Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-02-25
ECLI:NL:RBNNE:2025:1011
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
761 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde]
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende te de [adres]
,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 13 december 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 12.178,65 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/036565-24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 28 januari 2025.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 januari 2025 afwijzing van de vordering tot ontneming gevorderd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op de beperkte rol van verdachte bij het ten laste gelegde, aannemelijk is geworden dat verdachte slechts in zeer beperkte mate voordeel heeft genoten. Gelet op de toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen is toewijzing van de vordering tot ontneming niet langer passend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte dat hij 150,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 25 februari 2025 in de zaak met parketnummer 18/036565-24 veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren, en ter zake van het gewoontewitwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. D.H. Röben, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 februari 2025.
mr. L.W. Janssen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.