Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-01-22
ECLI:NL:RBNNE:2024:5425
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
709 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/4191
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Het bestuur van de rechtbank Overijssel
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de brief van het bestuur van de rechtbank Overijssel van 29 september 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Eiser heeft beroep ingesteld omdat hij van mening is dat de waarnemend president van de rechtbank Overijssel zijn WOO-verzoeken ten onrechte niet in behandeling heeft genomen.
3. Een belanghebbende kan bij de bestuursrechteer alleen beroep instellen tegen een besluit. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Het bestuur van de rechtbank Overijssel is geen bestuursorgaan. Dat volgt uit artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c en g, van de Awb.
4. Dit betekent dat de brieven van de waarnemend president van 27 en 29 september 2023 geen besluiten zijn in de zin van de Awb en dat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld.
5. De conclusie is dat de rechtbank onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen.
6. Van eiser is geen griffierecht geheven. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van C. van der Bijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:1 Awb
Artikel 1:3 lid 1 Awb