Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-02-28
ECLI:NL:RBNNE:2025:1263
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/2504
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Roden, eiser
(gemachtigde: mr. Y. Schippers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld, hierna te noemen het college
(gemachtigden: H.C. Koster en E. Oosterloo).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit Roden (derde-partij)
(gemachtigde: mr. H. Veldman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving.
1.1.
Het college heeft het verzoek om handhaving met het besluit van 10 augustus 2020 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2022 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens geschorst.
1.3.
Op 25 november 2022 heeft de rechtbank besloten zich te laten informeren door een onafhankelijke deskundige. De rechtbank heeft in dit verband R. de Vries van Revis Zwembaden B.V. als deskundige benoemd (hierna: de deskundige).
1.4.
Op 4 november 2024 heeft de deskundige zijn advies uitgebracht.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college, derde-partij, zijn gemachtigde en de door de rechtbank benoemde deskundige.
Totstandkoming van het besluit
2. Derde-partij heeft een zwembad in zijn tuin.
2.1.
Eisers perceel grenst aan dat van derde-partij.
2.2.
Het college heeft derde-partij op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van het zwembad. Aan die vergunning is een aantal voorschriften verbonden. Eén van de voorschriften betreft:
“De overstort en de (hemel)waterafvoer moet afwateren op het eigen perceel en moet worden afgevoerd/aangesloten op het riool.”
2.3.
Eiser ervaart hinder en wateroverlast op zijn perceel en stelt dat deze zijn oorzaak vinden in een overtreding van meerdere van de vergunningsvoorschriften. Op 17 april 2020 heeft eiser ter zake een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Hij heeft het verzoek aangevuld bij brief van 21 juni 2020.
2.4.
Bij besluit van 10 augustus 2020 heeft het college het verzoek tot handhaving afgewezen voor zover het was gericht tegen het hierboven geciteerde voorschrift.
2.5.
Op 15 september 2020 heeft eiser bij brief, door het college ontvangen op 17 september 2020, bezwaar aangetekend tegen het besluit.
2.6.
Bij besluit van 8 juli 2021 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Dit is conform het advies van de Commissie voor behandeling van bezwaarschriften van de gemeente Noordenveld. In het kader van de beoordeling van het bezwaar heeft de toezichthouder de percelen van eiser en derde-partij bezocht.
2.7.
Eiser heeft op 17 augustus 2021 beroep ingesteld.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser tot handhaving. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank legt dat hierna uit.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
4.1.
Eisers verzoek om handhaving dateert van 17 april 2020 en de aanvulling van 10 augustus 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.
Wat houdt het vergunningvoorschrift in?
5. Het gaat om een voorschrift dat is verbonden aan een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Het voorschrift strekt ertoe te borgen dat de overstort van het zwembad en de afwatering van het dak van het zwembad, waar hemelwater op valt, plaatsvindt op het perceel van derde-partij doordat de waterafvoer op het riool op dat perceel is aangesloten.
Heeft het college voldoende onderzoek gedaan?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van de toezichthouder onvoldoende houvast biedt om het verzoek om handhaving te kunnen afwijzen. Daarmee is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er kon, aldus eiser, dus ook niet de conclusie worden getrokken dat de afvoer van hemelwater vanaf het dak en de overstort van het zwembad op het perceel van derde-partij via het riool op dat perceel wordt afgewaterd.
6.1.
Het college voert aan dat er voldoende onderzoek is gedaan naar de overstort en de afwatering van overtollig (hemel)water en de aansluiting op het riool van het zwembad op het perceel van derde-partij. Het college verwijst naar het rapport van de toezichthouder, diens memo en naar de inspectie op locatie op 14 juni 2021, die plaatsvond tijdens de behandeling van het bezwaar van eiser. Het kon niet blijken dat derde-partij een overtreding heeft begaan.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek en de rapporten van de toezichthouder onvoldoende valt af te leiden dat aan het vergunningvoorschrift wordt voldaan. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan ligt om feiten en omstandigheden te verzamelen om vast te stellen of sprake is van een overtreding. In het rapport van de toezichthouder zijn voor de rechtbank onvoldoende concrete bevindingen vastgelegd, die de conclusie rechtvaardigen dat aan het vergunningvoorschrift wordt voldaan. De in het geding gebrachte stukken van de toezichthouder roepen vragen op. Er wordt gerapporteerd dat water uit een emmer via de afvoerpijp in het platte dak boven het zwembad in het zwembad terecht komt en dat de overstort is aangesloten op het riool. De bevindingen zijn zeer summier beschreven en leiden niet automatische tot de gevolgtrekking dat de afwatering daadwerkelijk zoals dat moet, plaatsvindt op het perceel van derde-partij via het riool aldaar. Dit geldt ook voor het uitgevoerde onderzoek met de trekveer. Dat onderzoek rechtvaardigt niet de door het college getrokken conclusie, omdat de mogelijkheid open blijft dat water ergens aan de afvoer ontsnapt. Het college heeft daarom destijds ten onrechte geconcludeerd dat de derde-partij geen overtreding heeft begaan. Het betoog van eiser slaagt in zoverre.
Inschakeling van een deskundige
6.3.
De rechtbank heeft een deskundige ingeschakeld om vast te stellen of aan het vergunningsvoorschrift wordt voldaan. De rechtbank heeft een drietal vragen gesteld aan de deskundige. Relevant voor de beoordeling is vooral vraag 1 en het antwoord op die vraag.
Vraag 1 luidt:
Vraag 1: kunt u vaststellen op welke wijze de overstort en het hemelwater op het perceel van de vergunninghouder afwatert en in het bijzonder of dit perceel is aangesloten op het riool?
Vraag 2 ziet op de waterdichtheid van het zwembad, een onderwerp dat op zichzelf genomen buiten de reikwijdte van het geschil valt. De rechtbank heeft de deskundige niettemin onderzoek naar de waterdichtheid van het zwembad laten doen, om een volledig beeld van de loop van het water te krijgen. Een onderzoek naar de loop van het water, bekeken in het licht van het in geschil zijnde vergunningvoorschrift, zou zinloos zijn als niet ook de staat van het zwembad, dat onderdeel uitmaakt van de loop van het water, daarin wordt betrokken. Ook daar zou immers een bron van wateroverlast gelegen kunnen zijn.
Bij het antwoord op vraag 3 kon de deskundige overige opmerkingen maken.
6.4.
De deskundige heeft op 4 november 2024 rapport uitgebracht. In het rapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
Antwoord op vraag 1:
“De afwatering in de tuin van de heer [derde belanghebbende] loopt via afvoerputjes naar zijn terras naar het riool, Boven het bad is een dak gemaakt waarop het regenwater via een afvoerbuis in het bad er onder terechtkomt. De overstort (overtollig regenwater) van het zwembad zal bij veel regen via een gat in de muur in een afvoergoot naast het bad weglopen. Na ons bezoek heeft de heer [derde belanghebbende] een slang in het gat gestoken die in de afvoerput naast het bad zit en daardoor zal het water afgevoerd worden naast het zwembad.”
Antwoord op vraag 2:
“(…) We hebben gezien bij droog weer dat de grond op de erfscheiding droog was. We hebben toen overlegd dat de heer [eiser] een aantal planken uit zijn schutting zou halen, zodat we bij een volgend bezoek de situatie beter konden beoordelen. Tijdens ons laatste bezoek hebben we kunnen concluderen dat het al een tijd droog was de natte delen kwamen van regenwater tussen beide muren van de betreffende buren. (…).
De conclusie is dat het bad niet lek is.”
Antwoord op vraag 3
“De buren [eiser] hebben een overkapping/schuur, die voor de muur van het zwembad van de buren staat. Het water wat afloopt valt in een goot alleen zit die goot erg laag ten opzichte van de dakplaten, waardoor er met veel harde regen een probleem kan ontstaan doordat het water over de goot kan vallen in plaats van in de goot waardoor er water in de grond kan trekken. Ook blijkt dat de grond van alle achterburen een stuk hoger ligt dan dat van [derde belanghebbende] en [eiser]. Ik kan mij voorstellen dat dit ook problemen kan veroorzaken.”
De deskundige heeft zijn onderzoeksbevindingen tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht.
6.5.
De rechtbank mag, gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling, in beginsel afgaan op het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige. Dat is slechts anders als het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Daarvan is in dit geval geen sprake. De deskundige heeft op meerdere momenten de percelen bezocht en daar waarnemingen en testen gedaan.
Conclusie
7. De rechtbank concludeert enerzijds dat het besluit op bezwaar niet is gebaseerd op voldoende onderzoek en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is hiermee gebrekkig. Anderzijds is met inschakeling van de deskundige in deze procedure alsnog voldoende komen vast te staan dat derde-partij aan de gestelde vergunningsvoorwaarde voldoet. Gelet hierop, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Overige vergunningvoorschriften
8. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is beslist op de punten uit het aanvullend handhavingsverzoek van 20 juni 2020. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de waterdichtheid van het zwembad, de vraag naar het gebruik van het dak van het zwembad en de hoge scheidingsmuur. Deze beroepsgrond treft geen doel.
8.1.
Het college heeft in het besluit van 20 augustus 2020 beslist op het verzoek om handhaving voor zover dat zag op het betreffende vergunningsvoorschrift. Er is niet beslist op de klachten van eiser over een overtreding van andere vergunningsvoorschriften. In het bezwaarschrift tegen het besluit wordt daartegen geen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift rept enkel van het voorschrift dat betrekking heeft op de hemelwaterafvoer en de overstort. Dit betekent dat de procedure in bezwaar zich niet uitstrekte tot de andere vergunningsvoorschriften. Aan het bestreden besluit kleven op dit punt dan ook geen gebreken. In het verlengde hiervan valt een beoordeling van de naleving van de andere vergunningsvoorschriften ook buiten de reikwijdte van het beroep. Hetzelfde geldt voor het onderwerp van de drainagebuis in de grond van eisers perceel. De buis betreft geen onderdeel van het verzoek om handhaving. Het onderwerp is door eiser enkel aangezwengeld in reactie op de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige.
Schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn?
9. Eiser heeft verzocht om een vergoeding wegens immateriële schade, omdat de procedure langer heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).
9.1.
Eiser stelt dat de behandeling van het bezwaar langer heeft geduurd dan een half jaar. Op 15 september 2000 is pro-forma bezwaar ingediend. De gronden zijn op 8 oktober 2020 ingediend. Het bestreden besluit is pas op 8 juli 2021 genomen. Ook de termijn van behandeling van het beroep is volgens eiser overschreden, omdat de eerste zitting plaatsvond op 11 november 2022, terwijl het beroepschrift al op 17 augustus 2021 was ingediend. De behandeling van de zitting in beroep vond bijna twee jaar na indiening van het bezwaarschrift plaats.
9.2.
Op grond van vaste rechtspraak bedraagt de redelijke termijn in een zaak als deze vier jaar en vangt de termijn aan op de datum waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaren duren. De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop het bestuursorgaan of de rechter de zaak heeft behandeld en het processuele gedrag van de bezwaarmakers kunnen ervoor zorgen dat overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd is. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Voor deze zaak betekent dit het volgende.
9.3.
Vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van eiser op 17 september 2020 tot de datum van deze uitspraak van 28 februari 2025 zijn vier jaren en vijf maanden verstreken (53 maanden). Dit betekent dat de totale termijn van vier jaren is overschreden. De termijn vanaf het moment dat de deskundige is benoemd tot het moment dat hij advies heeft uitgebracht zal bij de berekening van de termijn van de rechterlijke fase worden afgetrokken. Inschakeling van de deskundige betreft een bijzondere omstandigheid en eiser heeft in zijn beroep zelf om een onderzoek van een onafhankelijke deskundige verzocht, omdat hij stelt geen vertrouwen te hebben in (de toezichthouders van) het college. Daarnaast is gebleken dat door ziekte aan de zijde van eiser het onderzoek van de deskundige is vertraagd. Dit betekent dat de periode van juli 2023 tot en met november 2024 van de termijn zal worden afgetrokken, totaal 16 maanden. Vanaf de ontvangst van het beroep bij de rechtbank op 18 augustus 2021 tot aan de datum van de uitspraak (28 februari 2025) zijn, met aftrek van voornoemde periode, drie jaren en één maand verstreken (37 maanden). Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren in de rechterlijke fase met 13 maanden.
9.4.
De overschrijding van de termijn zijn toe te rekenen aan zowel het college als de rechtbank. De Staat der Nederlanden en het college zullen daarom beide worden veroordeeld tot betaling aan eiser van € 750,-, totaal € 1.500,-.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht worden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Met het deskundigenrapport en de gegeven toelichting van de deskundige is alsnog voldoende komen vast te staan dat derde-partij het vergunningvoorschrift niet heeft overtreden. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om handhaving in stand blijft.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden (€ 181,-) en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde in beroep krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- per punt. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), aan de zitting (1 punt) en de nadere zitting van de rechtbank (0,5 punt) deelgenomen, totaal 2,5 punten. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50,-.
10.2.
Verder ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te wijzen. De rechtbank zal zowel het college als de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 750,-, totaal € 1.500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 juli 2021;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 181,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.267,50,- aan proceskosten aan eiser.
- veroordeelt het college tot betaling van een schadevergoeding van € 750,- aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 750,- aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 6 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR3356, r.o. 5.1.
vgl. ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, r.o. 8.
Zie daarvoor rechtsoverweging 8.
ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2287.
vgl. ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1998, r.o. 5.2.
ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:436.
ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:420.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/2504
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Roden, eiser
(gemachtigde: mr. Y. Schippers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld, hierna te noemen het college
(gemachtigden: H.C. Koster en E. Oosterloo).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit Roden (derde-partij)
(gemachtigde: mr. H. Veldman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving.
1.1.
Het college heeft het verzoek om handhaving met het besluit van 10 augustus 2020 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2022 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens geschorst.
1.3.
Op 25 november 2022 heeft de rechtbank besloten zich te laten informeren door een onafhankelijke deskundige. De rechtbank heeft in dit verband R. de Vries van Revis Zwembaden B.V. als deskundige benoemd (hierna: de deskundige).
1.4.
Op 4 november 2024 heeft de deskundige zijn advies uitgebracht.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college, derde-partij, zijn gemachtigde en de door de rechtbank benoemde deskundige.
Totstandkoming van het besluit
2. Derde-partij heeft een zwembad in zijn tuin.
2.1.
Eisers perceel grenst aan dat van derde-partij.
2.2.
Het college heeft derde-partij op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van het zwembad. Aan die vergunning is een aantal voorschriften verbonden. Eén van de voorschriften betreft:
“De overstort en de (hemel)waterafvoer moet afwateren op het eigen perceel en moet worden afgevoerd/aangesloten op het riool.”
2.3.
Eiser ervaart hinder en wateroverlast op zijn perceel en stelt dat deze zijn oorzaak vinden in een overtreding van meerdere van de vergunningsvoorschriften. Op 17 april 2020 heeft eiser ter zake een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Hij heeft het verzoek aangevuld bij brief van 21 juni 2020.
2.4.
Bij besluit van 10 augustus 2020 heeft het college het verzoek tot handhaving afgewezen voor zover het was gericht tegen het hierboven geciteerde voorschrift.
2.5.
Op 15 september 2020 heeft eiser bij brief, door het college ontvangen op 17 september 2020, bezwaar aangetekend tegen het besluit.
2.6.
Bij besluit van 8 juli 2021 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Dit is conform het advies van de Commissie voor behandeling van bezwaarschriften van de gemeente Noordenveld. In het kader van de beoordeling van het bezwaar heeft de toezichthouder de percelen van eiser en derde-partij bezocht.
2.7.
Eiser heeft op 17 augustus 2021 beroep ingesteld.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser tot handhaving. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank legt dat hierna uit.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
4.1.
Eisers verzoek om handhaving dateert van 17 april 2020 en de aanvulling van 10 augustus 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.
Wat houdt het vergunningvoorschrift in?
5. Het gaat om een voorschrift dat is verbonden aan een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Het voorschrift strekt ertoe te borgen dat de overstort van het zwembad en de afwatering van het dak van het zwembad, waar hemelwater op valt, plaatsvindt op het perceel van derde-partij doordat de waterafvoer op het riool op dat perceel is aangesloten.
Heeft het college voldoende onderzoek gedaan?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van de toezichthouder onvoldoende houvast biedt om het verzoek om handhaving te kunnen afwijzen. Daarmee is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er kon, aldus eiser, dus ook niet de conclusie worden getrokken dat de afvoer van hemelwater vanaf het dak en de overstort van het zwembad op het perceel van derde-partij via het riool op dat perceel wordt afgewaterd.
6.1.
Het college voert aan dat er voldoende onderzoek is gedaan naar de overstort en de afwatering van overtollig (hemel)water en de aansluiting op het riool van het zwembad op het perceel van derde-partij. Het college verwijst naar het rapport van de toezichthouder, diens memo en naar de inspectie op locatie op 14 juni 2021, die plaatsvond tijdens de behandeling van het bezwaar van eiser. Het kon niet blijken dat derde-partij een overtreding heeft begaan.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek en de rapporten van de toezichthouder onvoldoende valt af te leiden dat aan het vergunningvoorschrift wordt voldaan. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat het op de weg van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan ligt om feiten en omstandigheden te verzamelen om vast te stellen of sprake is van een overtreding. In het rapport van de toezichthouder zijn voor de rechtbank onvoldoende concrete bevindingen vastgelegd, die de conclusie rechtvaardigen dat aan het vergunningvoorschrift wordt voldaan. De in het geding gebrachte stukken van de toezichthouder roepen vragen op. Er wordt gerapporteerd dat water uit een emmer via de afvoerpijp in het platte dak boven het zwembad in het zwembad terecht komt en dat de overstort is aangesloten op het riool. De bevindingen zijn zeer summier beschreven en leiden niet automatische tot de gevolgtrekking dat de afwatering daadwerkelijk zoals dat moet, plaatsvindt op het perceel van derde-partij via het riool aldaar. Dit geldt ook voor het uitgevoerde onderzoek met de trekveer. Dat onderzoek rechtvaardigt niet de door het college getrokken conclusie, omdat de mogelijkheid open blijft dat water ergens aan de afvoer ontsnapt. Het college heeft daarom destijds ten onrechte geconcludeerd dat de derde-partij geen overtreding heeft begaan. Het betoog van eiser slaagt in zoverre.
Inschakeling van een deskundige
6.3.
De rechtbank heeft een deskundige ingeschakeld om vast te stellen of aan het vergunningsvoorschrift wordt voldaan. De rechtbank heeft een drietal vragen gesteld aan de deskundige. Relevant voor de beoordeling is vooral vraag 1 en het antwoord op die vraag.
Vraag 1 luidt:
Vraag 1: kunt u vaststellen op welke wijze de overstort en het hemelwater op het perceel van de vergunninghouder afwatert en in het bijzonder of dit perceel is aangesloten op het riool?
Vraag 2 ziet op de waterdichtheid van het zwembad, een onderwerp dat op zichzelf genomen buiten de reikwijdte van het geschil valt. De rechtbank heeft de deskundige niettemin onderzoek naar de waterdichtheid van het zwembad laten doen, om een volledig beeld van de loop van het water te krijgen. Een onderzoek naar de loop van het water, bekeken in het licht van het in geschil zijnde vergunningvoorschrift, zou zinloos zijn als niet ook de staat van het zwembad, dat onderdeel uitmaakt van de loop van het water, daarin wordt betrokken. Ook daar zou immers een bron van wateroverlast gelegen kunnen zijn.
Bij het antwoord op vraag 3 kon de deskundige overige opmerkingen maken.
6.4.
De deskundige heeft op 4 november 2024 rapport uitgebracht. In het rapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
Antwoord op vraag 1:
“De afwatering in de tuin van de heer [derde belanghebbende] loopt via afvoerputjes naar zijn terras naar het riool, Boven het bad is een dak gemaakt waarop het regenwater via een afvoerbuis in het bad er onder terechtkomt. De overstort (overtollig regenwater) van het zwembad zal bij veel regen via een gat in de muur in een afvoergoot naast het bad weglopen. Na ons bezoek heeft de heer [derde belanghebbende] een slang in het gat gestoken die in de afvoerput naast het bad zit en daardoor zal het water afgevoerd worden naast het zwembad.”
Antwoord op vraag 2:
“(…) We hebben gezien bij droog weer dat de grond op de erfscheiding droog was. We hebben toen overlegd dat de heer [eiser] een aantal planken uit zijn schutting zou halen, zodat we bij een volgend bezoek de situatie beter konden beoordelen. Tijdens ons laatste bezoek hebben we kunnen concluderen dat het al een tijd droog was de natte delen kwamen van regenwater tussen beide muren van de betreffende buren. (…).
De conclusie is dat het bad niet lek is.”
Antwoord op vraag 3
“De buren [eiser] hebben een overkapping/schuur, die voor de muur van het zwembad van de buren staat. Het water wat afloopt valt in een goot alleen zit die goot erg laag ten opzichte van de dakplaten, waardoor er met veel harde regen een probleem kan ontstaan doordat het water over de goot kan vallen in plaats van in de goot waardoor er water in de grond kan trekken. Ook blijkt dat de grond van alle achterburen een stuk hoger ligt dan dat van [derde belanghebbende] en [eiser]. Ik kan mij voorstellen dat dit ook problemen kan veroorzaken.”
De deskundige heeft zijn onderzoeksbevindingen tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht.
6.5.
De rechtbank mag, gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling, in beginsel afgaan op het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige. Dat is slechts anders als het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Daarvan is in dit geval geen sprake. De deskundige heeft op meerdere momenten de percelen bezocht en daar waarnemingen en testen gedaan.
Conclusie
7. De rechtbank concludeert enerzijds dat het besluit op bezwaar niet is gebaseerd op voldoende onderzoek en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is hiermee gebrekkig. Anderzijds is met inschakeling van de deskundige in deze procedure alsnog voldoende komen vast te staan dat derde-partij aan de gestelde vergunningsvoorwaarde voldoet. Gelet hierop, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Overige vergunningvoorschriften
8. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is beslist op de punten uit het aanvullend handhavingsverzoek van 20 juni 2020. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de waterdichtheid van het zwembad, de vraag naar het gebruik van het dak van het zwembad en de hoge scheidingsmuur. Deze beroepsgrond treft geen doel.
8.1.
Het college heeft in het besluit van 20 augustus 2020 beslist op het verzoek om handhaving voor zover dat zag op het betreffende vergunningsvoorschrift. Er is niet beslist op de klachten van eiser over een overtreding van andere vergunningsvoorschriften. In het bezwaarschrift tegen het besluit wordt daartegen geen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift rept enkel van het voorschrift dat betrekking heeft op de hemelwaterafvoer en de overstort. Dit betekent dat de procedure in bezwaar zich niet uitstrekte tot de andere vergunningsvoorschriften. Aan het bestreden besluit kleven op dit punt dan ook geen gebreken. In het verlengde hiervan valt een beoordeling van de naleving van de andere vergunningsvoorschriften ook buiten de reikwijdte van het beroep. Hetzelfde geldt voor het onderwerp van de drainagebuis in de grond van eisers perceel. De buis betreft geen onderdeel van het verzoek om handhaving. Het onderwerp is door eiser enkel aangezwengeld in reactie op de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige.
Schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn?
9. Eiser heeft verzocht om een vergoeding wegens immateriële schade, omdat de procedure langer heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).
9.1.
Eiser stelt dat de behandeling van het bezwaar langer heeft geduurd dan een half jaar. Op 15 september 2000 is pro-forma bezwaar ingediend. De gronden zijn op 8 oktober 2020 ingediend. Het bestreden besluit is pas op 8 juli 2021 genomen. Ook de termijn van behandeling van het beroep is volgens eiser overschreden, omdat de eerste zitting plaatsvond op 11 november 2022, terwijl het beroepschrift al op 17 augustus 2021 was ingediend. De behandeling van de zitting in beroep vond bijna twee jaar na indiening van het bezwaarschrift plaats.
9.2.
Op grond van vaste rechtspraak bedraagt de redelijke termijn in een zaak als deze vier jaar en vangt de termijn aan op de datum waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaren duren. De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop het bestuursorgaan of de rechter de zaak heeft behandeld en het processuele gedrag van de bezwaarmakers kunnen ervoor zorgen dat overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd is. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Voor deze zaak betekent dit het volgende.
9.3.
Vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van eiser op 17 september 2020 tot de datum van deze uitspraak van 28 februari 2025 zijn vier jaren en vijf maanden verstreken (53 maanden). Dit betekent dat de totale termijn van vier jaren is overschreden. De termijn vanaf het moment dat de deskundige is benoemd tot het moment dat hij advies heeft uitgebracht zal bij de berekening van de termijn van de rechterlijke fase worden afgetrokken. Inschakeling van de deskundige betreft een bijzondere omstandigheid en eiser heeft in zijn beroep zelf om een onderzoek van een onafhankelijke deskundige verzocht, omdat hij stelt geen vertrouwen te hebben in (de toezichthouders van) het college. Daarnaast is gebleken dat door ziekte aan de zijde van eiser het onderzoek van de deskundige is vertraagd. Dit betekent dat de periode van juli 2023 tot en met november 2024 van de termijn zal worden afgetrokken, totaal 16 maanden. Vanaf de ontvangst van het beroep bij de rechtbank op 18 augustus 2021 tot aan de datum van de uitspraak (28 februari 2025) zijn, met aftrek van voornoemde periode, drie jaren en één maand verstreken (37 maanden). Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren in de rechterlijke fase met 13 maanden.
9.4.
De overschrijding van de termijn zijn toe te rekenen aan zowel het college als de rechtbank. De Staat der Nederlanden en het college zullen daarom beide worden veroordeeld tot betaling aan eiser van € 750,-, totaal € 1.500,-.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht worden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Met het deskundigenrapport en de gegeven toelichting van de deskundige is alsnog voldoende komen vast te staan dat derde-partij het vergunningvoorschrift niet heeft overtreden. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om handhaving in stand blijft.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden (€ 181,-) en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde in beroep krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- per punt. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), aan de zitting (1 punt) en de nadere zitting van de rechtbank (0,5 punt) deelgenomen, totaal 2,5 punten. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50,-.
10.2.
Verder ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te wijzen. De rechtbank zal zowel het college als de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 750,-, totaal € 1.500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 juli 2021;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 181,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.267,50,- aan proceskosten aan eiser.
- veroordeelt het college tot betaling van een schadevergoeding van € 750,- aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 750,- aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 6 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR3356, r.o. 5.1.
vgl. ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, r.o. 8.
Zie daarvoor rechtsoverweging 8.
ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2287.
vgl. ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1998, r.o. 5.2.
ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:436.
ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:420.