Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-03-27
ECLI:NL:RBNNE:2025:1826
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,353 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 255911940
zaaknummer: 11269208 BU VERZ 24-1970
uitspraak van de kantonrechter van 27 maart 2025
inzake
[betrokkene]
die woont in [woonplaats],
hierna te noemen: betrokkene.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 20 februari 2023 in de Spoorstraat in Harlingen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 359,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze
heeft de ontvangst van dat beroepschrift bevestigd bij brief van 2 juni 2023. De officier heeft het beroep op 9 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene op 21 december 2023 beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2
De kantonrechter heeft het beroep op 17 maart 2025 op de zitting behandeld. Daarbij
waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier mr. R. van der Velde. Op de zitting heeft betrokkene kopieën overgelegd zijn brieven van 21 en 28 februari 2023 en 3 maart 2023 aan de officier en van een e-mail van 2 februari 2025 aan de kantonrechter, welke stukken niet in het dossier zaten.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 6:7 en 6:8 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden. In artikel 6:11 van de Awb is geregeld dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De officier heeft het administratief beroep op 9 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De termijn voor het indienen van het administratief beroep eindigde namelijk op 12 april 2023 en het beroepschrift van 2 mei 2023 is pas op 4 mei 2023 per post bij het Parket CVOM binnengekomen.
2.1
Betrokkene heeft aangevoerd dat uit de Wahv volgt dat de motoragent die hem op
20 februari 2023 aanhield, de ambtenaar was die de bevoegdheid had om een administratieve boete op te leggen. Op 21 februari 2023 heeft betrokkene al een brief naar de officier
gestuurd; deze heeft bij brief van 28 februari 2023 geantwoord. Betrokkene ging daarom ervan uit dat hij vóór de uiterste beroepstermijn van 12 april 2023 administratief beroep had ingesteld. In zijn e-mail van 2 februari 2025 schrijft hij verder dat de officier in zijn brieven van 2 juni 2023 en 24 augustus 2023 zijn brief (wélke van zijn brieven hij bedoelt noemt betrokkene niet) wel aanmerkt als een beroepschrift, om vervolgens in zijn beslissing van
9 november 2023 terug te keren naar zijn standpunt dat betrokkene niet binnen de termijn administratief beroep had ingesteld.
Heeft betrokkene tijdig administratief beroep ingesteld?
3. Op zich kon betrokkene, nadat hij op 20 februari 2023 door een motoragent was
staande gehouden en deze hem een bekeuring had aangezegd, op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb redelijkerwijs ervan uitgaan dat er al een beschikking was genomen. Zijn brief van 21 februari 2023 zou dus een prematuur administratief beroepschrift kunnen zijn. Echter, artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb bepaalt dat het beroepschrift ten minste een omschrijving bevat van het besluit waartegen het beroep is gericht en de gronden van het beroep. Betrokkenes brief van 21 februari 2023 voldoet niet aan deze criteria: er staat alleen een feitelijke omschrijving in van wat er tijdens de staandehouding zoal is gebeurd; de brief eindigt met een verzoek om een kopie van het proces-verbaal. De brief van 21 februari 2023 is dus geen prematuur administratief beroepschrift als bedoeld in artikel 6:10 van de Awb.
3.1
Daarbij verdient vermelding dat betrokkene de brief van 21 februari 2023 niet naar
het Parket CVOM, maar naar het arrondissementsparket Noord-Nederland van het Openbaar Ministerie in Groningen heeft gestuurd. Dat heeft de ontvangst van de brief (met een kennelijke verschrijving verwijzend naar “uw brief van 21 september 2023”) bij brief van
28 februari 2023 bevestigd. Verder staat in deze ontvangstbevestiging dat betrokkene binnenkort een beschikking van het CJIB zal ontvangen, waartegen hij beroep kan instellen. Nu de brief van 21 februari 2023 geen administratief beroepschrift was, hoefde het Openbaar Ministerie in Groningen die op grond van artikel 6:15 van de Awb niet als administratief beroepschrift door te sturen naar het Parket CVOM.
3.2
In zijn brief van 3 maart 2023 (nu wel gericht aan het Parket CVOM) heeft
betrokkene nogmaals om het proces-verbaal gevraagd. Meer dan dit verzoek staat er niet in. Ook deze brief voldoet niet aan de eisen die de Awb aan een administratief beroepschrift stelt. Betrokkene heeft al met al niet aannemelijk gemaakt dat hij al vóór 2 mei 2023 administratief beroep heeft ingesteld. Dat klopt ook met het feit dat de officier bij het verlengen van de beslistermijn in zijn brief van 24 augustus 2023 heeft gerekend vanaf de datum van binnenkomst van betrokkenes brief van 2 mei 2023.
Is het overschrijden van de termijn verschoonbaar?
4. In zijn beroep bij de kantonrechter heeft betrokkene geen argumenten aangevoerd die
een overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Anders dan hij in zijn mail van 2 februari 2025 lijkt te menen, laat de brief van 2 juni 2023 van het Parket CVOM zich niet uit over de tijdigheid van het administratief beroep; die brief is alleen de ontvangstbevestiging van dat beroep. Ook slaagt betrokkenes verweer dat de brief van de officier van 24 augustus 2023 de indruk wekt dat zijn brief van 2 mei 2023 in samenhang met zijn brief van 21 februari 2023 werd gezien, niet. Dit blijkt namelijk uit niets. Ten slotte is van belang dat de brief van 28 februari 2023 van het Openbaar Ministerie in Groningen betrokkene erop wees dat hij nog een appellabel besluit zou ontvangen. Dit besluit was de initiële beschikking van 1 maart 2023. De officier heeft het administratief beroep terecht wegens de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Aan de inhoud van het beroep komt de kantonrechter niet toe.
Overschrijding redelijke termijn van berechting
4.1
Wel stelt hij vast dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Deze termijn is twee jaar. Betrokkene is op 20 februari 2023 een boete aangezegd en de procedure bij de kantonrechter is pas geëindigd met deze uitspraak. De kantonrechter is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval niet leidt tot een matiging van het boetebedrag, nu hij niet toe heeft kunnen komen aan de beoordeling van de boete die aan betrokkene is of had moeten worden opgelegd. Dat betekent dat de kantonrechter zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Hij zal het beroep ongegrond verklaren.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van
R. de Hoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.
griffier, kantonrechter,
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Zie overweging 10 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:2017:5463.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 5 januari 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:95).