Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-02-29
ECLI:NL:RBNNE:2024:761
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,265 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/3540
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], eiser
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigde: mr. R.A.M.H.W. Wierenga en mr. A.G. Sol).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag voor schadevergoeding voor schade veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten aan de woning aan de [adres] te [woonplaats 2].
1.1.
Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 25 november 2021 deels afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 september 2022 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij dit besluit gebleven.
1.2.
Het Instituut heeft op het beroep op 5 januari 2024 gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een bureaustudie van Wiertsema & Partners van 13 februari 2023 en een nader advies van N. Handgraaf, van 10BE, van 13 maart 2023.
1.3.
Bij brief van 29 januari 2024 zijn door het Instituut aan eiser twee opties toegelicht die met hem op 24 januari 2024 telefonisch zijn besproken. Het gaat om de keuze voor een aanvullende vaste vergoeding van € 3.033,26 (€ 10.000,- minus € 6.329,09 en € 637,65) of een voorlopige keuze voor daadwerkelijk herstel, in afwachting van de voorwaarden.
1.4.
Bij brief van 31 januari 2024 is een deskundigenbericht met calculaties overgelegd van de schades die eiser in zijn beroepschrift aan de orde heeft gesteld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het Instituut, D. Kiestra, deskundige bij 10BE en ir. R.H.G. Loohuis, geotechnicus.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft eerder schade gemeld bij de NAM. Na de eerste melding heeft het Noordelijk Schade Taxatie Bureau BV op 8 mei 2015 een schade-opname gedaan. Daarbij zijn scheuren in binnen- en buitenmuren opgenomen. Herstel van deze scheuren is gecalculeerd op een bedrag van € 6.329,09. Dit bedrag is aan eiser uitgekeerd.
4.1.
Op 31 maart 2021 heeft eiser een aanvraag voor schadevergoeding gedaan bij het Instituut voor schade aan zijn woning. Deze aanvraag is door het Instituut in behandeling genomen. Op 22 juni 2021 is de schade opgenomen en op 26 augustus 2021 is door B. Verbaan, van 10BE, een adviesrapport opgeleverd. Daarbij is eveneens de schade die in 2015 al aanwezig was opgenomen. Voor deze schade is door het Instituut geen vergoeding toegekend, nu deze schade reeds eerder is behandeld. Voor twee nieuwe schades is een bedrag van € 637,65 toegekend. Andere, niet eerder behandelde, schade is niet voor vergoeding in aanmerking gebracht. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4.2.
In het daarop volgende besluit heeft het Instituut zich op het standpunt gesteld dat het bewijsvermoeden voor schades 10, 12, 16, 17, 18, 19 en 21 is weerlegd en dat deze schades niet voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser heeft in zijn op 2 december 2022 ingediende beroepschrift naar voren gebracht dat het bewijsvermoeden ten aanzien van deze schades onjuist is toegepast.
5. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is het Instituut tot de conclusie gekomen dat de adviezen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit onvoldoende zijn om het bewijsvermoeden te kunnen weerleggen. De rechtbank is het op dat punt eens met het Instituut en is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt vernietigd.
6. Het Instituut heeft ter zitting benoemd dat de vergoeding voor schades 10, 12, 16, 17, 18, 19 en 21 conform het op 31 januari 2024 aangeleverde deskundigenbericht kunnen worden toegekend. In dit bericht is volgens het calculatiemodel een bedrag van € 7.794,66 voor herstel van de schades berekend.
7. De rechtbank ziet zich daarmee voor de vraag gesteld in hoeverre zelf in de zaak moet worden voorzien.
7.1.
Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke Wet Groningen heeft het Instituut tot taak en is bevoegd schade af te handelen en daartoe de aanspraak op een vergoeding van schade vast te stellen en de omvang van de vergoeding van schade vast te stellen. Aan de hand van het calculatiemodel is herstel van de schades 10, 12, 16, 17, 18, 19 en 21 begroot op een bedrag van € 7.794,66. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat het Instituut het calculatiemodel mag hanteren om de gemelde schades op uniforme wijze af te handelen. Er is in onderhavige procedure geen offerte of andere kostenbegroting ingebracht, waaruit blijkt dat het calculatiemodel hier niet passend is. Het toekennen van het bedrag van € 7.794,66 zou naar het oordeel van de rechtbank dan ook passend zijn als vergoeding voor voornoemde zeven schades.
7.2.
Eiser heeft ter zitting laten weten dat hij de in geschil zijnde schades liever onder regie van het Instituut wil laten herstellen. Daarbij is hij bereid om de reeds toegekende bedragen -door de NAM en het Instituut- terug te storten als het Instituut er voor zorgt dat alle schades, dus ook de eerder behandelde schades, worden hersteld. Daarbij is voor eiser wel belangrijk dat er niet te lang gewacht hoeft te worden. De procedure duurt al heel lang. In het geval daadwerkelijk herstel weer een lange doorlooptijd betekent wil eiser het gecalculeerde bedrag wel accepteren.
8. Gelet op de door eiser ter zitting geuite wens zal niet zelf in de zaak worden voorzien. De rechtbank zal het Instituut een termijn geven om zich te beraden op het voorstel van eiser, waarna eiser kan reageren. Vervolgens dient het Instituut een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Ten behoeve van een, door eiser gewenste, voortvarende afhandeling, worden daartoe de volgende termijnen gesteld:
- het Instituut dient binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak aan eiser kenbaar te maken in hoeverre in dit specifieke geval alle in het adviesrapport van 26 augustus 2021 opgenomen schades, dus ook de eerder behandelde schades, door middel van daadwerkelijk herstel kunnen worden hersteld en onder welke voorwaarden;
- eiser dient vier weken de tijd te krijgen om hier een reactie op te geven;
- indien eiser in deze reactie kenbaar maakt dat hij gebruik wil maken van uitkering van de onder 7.1. genoemde vergoeding van € 7.794,66 dient binnen twee weken een besluit te worden genomen waarin dat bedrag wordt toegekend.
Afwijken van deze termijnen kan alleen met schriftelijke instemming van eiser.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht aan eiser vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 13 september 2022;
- bepaalt dat het Instituut een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vgl. de uitspraak van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2682, r.o. 67.