Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-04-23
ECLI:NL:RBNNE:2025:1640
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,338 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer 24-028928
cjib-zaaknummer 1072542300000399
Dictum
[verdachte] ,
geboren op [geboorte datum] 1972 te [geboorte plaats] (Marokko), wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde,
raadsman mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg.
Procesverloop
Op 22 november 2024 is namens veroordeelde beroep ingesteld tegen de door de officier van justitie op 8 augustus 2024 genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 4 januari 2019 door de Correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van
148.627,55.
De raadsman heeft in het beroepschrift een aantal gronden opgevoerd. De raadsman is - na toezending van de stukken - in de gelegenheid gesteld schriftelijk de gronden van beroep aan te vullen. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt. De officier van justitie heeft op 25 maart 2025 schriftelijk gereageerd op de aangevoerde gronden van beroep.
De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 april 2025. De veroordeelde is niet verschenen; wel is verschenen zijn raadsman mr. A.A. Nunninkhoven. Het openbaar ministerie werd ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppello.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De raadsman heeft in het beroepschrift gewezen op het bepaalde in artikel 22 van de Verordening 2018/1805 en heeft gesteld dat het onmogelijk is om het confiscatiebevel ten uitvoer te leggen nu veroordeelde al afbetaalt en meer afbetalen niet in zijn macht ligt. Ter zitting heeft de raadsman aangegeven dat hem uit de stukken duidelijk is geworden dat de afbetaling alleen betrekking heeft op de opgelegde boete van 6.000,00 en niet op de opgelegde beslissing tot confiscatie. De raadsman heeft daarnaast aangegeven dat de gezondheid van veroordeelde en de gezondheid van zijn vrouw en dochtertje ten tijde van de veroordeling veel beter waren dan nu en daar zou bij de uitvoering van de beslissing uitdrukkelijk rekening mee moeten worden gehouden. Het is voor veroordeelde volstrekt onmogelijk om het opgelegde bedrag van 148.627,55 te betalen en daarom zou erkenning en tenuitvoerlegging niet moeten doorgaan, aldus de raadsman.
6. De officier van justitie heeft gesteld dat het hebben van (on)voldoende draagkracht niet valt onder een van de in artikel 19 van de Verordening 2018/1805 genoemde facultatieve weigeringsgronden. Artikel 22 van de Verordening 2018/1805 is in deze fase van de procedure nog niet aan de orde nu dit
artikel ziet op het doen van nader onderzoek naar inningsmogelijkheden en daarmee de betalingsmogelijkheden van veroordeelde, aldus de officier van justitie.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De wetgever heeft in artikel 36 van de WWETGC bepaald dat de officier van justitie de erkenning alleen kan weigeren op één van de gronden bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening 2018/1805. De persoonlijke omstandigheden van veroordeelde en de op dit moment bestaande (eventuele) betalingsonmacht, vallen niet onder één van deze gronden en maken niet dat de officier van justitie de in België gegeven beslissing tot confiscatie niet zou kunnen erkennen en tenuitvoerleggen. Ook het door de raadsman genoemde artikel 22 van de Verordening 2018/1805 kan niet leiden tot toepassing van een weigeringsgrond door de officier van justitie.
9. Nu de rechtbank, ook ambtshalve, geen weigeringsgronden aanwezig acht, zal zij het ingestelde beroep ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 23 april 2025 door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van T.L. Komrij, griffier.
Mr. Vlietstra is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.