Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-05-09
ECLI:NL:RBNNE:2025:1783
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,890 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
locatie Leeuwarden
zaaknummer / rekestnummer: C/17/196600 / FA RK 24-1905
Beschikking d.d. 9 mei 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonend op een geheim adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.P. van Dalen, gevestigd te Leeuwarden,
tegen
[de man] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. D. Rezaie, gevestigd te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 10 september 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek.
1.2.
Op de zitting van 22 april 2025 is de zaak behandeld. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig.
1.3.
De vrouw heeft op de zitting gebruik gemaakt van de diensten van de heer S. Zabihi, tolk in de Darische taal.
Beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] in Pakistan. De vrouw heeft de Afghaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Bij beschikking van 30 oktober 2024 van deze rechtbank heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de man haar een bijdrage in haar levensonderhoud betaalt van € 667,- per maand, afgewezen.
Echtscheiding
2.3.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.5.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.6.
Voordat de rechtbank toekomt aan beoordeling van het echtscheidingsverzoek zal zij gelet op artikel 10:33 BW moeten beoordelen of het tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk in Nederland als rechtsgeldig kan worden erkend. Uit artikel 10:31 BW volgt dat het uitgangspunt hierbij is, dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend, wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (eerste lid van dit artikel).
2.7.
De man heeft een kopie van een boekje met een 'Marriage Certificate' overgelegd voorzien van stempels en foto's en vingerafdrukken van partijen. Uit de akte blijkt dat partijen naar islamitisch (gewoonte) recht zijn gehuwd. Zij waren beiden ouder dan 18 jaar. Hoewel partijen neef en nicht van elkaar zijn, is dat volgens het islamitische recht in Pakistan geen beletsel om met elkaar te huwen. De rechtbank gaat ervan uit dat het huwelijk rechtsgeldig tot stand is gekomen.
2.8.
Op grond van artikel 10:32 onder e BW wordt, ongeacht artikel 10:31 BW, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk heeft plaatsgevonden op initiatief van de man en haar vader in Pakistan en dat zij is gedwongen tot het huwelijk. De rechtbank overweegt dat de vrouw haar stelling niet heeft onderbouwd. Op basis van de stukken en wat daarover gezegd is op de zitting is de rechtbank niet gebleken dat de vrouw onder invloed van dwang het huwelijk met de man heeft gesloten.
2.9.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Partneralimentatie
2.10.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 2.500 per maand.
2.11.
De man heeft daartegen verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
2.12.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.
2.13.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
2.14.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie afwijzen. De rechtbank legt deze beslissing hierna uit.
2.15.
De man heeft aanvankelijk gesteld dat tussen partijen geen lotsverbondenheid is, omdat zij nooit hebben samengeleefd en hij de vrouw ook nooit financieel heeft onderhouden. Op de zitting heeft hij zijn standpunt over het ontbreken van lotsverbondenheid niet langer gehandhaafd. Niet meer in geschil is, en dat is ook het oordeel van de rechtbank, dat de grondslag van de onderhoudsplicht de lotsverbondenheid is die door het huwelijk tussen partijen is ontstaan, ook al hebben partijen nooit samengeleefd in Nederland of in een ander land en hebben zij elkaar nooit financieel onderhouden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de jurisprudentie, zoals de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:449).
2.16.
In de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof is verder overwogen dat de genoemde factoren, zoals dat partijen nooit hebben samengeleefd en elkaar nooit financieel hebben onderhouden, wel van invloed zijn op de omvang en duur van de onderhoudsplicht. Aan de rechter is een belangrijke discretionaire bevoegdheid toegekend om aan de hand van de maatstaven van 'draagkracht en behoefte' en de overige (ook niet-financiële) omstandigheden te beslissen of daadwerkelijk een uitkering moet worden toegekend, aldus het gerechtshof. De man heeft op de zitting onder andere bepleit dat de rechtbank gelet op de overige (ook niet-financiële) omstandigheden gebruik zou moeten maken van haar discretionaire bevoegdheid om geen onderhoudsbijdrage vast te stellen.
2.17.
De rechtbank neemt eerst de maatstaven van 'draagkracht en behoefte' in aanmerking. Zij is van oordeel dat de vrouw haar (aanvullende)behoefte en de draagkracht van de man onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd.
2.18.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar primaire stelling dat haar behoefte gebaseerd moet worden op de Hofnorm. Niet alleen heeft de vrouw verzuimd om te stellen hoe hoog haar behoefte op basis van de Hofnorm is, ondanks dat de man zijn inkomensgegevens in het geding heeft gebracht, maar los daarvan is niet in geschil dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. Van een gezamenlijk besteedbaar gezinsinkomen (waarvan de Hofnorm is afgeleid), is naar het oordeel van de rechtbank dan ook nooit sprake geweest. De vrouw heeft ook anderszins geen inzicht gegeven in haar feitelijke levensstandaard tijdens het huwelijk. Zij woonde tijdens het huwelijk in Pakistan bij haar ouders en werd ook onderhouden door haar ouders.
2.19.
Subsidiair heeft de vrouw zich op de zitting op het standpunt gesteld dat haar behoefte op bijstandsniveau kan worden gesteld. Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet. De vrouw heeft weliswaar aangegeven dat zij per 1 november 2024 een verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen, maar op dit moment verblijft zij nog steeds in het asielzoekerscentrum en is in afwachting van het toewijzen van een woning aan haar. Pas op het moment dat zij een woning krijgt toegewezen, zal zij in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering als zij op dat moment geen inkomen heeft. Desgevraagd heeft de vrouw aangegeven dat zij geen zicht heeft op woonruimte. De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is wanneer de vrouw in aanmerking komt voor eigen woonruimte en vanaf welk moment zij dus allerlei extra kosten voor haar levensonderhoud heeft. De rechtbank daarom ziet geen aanleiding om te anticiperen op deze onzekere toekomstige gebeurtenis.
2.20.
De rechtbank overweegt verder dat de vrouw vanaf november 2023 in Nederland in een asielzoekerscentrum verblijft en een uitkering van het centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) ontvangt. De vrouw heeft geen inzicht gegeven in de hoogte van deze uitkering. Uit artikel 9 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 blijkt dat de uitkering betrekking heeft op de aanschaf van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven. De kosten van onder andere onderdak, medische zorg en reizen met het OV worden voor haar voldaan.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Pakistan op 29 juli 2018;
3.2.
wijs af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Oude Lohuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 mei 2025.
[- 1]
[- 2]
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
[- 3]
fn: 679
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:1783 text/xml public 2026-03-25T10:00:22 2025-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-05-09 C/17/196600 FA RK 24-1905 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2026:1602 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:1783 text/html public 2025-05-12T13:11:31 2025-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:1783 Rechtbank Noord-Nederland , 09-05-2025 / C/17/196600 FA RK 24-1905 - RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht locatie Leeuwarden zaaknummer / rekestnummer: C/17/196600 / FA RK 24-1905 Beschikking d.d. 9 mei 2025 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [de vrouw] , wonend op een geheim adres, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. F.P. van Dalen, gevestigd te Leeuwarden, tegen [de man] , wonend in [woonplaats 1] , hierna te noemen de man, advocaat mr. D. Rezaie, gevestigd te Amsterdam. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 10 september 2024; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek. 1.2. Op de zitting van 22 april 2025 is de zaak behandeld. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. 1.3. De vrouw heeft op de zitting gebruik gemaakt van de diensten van de heer S. Zabihi, tolk in de Darische taal. 2 De beoordeling 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] in Pakistan. De vrouw heeft de Afghaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. 2.2. Bij beschikking van 30 oktober 2024 van deze rechtbank heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de man haar een bijdrage in haar levensonderhoud betaalt van € 667,- per maand, afgewezen. Echtscheiding 2.3. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 2.4. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. 2.5. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 2.6. Voordat de rechtbank toekomt aan beoordeling van het echtscheidingsverzoek zal zij gelet op artikel 10:33 BW moeten beoordelen of het tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk in Nederland als rechtsgeldig kan worden erkend. Uit artikel 10:31 BW volgt dat het uitgangspunt hierbij is, dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend, wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (eerste lid van dit artikel). 2.7. De man heeft een kopie van een boekje met een 'Marriage Certificate' overgelegd voorzien van stempels en foto's en vingerafdrukken van partijen. Uit de akte blijkt dat partijen naar islamitisch (gewoonte) recht zijn gehuwd. Zij waren beiden ouder dan 18 jaar. Hoewel partijen neef en nicht van elkaar zijn, is dat volgens het islamitische recht in Pakistan geen beletsel om met elkaar te huwen. De rechtbank gaat ervan uit dat het huwelijk rechtsgeldig tot stand is gekomen. 2.8. Op grond van artikel 10:32 onder e BW wordt, ongeacht artikel 10:31 BW, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk heeft plaatsgevonden op initiatief van de man en haar vader in Pakistan en dat zij is gedwongen tot het huwelijk. De rechtbank overweegt dat de vrouw haar stelling niet heeft onderbouwd. Op basis van de stukken en wat daarover gezegd is op de zitting is de rechtbank niet gebleken dat de vrouw onder invloed van dwang het huwelijk met de man heeft gesloten. 2.9. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Partneralimentatie 2.10. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 2.500 per maand. 2.11. De man heeft daartegen verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het verzoek. 2.12. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen. 2.13. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 2.14. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie afwijzen. De rechtbank legt deze beslissing hierna uit. 2.15. De man heeft aanvankelijk gesteld dat tussen partijen geen lotsverbondenheid is, omdat zij nooit hebben samengeleefd en hij de vrouw ook nooit financieel heeft onderhouden. Op de zitting heeft hij zijn standpunt over het ontbreken van lotsverbondenheid niet langer gehandhaafd. Niet meer in geschil is, en dat is ook het oordeel van de rechtbank, dat de grondslag van de onderhoudsplicht de lotsverbondenheid is die door het huwelijk tussen partijen is ontstaan, ook al hebben partijen nooit samengeleefd in Nederland of in een ander land en hebben zij elkaar nooit financieel onderhouden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de jurisprudentie, zoals de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:449). 2.16. In de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof is verder overwogen dat de genoemde factoren, zoals dat partijen nooit hebben samengeleefd en elkaar nooit financieel hebben onderhouden, wel van invloed zijn op de omvang en duur van de onderhoudsplicht. Aan de rechter is een belangrijke discretionaire bevoegdheid toegekend om aan de hand van de maatstaven van 'draagkracht en behoefte' en de overige (ook niet-financiële) omstandigheden te beslissen of daadwerkelijk een uitkering moet worden toegekend, aldus het gerechtshof. De man heeft op de zitting onder andere bepleit dat de rechtbank gelet op de overige (ook niet-financiële) omstandigheden gebruik zou moeten maken van haar discretionaire bevoegdheid om geen onderhoudsbijdrage vast te stellen. 2.17. De rechtbank neemt eerst de maatstaven van 'draagkracht en behoefte' in aanmerking. Zij is van oordeel dat de vrouw haar (aanvullende)behoefte en de draagkracht van de man onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. 2.18. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar primaire stelling dat haar behoefte gebaseerd moet worden op de Hofnorm. Niet alleen heeft de vrouw verzuimd om te stellen hoe hoog haar behoefte op basis van de Hofnorm is, ondanks dat de man zijn inkomensgegevens in het geding heeft gebracht, maar los daarvan is niet in geschil dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. Van een gezamenlijk besteedbaar gezinsinkomen (waarvan de Hofnorm is afgeleid), is naar het oordeel van de rechtbank dan ook nooit sprake geweest. De vrouw heeft ook anderszins geen inzicht gegeven in haar feitelijke levensstandaard tijdens het huwelijk. Zij woonde tijdens het huwelijk in Pakistan bij haar ouders en werd ook onderhouden door haar ouders. 2.19. Subsidiair heeft de vrouw zich op de zitting op het standpunt gesteld dat haar behoefte op bijstandsniveau kan worden gesteld. Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet. De vrouw heeft weliswaar aangegeven dat zij per 1 november 2024 een verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen, maar op dit moment verblijft zij nog steeds in het asielzoekerscentrum en is in afwachting van het toewijzen van een woning aan haar. Pas op het moment dat zij een woning krijgt toegewezen, zal zij in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering als zij op dat moment geen inkomen heeft. Desgevraagd heeft de vrouw aangegeven dat zij geen zicht heeft op woonruimte. De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is wanneer de vrouw in aanmerking komt voor eigen woonruimte en vanaf welk moment zij dus allerlei extra kosten voor haar levensonderhoud heeft.