Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-20
ECLI:NL:RBNNE:2025:149
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,388 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:149 text/xml public 2026-05-06T16:00:08 2025-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-01-20 LEE 24/4615 en LEE 24/4953 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:149 text/html public 2025-01-20T13:49:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:149 Rechtbank Noord-Nederland , 20-01-2025 / LEE 24/4615 en LEE 24/4953 Verzoeker is aangetroffen in een stilstaande auto met draaiende motor terwijl hij onder invloed was van alcohol. Is het CBR bevoegd hem een Educatieve maatregel alcohol en verkeer op te leggen? RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/4615 en LEE 24/4953 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] , uit Veendam, verzoeker (gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink), en de directie van het CBR, CBR (gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het opleggen van een Educatieve Maatregel alcohol en verkeer (EMA).Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoeker daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. 1.1. Het CBR heeft met het besluit van 6 augustus 2024 de maatregel opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. 1.2. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van de besluiten en feiten 2.1. Blijkens een proces-verbaal van 24 juli 2024 hebben twee politieagenten van de Politie Eenheid Noord-Nederland op 20 juli 2024 om 21:40 uur verzoeker aangetroffen in een stilstaande auto op een parkeerplaats nabij verzoekers woning. 2.2. Later op dezelfde avond is bij verzoeker een blaastest afgenomen, waarbij hij positief testte op alcohol. De gemeten hoeveelheid alcohol bedroeg 760 µg/l (1,748 ‰). 2.3. Op 24 juli 2024 heeft de politie aan verweerder een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) gedaan. Daarin is vermeld dat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven. 2.4. In het primaire besluit van 6 augustus 2024 heeft het CBR de EMA opgelegd. 2.5. Verzoeker heeft op 30 oktober 2024 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, connex aan het bezwaar tegen het primaire besluit. Bij uitspraak van 20 november 2024 (LEE 24/4273) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat verzoek afgewezen. 2.6. Op 25 november 2024 heeft verzoeker opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (LEE 24/4615) ingediend. Bij besluit van 3 december 2024 heeft het CBR het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld (LEE 24/4953). 2.7. Bij brief van 26 november 2024 heeft het CBR bevestigd dat verzoeker voor het volgen van de cursus EMA verwacht wordt op 22 januari 2025, 5 februari 2025 en 19 februari 2025. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Mede gezien verzoekers toelichting ter zitting over de rechtspositionele gevolgen die de voorliggende zaak voor hem kan hebben, acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang aanwezig. 4. In de bijlage bij deze uitspraak is de relevante regelgeving opgenomen. 5.1. In de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het opleggen van een EMA is het volgende overwogen. Voor het opleggen van de EMA is voor het CBR voldoende dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. De bevoegdheid komt het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat iemand in strijd met de wettelijke voorschriften onder invloed van drogerende stoffen een motorrijtuig heeft bestuurd. Anders dan in het strafrecht hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd. Het CBR mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. 5.2. De door verzoeker genoemde strafrechtelijke jurisprudentie vormt geen aanleiding voor een andere toetsing in deze bestuursrechtelijke procedure. 5.3. Daarnaast is voor de toetsing van belang dat uit de bewoordingen van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 volgt dat, als bij een bestuurder een ademalcoholgehalte tussen 435 µg/l en 785 µg/l is geconstateerd, het CBR gehouden is een EMA op te leggen. 6.1. In het proces-verbaal van aanhouding vermelden de verbalisanten, voor zover van belang, het volgende: ‘Wij zagen en hoorden dat de motor draaide en dat de verlichting van het voertuig brandde. Wij zagen dat er een man op de bestuurdersstoel zat. (…) Wij zagen dat [naam] op de bestuurdersstoel zat en dat hij zijn voeten bij de pedalen en een hand op het stuur had. Wij zagen dat de bestuurdersstoel op een wijze stond afgesteld waarmee [naam] comfortabel zou kunnen rijden, dus passend bij het postuur van [naam] . Wij roken dat de adem van [naam] naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Toen ik (…) [naam] confronteerde met het feit dat er een alcoholgeur bij hem vandaan kwam, hoorden wij [naam] zeggen dat hij zojuist, zittend in zijn auto, alcohol had genuttigd. Daarbij hoorden wij dat [naam] met dubbele tong sprak. Wij zagen in de directe nabijheid van [naam] geen volle of lege verpakkingen van alcoholhoudende drank liggen. 6.2. In het proces-verbaal van het verhoor dat op 20 juli 2024 werd gehouden van 23:12 uur tot 23:20 uur, heeft verzoeker blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal onder meer verklaard: ‘P : Heb je een voertuig bestuurd terwijl je alcohol, drugs en/of medicijnen had gebruikt? V : Nee. P : Waar kwam je vandaan voordat je werd staande gehouden te Veendam? V : Ik kwam van mijn ouders’. 6.3. Het CBR heeft een afschrift van een e-mailbericht van 27 november 2024 overgelegd waarin een hoofdagent het volgende verklaart: ‘De auto stond scheef in een parkeervak. Dit betrof een parkeerplaats op een doodlopend pleintje achter woningen’. 6.4. In de gronden van verzoek en ter zitting heeft verzoeker het volgende verteld over de gebeurtenissen op 20 juli 2024. In de middag was verzoeker thuis. Eerder was hij bij zijn ouders geweest. Samen met zijn vriendin heeft hij thuis een aantal alcoholische dranken genuttigd. De volgende dag zou verzoekers vriendin naar Rotterdam gaan met de auto van verzoeker. Omdat de auto storingen bleef aangeven in de bandendruk, vroeg verzoekers vriendin of hij dit kon verhelpen. Verzoeker is om die reden in de auto gaan zitten. Omdat het die dag 30 °C was, heeft hij de motor aangezet om verkoeling te krijgen door de airconditioning. Terwijl hij de boordcomputer aan het controleren was, is hij gezien door de agenten. Door de aanhouding was verzoeker perplex. Hij heeft geprobeerd aan te geven hoe het wel was gegaan maar dat leidde tot een felle reactie van de agenten.
Volledig
Tijdens het latere verhoor was verzoeker onder invloed, waardoor hij in de war was en waardoor hij akkoord is gegaan met het proces-verbaal van verhoor en dit ondertekend heeft. 6.5. De voorzieningenrechter overweegt dat voor het relaas van verzoeker geen enkel aanknopingspunt kan worden gevonden in de processen-verbaal. Volgens deze processen-verbaal heeft verzoeker noch bij de aanhouding noch in het verhoor later op de avond iets gezegd dat overeenkomt met zijn latere beschrijving van de gebeurtenissen van de dag. Wel heeft verzoeker bij zijn aanhouding gezegd dat hij in de auto alcoholische drank had gedronken, terwijl er geen concrete aanwijzing was (zoals een lege of halfvolle fles) dat dit daadwerkelijk zo was. 6.6. Om die reden heeft het CBR slechts kunnen uitgaan van hetgeen wel uit de processen-verbaal blijkt, te weten dat verzoeker achter het stuur van een schuin geparkeerde auto met draaiende motor en brandende lichten zat terwijl hij onder invloed van alcohol was, zonder dat hij daarvoor een steekhoudende verklaring kon geven. Deze situatie rechtvaardigt het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikte over de (lichamelijke en/of geestelijke) geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven en rechtvaardigt het vermoeden dat hij onder invloed van alcohol de auto had bestuurd. Gelet hierop was het CBR gehouden aan verzoeker een EMA op te leggen. 6.7. Gezien het voorgaande kunnen de gronden van verzoeker niet slagen. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wegenverkeerswet 1994 Artikel 8 1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. 2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. (..) Artikel 130 1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. Artikel 131 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of (…) 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid. Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Artikel 11 1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien: a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, (…); Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7633, van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1991, en van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:479.