Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-04-02
ECLI:NL:RBNNE:2025:1520
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
954 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 24-029140
cjib- zaaknummer : 45052540002135643
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1962, wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
Veroordeelde heeft zich bij verzetschrift verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel inzake de door de Zentrale Buβgeldstelle des Polizeipräsidiums Rheinpfalz te Speyer in Bondsrepubliek Duitsland, op 4 juli 2022 opgelegde geldboete, vermeerderd met de verhogingen wegens het niet voldoen van de geldboete en de administratiekosten. Het dwangbevel is op 8 september 2023 afgegeven voor een totaalbedrag van 515,81.
De behandeling van het verzetschrift heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025.
Veroordeelde is niet verschenen. P. de Jager en H. Veldsema, beiden werkzaam bij het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB), waren namens de Minister van Justitie en Veiligheid aanwezig bij de behandeling.
Motivering
Veroordeelde heeft verzet ingesteld op grond van artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard.
De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het verzetschrift dient, conform artikel 6:4:5, derde lid Sv, te worden ingesteld bij deze rechtbank binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel. Volgens het exploot is het dwangbevel op 12 september 2023 door de deurwaarder betekend, door middel van achterlating van het dwangbevel in een gesloten envelop op het toenmalige adres van veroordeelde, te weten [adres] . Dit is een geldige betekening conform artikel 46, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het verzetschrift is gedateerd op 25 oktober 2024 en is op 26 november 2024 via het CJIB bij de rechtbank binnengekomen.
Standpunt Minister van Veiligheid en Justitie
De medewerkers van het CJIB hebben namens de Minister ter terechtzitting aangevoerd dat veroordeelde niet-ontvankelijk is in het verzet, omdat het verzetschrift niet binnen twee weken na betekening van het dwangbevel is ingediend en daarom te laat is ingediend.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat veroordeelde niet binnen twee weken na betekening van het dwangbevel verzet heeft ingesteld. De rechtbank zal daarom veroordeelde niet-ontvankelijk verklaren in het verzet.
Dictum
De rechtbank verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in het verzet.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. K. Post en mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.
Wanneer u het niet eens bent met deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing cassatie instellen. Het instellen van cassatie doet u bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
De Hoge Raad neemt de zaak alleen in behandeling wanneer het aan de Staat verschuldigde bedrag, inclusief kosten, is betaald. Dit bedrag dient als zekerheidsstelling. Zie hiervoor artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om een bedrag van
515,81. Dit bedrag moet binnen twee weken na het instellen van cassatie zijn betaald op rekeningnummer IBAN NL40INGB0705005143 van het CJIB in Leeuwarden, onder vermelding van het cjib-zaaknummer 45052540002135643.