behalve voor wat betreft het ontbreken van de post ‘overzetten stucwerk’. Nu het IMG heeft verklaard schades 54 t/m 60 alsnog te willen vergoeden, betekent dit dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit op dit onderdeel gedeeltelijk moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Herstelmethode schades 16 t/m 33, 35 t/m 44 en 47 t/m 49
9.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat in de calculaties uit de V1 ten onrechte geen post voor het overzetten van stucwerk is opgenomen voor schades 16 t/m 33, 35 t/m 44 en 47 t/m 49. Tijdens de zitting is gebleken dat dit standpunt van eiseres ook ziet op de calculaties voor schades 54 t/m 60. Eiseres wijst erop dat de meeste muren ten tijde van de aankoop van de woning waren afgewerkt met stucwerk en behang, dit zou ook blijken uit het beschikbare fotomateriaal. Daarbij merkt eiseres op dat Van der Sluis in de V1 en V3 zelf heeft opgemerkt dat sprake is van stucwerk. Na aankoop van de woning heeft eiseres het behang verwijderd. In het stucwerk trof zij vervolgens scheuren aan. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Afdeling, waarin is bepaald dat de schade dient te worden begroot op de kosten die moeten worden gemaakt om de woning terug te brengen in de toestand waarin deze zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. De wandafwerking is volgens eiseres verwijderd omdat deze in slechte staat verkeerde, juist als gevolg van de schade die is ontstaan door mijnbouwactiviteiten. De schades zouden hersteld moeten worden conform de herstelmethodiek die toepasselijk is bij stucwerk. Daarnaast heeft Vrieling tijdens de zitting opgemerkt dat er in een wand in de woonkamer negen scheuren zitten. Wanneer de scheuren allemaal plaatselijk hersteld worden, bestaat de wand niet meer uit één geheel en is deze verzwakt. Om van de wand weer één geheel te maken, is het nodig om de wand volledig te stucen. Eiseres verzoekt de rechtbank dan ook te bepalen dat de vergoeding voor deze schades wordt vastgesteld conform de calculatie van Vergnes van 27 januari 2023.
9.2.
Het IMG is van mening dat de staat van de wanden evident het gevolg is van het strippen van de woning en stelt zich op het standpunt dat het stucwerk niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Conclusie
11.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de beslissing op het bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering, omdat het IMG ten aanzien van schades 7 en 54 t/m 60 terugkomt op zijn eerdere beslissing. Ook ten aanzien van schades 32 t/m 42 is de motivering ondeugdelijk gebleken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op schades 7, 32 t/m 42 en 54 t/m 60.
11.2.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf voorzien op dit onderdeel door voor schades 54 t/m 60 een vergoeding toe te kennen conform het voorstel van het IMG van € 3.169,04 inclusief btw en door de aan eiseres toe te kennen schadevergoeding voor de schade 7 te vermeerderen met de aanvullende schadebegroting ten bedrage van € 239,34 inclusief btw. De kosten voor schades 32 t/m 42 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:97 BW geschat en kent eiseres voor deze schades daarom een vergoeding toe van € 1.000,- incl. btw. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
11.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het IMG moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
11.3.1
De vergoeding voor de rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
11.3.2
Daarnaast heeft eiseres de kosten van het inroepen van deskundigenbureau Vergnes als proceskosten opgegeven. Deze kosten, zoals ingevuld op het formulier proceskosten, komen in dit geval voor vergoeding in aanmerking. Voor deskundigenkosten in bezwaar wordt overeenkomstig de facturen een vergoeding van € 977,08 inclusief btw toegekend. Voor deskundigenkosten in beroep wordt overeenkomstig de factuur een vergoeding van € 1.657,79 inclusief btw toegekend. Dit komt neer op een bedrag van € 2.634,78 inclusief btw.
11.3.3.
De totale vergoeding van de proceskosten dient te worden gesteld op een bedrag van € 4.448,78 (€ 1.814,- + € 2.634,78).
11.3.4.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat het IMG het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt tot een bedrag van € 184,-.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 19 september 2023 voor zover daarin is beslist over schades 7, 32 t/m 42 en 54 t/m 60;- herroept het besluit van 3 mei 2022 voor zover daarin is beslist over schade 7, 32 t/m 42 en 54 t/m 60;- bepaalt dat de aan eiseres toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met een bedrag van € 4.408,38, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 mei 2020 tot en met de dag van betaling;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit; - veroordeelt het IMG tot betaling van € 1.814,- aan kosten van rechtsbijstand en van € 2.634,78 inclusief btw aan deskundigenkosten aan eiser;
- bepaalt dat het IMG het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 39.
ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 70 en ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 88 en 92.
ECLI:NL:RVS:2023:2063, r.o. 88.
ECLI:NL:RVS:2023:1728.
Beoordeling
Het IMG begroot de ontstane schade in beginsel aan de hand van de kosten die eiseres zou moeten maken om uit te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond alvorens het werd beschadigd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Eiseres heeft na aankoop van de woning het oude behang verwijderd omdat zij de woning wilde renoveren. Timmer heeft tijdens de zitting toegelicht dat er een dun filmlaagje stucwerk op de wanden zit om de wand behangklaar te maken. Dit is ook wat je op de foto’s ziet nadat het behang er af is getrokken. Het aanwezige stucwerk is bedoeld om het behang te kunnen laten hechten. Dit betreft echter geen glad, afgewerkt stucwerk. Daarnaast ontstaan oneffenheden juist als gevolg van het verwijderen van het behang. Volgens het IMG bestond de oude toestand dan ook uit een woning met wanden die behangklaar zijn. Het IMG verwijst naar een opmerking van deskundige Kroes, waarbij hij stelt dat het geheel overzetten van het stucwerk in dit geval een verbetering zal zijn, omdat deze werkzaamheden nimmer gecalculeerd worden in geval van behangwerk. Tijdens de zitting heeft Timmer dit bevestigd. Het vergoeden van stucwerk gaat volgens het IMG dan ook verder dan herstel in oude toestand.
9.3.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de begroting van (vermogens)schade is dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij (met een redelijke mate van waarschijnlijkheid) zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. Het IMG begroot de ontstane schade aan de hand van de kosten die eiser zou moeten maken om de schade te herstellen om uit te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het pand zich bevond voordat deze werd beschadigd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een calculatiemodel.
9.4.
De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar betoog dat het behang als gevolg van mijnbouwschade in slechte staat verkeerde, waardoor zij aanleiding heeft gezien om het te verwijderen. Zij was hoe dan ook al van plan om het behang te verwijderen, omdat tijdens de zitting is gebleken dat de wanden inmiddels zijn afgewerkt met stucwerk, vliesbehang en sauswerk. Na het verwijderen van het behang heeft eiseres de schades ontdekt en gemeld. De rechtbank is het met het IMG eens dat de oude toestand bestond uit wanden die behangklaar waren, er was geen sprake van afgewerkte wanden. De rechtbank onderkent dat schadeherstel in de oude toestand niet betekent dat altijd een esthetisch goede oplossing wordt geboden.
9.5.
De rechtbank ziet, alles overziende, geen aanleiding om te twijfelen aan de herstelmethode die is geadviseerd door de deskundigen die door het IMG zijn ingeschakeld. De door Vergnes voorgestelde herstelmethode - vervanging van het gehele stucwerk - gaat naar het oordeel van de rechtbank verder dan herstel in oude toestand. Daarbij betrekt de rechtbank dat, zoals het IMG naar voren heeft gebracht en ook uit de foto’s volgt, het stucwerk enkel een dunne, niet afgewerkte laag betrof. Er was op dat moment geen sprake van een effen beeld. Alleen wat betreft de scheuren in de linkerwand van de woonkamer (ook wel aangeduid als wand 3), is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een bijzondere situatie die een afwijking van voornoemd uitgangspunt kan rechtvaardigen. Het betreft een wand met 11 scheuren (een aantal daarvan is de kwalificeren als “fors“). Dit betreft de schades 32 t/m 42. Partijen verschillen van mening over de vraag of als gevolg daarvan sprake is van een algehele verzwakking die maakt dat niet volstaan kan worden met de reparatie van alleen de scheuren. Het standpunt van eiseres dat sprake is van een verzwakking, komt de rechtbank niet als zonder meer onjuist voor. Aan de andere kant stelt met name Timmer tijdens de zitting dat het aanbrengen van een stuclaag en/of vliesbehang, geen verstevigende werking zou hebben. De rechtbank kan niet beoordelen welke partij hier het gelijk aan haar zijde heeft. Daarvoor zou een deskundige benoemd kunnen worden. Gezien de hoogte van de kosten om de onderhavige wand te voorzien van een aanvullende laag, te weten € 1.280,99, (de calculatie van het IMG: eiseres calculatie valt iets hoger uit) is de rechtbank van oordeel dat in dit geval volstaan kan worden met een begroting van de schade (conform artikel 6:97 BW). De rechtbank zal daarom de kosten schatten op € 1.000 inclusief btw. Deze beroepsgrond slaagt aldus.
Calculatie schade 7
10. In de bezwaarfase heeft Vrieling in een contra-expertise van 30 juni 2023 opgemerkt dat er te weinig voegwerk is gecalculeerd voor schade 7. Het IMG heeft in het bestreden besluit geconcludeerd geen aanleiding te zien voor twijfel aan de juistheid van de calculatie voor onder andere schade 7. In de beroepsfase heeft het IMG onder meer de contra-expertise van Vrieling van 30 juni 2023 aan Kroes voorgelegd. Uit het advies van Kroes volgt dat de calculatie van schade 7 niet correct is, in navolging van hetgeen door Vrieling is gesteld. Het IMG acht het redelijk dat de extra vergoeding van € 239,34 wordt toegekend. Eiseres heeft het voorgaande niet weersproken. Nu het IMG terugkomt van hetgeen op dit punt in het bestreden besluit is opgenomen, is het beroep ook op dit punt gegrond vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.