Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-03-14
ECLI:NL:RBNNE:2024:897
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/859
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, het college
(gemachtigde: mr. I. van der Meer).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [naam] en [naam] uit [plaats] (derden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het opleggen van maatwerkvoorschriften met betrekking tot geur, ten aanzien van het bedrijf van verzoekster aan de [adres] in [plaats].
1.1.
Het college heeft de maatwerkvoorschriften op 17 mei 2023 opgelegd. Met het bestreden besluit van 31 januari 2024 heeft het college beslist op de bezwaren van verzoekster. Het college heeft de maatwerkvoorschriften 1.1.1 en 1.1.2 gewijzigd. De overige maatwerkvoorschriften (1.1.3 tot en met 1.1.9) zijn in stand gelaten.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd met zaaknummer LEE 24/860.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster met [naam] en [naam], en de gemachtigde van het college met F. Nijp, A.J. Westhof en M. Suselbeek. Namens derde-partij zijn [naam] en [naam] verschenen.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet en het daarbij behorende Besluit activiteiten leefomgeving in werking getreden. Nu het besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften op 17 mei 2023 is genomen, volgt uit het overgangsrecht dat in dit geval het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten
4. Verzoekster exploiteert een bedrijf voor de productie van koffie aan de [adres] in [plaats]. Het bedrijf is een inrichting type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Voor de productie zijn drie productielijnen (in de besluitvorming ook aangeduid als branders) beschikbaar. Productielijn 2 is uitgerust met katalysatorplaten in combinatie met een hete lucht recirculatiesysteem. Productielijn 3 is de nieuwste lijn, waar gebruik wordt gemaakt van een naverbrander om de geur in de afgassen te reduceren. Productielijn 1 is de oudste lijn van de inrichting. Het verzoek om voorlopige voorziening betreft de maatwerkvoorschriften die betrekking hebben op deze productielijn 1.
4.1.
Het college heeft op 17 mei 2023 op grond van artikel 3.140, in samenhang gelezen met artikel 2.7a, van het Activiteitenbesluit, op verzoek van derde-partij maatwerkvoorschriften geur gesteld met betrekking tot het bedrijf van verzoekster.
4.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft op 19 juli 2023 het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de houdbaarheid van het bestreden besluit in de bezwaarfase als overwegend positief werd ingeschat en er geen aanleiding bestond om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
4.4.
Het college heeft het bezwaar op 31 januari 2024 ongegrond verklaard. Het college heeft de datum die was opgenomen in maatwerkvoorschriften 1.1.1 en 1.1.2 voor respectievelijke de emissiehoogtes en rookgassnelheden tot aan 1 oktober 2023 en de geurimmissieconcentratie vanaf 1 oktober 2023, gewijzigd naar 1 mei 2024. De maatwerkvoorschriften 1.1.3 tot en met 1.1.9 zijn ongewijzigd in stand gebleven.Voor deze procedure is van belang dat in voorschrift 1.1.3 is voorgeschreven dat de activiteiten van productielijn 1 op 1 maart 2024 dienen te zijn beëindigd en dat in de voorschriften 1.1.4 tot en met 1.1.9 voorschriften zijn opgenomen voor het in gebruik houden van productielijn 1 tijdens onderhoudswerkzaamheden of reparatiewerkzaamheden als gevolg van een storing. In voorschrift 1.1.7 is voorgeschreven dat productielijn 1 tijdens onderhouds- of reparatiewerkzaamheden [van productielijn 2 en/of 3] maximaal 23 uur per week in werking mag zijn, met een maximum van 1.200 uur in een jaar.
4.5.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en aan de voorzieningenrechter verzocht om de werking van de maatwerkvoorschriften 1.1.3 en 1.1.7 te schorsen.
5. Op de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij met deze procedure wil bereiken dat productielijn 1 alleen gebruikt mag worden, in het geval dat zowel productielijn 2 als productielijn 3, buiten werking zijn.
6. Na een korte schorsing hebben partijen aangegeven in te stemmen met het treffen van een voorlopige voorziening dat productielijn 1 tot de uitspraak in de bodemzaak alleen mag worden gebruikt als productielijn 2 én productielijn 3 door onderhoud of storing gelijktijdig buiten gebruik zijn. Daarbij geldt als voorwaarde dat productielijn 1 in zo’n geval maximaal 600 uur per jaar in werking mag zijn. Op zitting is bovendien afgestemd dat naast de maatwerkvoorschriften 1.1.3 en 1.1.7 ook de maatwerkschriften 1.1.4 en 1.1.5 kunnen worden geschorst en een voorziening wordt getroffen ten aanzien van de tekst van maatwerkvoorschrift 1.1.6. Het college heeft ingestemd met een vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook toewijzen zoals hiervoor onder 6. is weergegeven.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening zoals op de zitting besproken.
9. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en treft de volgende voorziening totdat uitspraak is gedaan op het beroep van verzoekster:
- de voorzieningenrechter schorst de met het bestreden besluit in stand gelaten maatwerkvoorschriften 1.1.3, 1.1.4, 1.1.5 en 1.1.7;
- de voorzieningenrechter treft de voorziening dat productielijn 1 alleen in werking mag zijn als productielijn 2 én productielijn 3 door onderhoud of storing tegelijkertijd buiten gebruik zijn, tot een maximale duur van 600 uur per jaar;- de voorzieningenrechter bepaalt dat ‘en/of’ in maatwerkvoorschrift 1.1.6 wordt vervangen door ‘en/en’;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2024 door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBNNE:2023:3018 (minjus.nl)